De DDR als datsja-land

Idylle in donker Duitsland

De trend in het drukker wordende Berlijn: een datsja op het Oost-Duitse platteland, waar de prosecco-tuinders op neonazi’s en ex-Stasi-agenten stuiten. Dat leidt soms tot Koude Oorlog-achtige conflicten.

Medium 51880660

‘Onmiddellijk ophouden daarmee!’ klinkt een schrille stem door de heg: ‘Of ik bel de politie!’ Helemaal vergeten dat we hier in de Oost-Duitse leegte ook buren hebben. We wilden alleen maar een vuurtje maken om een worstje te grillen. Niet dat we ons op een comfortabele eerste nacht in onze datsja hadden ingesteld. Een ‘datsja’, zoals in het oosten van Duitsland de weekendhuisjes worden genoemd, klinkt weliswaar als een landhuis uit de tijd van Tsjechov, maar meestal zijn het houten hutjes die ooit door ddr-burgers in elkaar zijn getimmerd. Drie miljoen datsja’s kende de ddr; het land had, naar verluidt, daarmee de hoogste dichtheid van weekendhuisjes ter wereld.

Dat van ons valt bijna uit elkaar. Het oude vrouwtje van wie we het kochten heeft ons met vochtige ogen uitgelegd hoe het ding ontstaan is. Het was direct na de bouw van de Muur in 1961. Geld hadden ze niet, materiaal ook niet, maar haar man kon van de bouw af en toe wat meenemen waarmee hij zijn hutje – al improviserend – in elkaar kon zetten. Wij vonden alles prima. We dachten aan de prettige prijs, aan de ongekende natuurlijke ruimte en zelfs dat het hutje deel was van een ‘kolonie’ met zo’n vijftig andere hutten schrok ons niet af. Die zagen we niet eens, dankzij onze tuin van bijna duizend vierkante meter, waar ik gelukzalig mijn AH-moestuin-zaadjes in plantte – aan een enorm meer, omgeven door een dicht bos, ver weg van de snelweg en toch slechts 45 minuten van de hoofdstad.

Dat ik deel ben van een brede westerse trend had ik overal kunnen lezen. De stad wordt te duur, te vol met kantoren en steeds dezelfde winkelketens, dus willen vooral hoogopgeleide ouders in het weekend naar buiten. De Duitse media schrijven er graag lyrisch over (Die Zeit: ‘Oergevoelens voor de digitale generatie’).

In Nederland is men iets nuchterder; in NRC Handelsblad las ik een artikel over ‘prosecco-tuinders’. Daarmee werden mensen als ik bedoeld, maar dan in Amsterdamse volkstuintjes; de oude arbeiders die deze tuintjes al decennia bevolken worden ineens geconfronteerd met naïeve stedelijke hoogopgeleiden die ‘niet weten dat ze in de tuin ook echt moeten werken’. In principe zijn de prosecco-tuinders in Berlijn niet veel anders dan in Amsterdam. Alleen: er is wel een subtiel verschil tussen Noord-Holland en Brandenburg, even los van het beduidend grotere aantal vierkante meter natuur dat ik tot mijn beschikking heb. De datsja’s zijn de laatste resten van een staat, van een wereldorde, die 27 jaar geleden met de val van de Muur verdwenen is. De laatste jaren sterft de oude ddr-generatie uit. Soms komen dan hun kinderen, maar regelmatig zijn de nieuwe bewoners ook Berlijners die oorspronkelijk uit West-Duitsland komen – of nog verder weg, uit Nederland.

De ‘generatiewisseling’ in de datsja’s legt daarom niet alleen een cultuurverschil bloot tussen oude arbeiders en nieuwe hoogopgeleiden, ze gaat ook nog eens gepaard met sensaties van historische afmetingen.

Volgens mijn schoonvader, een Oost-Duitser die in 1970 in de kofferbak van een diplomatenauto naar West-Berlijn vluchtte, had onze kolonie een ‘Stasi-status’. De locatie voor een datsja kon je niet zelf kiezen, hij werd je toegewezen. Degenen die het gehoorzaamst waren aan het regime kregen de mooiste plekjes. Er zijn er op ons terrein nog een paar van over, van de eerste generatie koloniebewoners. Er is de voormalige tandartsassistente Gerlinde met haar geblondeerde haren, die ook met haar bijna tachtig jaar nog in een roze badmantel om half acht ’s ochtends gaat zwemmen. En er is de bejaarde meneer Jung, die bij de ingang woont en bij iedere onbekende wantrouwig zijn hoofd boven het hek uitsteekt.

Mijn buurman, datsjabewoner sinds 1962, heeft rondom zijn tuin spijkers op de hekken geslagen, met de punt naar boven; de heggen zijn met metalen rekken verstevigd. Het is alsof hij een psychische muur heeft opgebouwd tegen alles wat zijn idylle kan verstoren; eerst tegen de blikken van zijn buren in de ddr, na 1990 tegen de nieuwe wereld van het herenigde Duitsland.

Ik had hem nog nooit gezien, maar op onze eerste avond snerpt ineens zijn stem uit de bosjes. Hij roept over ‘de regels’ die wij moeten aanhouden; we hebben het vuurtje zonder barbecue aangemaakt, dat mag niet. Geschrokken gooi ik er zand op, mijn dochter begint te huilen, en mijn vriendin wil de datsja direct weer verkopen. Maar een van onze Duitse gasten loopt vastberaden in de richting van de heg. Ze schreeuwt de man toe dat ‘de Stasi hier niets meer te zeggen heeft’ en dat zijn woede-uitbarsting ‘fremdenfeindlich’ is. ‘Zo moet je het doen’, zegt onze gast, geboren in West-Berlijn, ‘anders begrijpen ze het niet.’ Volgens haar is de man tegen nieuwelingen, ja, tegen vreemden in het algemeen. Want, voegt ze er half ironisch aan toe: ‘Die Ossi’s zijn toch allemaal nazi’s.’ Het werkt; de man trekt zich zwijgend uit zijn heg terug. Maar onze burenruzie is zomaar uitgegroeid tot een oost-west-conflict met Koude Oorlog-proporties – en dat 27 jaar na de val van de Muur.

even lijkt er niets aan de hand te zijn, tijdens de toespraak van burgemeester Michael Müller tijdens de herdenking van de val van de Muur op 9 november in Berlijn. Hij doet wat gebruikelijk is in politiek Duitsland: hij herinnert niet alleen aan deze ‘vreedzame revolutie’ in 1989, maar in één adem door ook aan de pogromnacht in 1938, waarbij de nazi’s synagogen in brand staken. ‘Deze dag herinnert ons aan het licht en aan de schaduw in de Duitse geschiedenis’, zegt hij plechtig. En hij vervolgt dat ‘deze datum als een aansporing geldt om de democratie te verdedigen’. Ieder jaar klinkt het zo op 9 november, de waarschuwing náást de vreugde, maar deze keer is het wel erg overheersend. Zowat iedere spreker herinnert op deze novemberdag met extra nadruk aan 1938 – de nacht die als een symbolische opmaat van de holocaust geldt. Toeval? Allerminst, en dat heeft niet alleen met de winst van Trump de nacht ervoor te maken.

De nieuwe huismeester droeg een baseballpet van Lonsdale, hier een bekende manier om je Hitler-sympathieën te tonen

Het is ook een boodschap aan de Oost-Duitsers. Sinds de komst van de vluchtelingen uit onder meer Syrië, Irak en Afghanistan is in Duitsland rechts-radicaal geweld met 42 procent toegenomen; in totaal werden bijna 22.000 rechts-gemotiveerde strafdaden begaan in 2015. Van elke vier van dergelijke strafdaden kwamen er drie uit Oost-Duitsland, van brandbommen op asielzoekerscentra in Saksen tot gewelddaden in Brandenburg. De daders blijken niet alleen jonge neonazi’s, maar ook oudere ‘bezorgde burgers’ die zich in korte tijd hebben geradicaliseerd en met brandstichting mogelijke doden op de koop toe nemen. Ondertussen boekt ook de nieuwe rechtse partij AfD de grootste winst in de Oost-Duitse deelstaten. Zelfs Joachim Gauck, bondspresident en Oost-Duitser, maakte daarom eind 2015 een verdeling in een ‘licht’ en een ‘donker’ Duitsland; het was iedereen duidelijk waar de grootste donkerte te vinden was.

Dus wordt er 27 jaar na de val van de Muur weer volop over een ‘typisch Oost-Duitse mentaliteit’ gesproken. En uit de rapporten over de levensverwachting, over de onderwijskwaliteit en over het levensgeluk die de landelijke kranten afgelopen weken publiceerden, zou blijken dat in het oosten alles slechter is dan in West-Duitsland. Alleen qua rechtsradicalisme doen ze het beter. Terug lijken daarmee de theorieën uit begin jaren negentig, toen er in Oost-Duitsland ook al zoveel aanslagen op asielzoekerscentra werden gepleegd. Psychologen als Hans-Joachim Maaz stelden destijds invloedrijke psychogrammen van de ddr-burger op. De eerste ddr-generatie was volgens hem nog opgegroeid in de nazitijd, en in de ddr had er nooit een verwerking van het fascisme plaatsgevonden. Ook de jongere ddr-generaties leden daarom onder neuroses, waardoor ze ontvankelijker waren voor rechtsradicalisme.

Alleen: nog maar twee jaar geleden, bij de herdenking van 25 jaar val van de Muur, was de stemming compleet anders. Toen kwamen er juist rapporten uit die successen moesten onderstrepen; de extreem-rechtse npd verloor in alle Oost-Duitse deelstaten bijna al haar kiezers; voormalige rechtse bastions als Jena bloeiden economisch op; en met Angela Merkel als bondskanselier en Joachim Gauck als president bleek voor Oost-Duitsers zelfs de politieke top bereikbaar te zijn. Als er nog over een ‘typisch Oost-Duitse mentaliteit’ werd gesproken, dan bleek zij ineens ook positieve aspecten te kunnen hebben. Zo meende de ‘derde generatie uit het oosten’, een groep dertigers die nog net in de ddr geboren waren, dat Oost-Duitsers een meer geëmancipeerde houding hebben; zij zijn door hun socialistische achtergrond tenminste gewend aan werkende vrouwen.

De golf van ‘prosecco-tuinders’ uit Berlijn paste prima bij deze nieuwe blik op het oosten. De eerste ‘Wessi’ die ik kende die zes jaar geleden de stap naar het Oost-Duitse land waagde, pakte het meteen groots aan. Ze kocht voor twintigduizend euro een compleet landgoed in Mecklenburg-Voorpommeren, de minst bevolkte deelstaat, twee uur autorijden van Berlijn. Het landgoed lag in een piepklein dorpje van vijfhonderd inwoners, dat eruitzag als het vroeg-twintigste-eeuwse gehucht uit de film Das weisse Band (2009) van Michael Haneke. De natuur was er prachtig, maar alle Oost-Duitse clichés lagen er voor het oprapen. Aan het aangrenzende meertje stond een deprimerend campingplaatsje: er wapperde een Pruisische vlag boven een camper, een caravan had een sticker van een ijzeren Wehrmacht-kruis.

De bedompte neonazi-sfeer was voelbaar. De nieuwe huismeester van het landgoed – een veertiger die tot dan toe werkloos ernaast had gewoond – droeg zelfs een baseballpet van het merk Lonsdale; in dit gebied een bekende manier om je Hitler-sympathieën te tonen, zonder direct strafbaar te zijn. Maar volgens onze kennis betekende dat niets, de huismeester droeg dat slechts omdat hij ‘niet beter wist’, suste ze. Vijf jaar lang werkte ze ieder weekend aan haar project – en inmiddels is in haar dorpje de neonazi-camping verdwenen en het landgoed getransformeerd tot een bloeiende bed breakfast, geboekt voor bruiloften en door groepen Nederlandse fietsers op het Europa-fietspad richting Polen.

De afkeer van het vreemde in het oosten gold de laatste jaren steeds meer als een sociaal-economisch probleem. Oost-Duitse dorpen en steden waar genoeg werk was bloeiden op; andere bloedden leeg, met woede en frustratie tot gevolg, zoals dat gaat op plekken waar alles tot stilstand is gekomen, in Duitsland Frankrijk, Nederland en Amerika.

En nu? Iedere week verschijnen er wel weer angstaanjagende reportages over het ‘donkere Duitsland’ in de landelijke kranten. De overzichtelijke tijd van de Lonsdale-petjes blijkt zelfs voorbij. Radicalen dragen tijdens de Pegida-marsen doorsnee vrijetijdskleding, stevige wandelschoenen en ietwat gedateerde outdoor-mode als afritsbare broeken. Kortom: iedere gemiddelde Oost-Duitser kan ineens weer een potentiële radicaal zijn.

Maar: ‘Als het alléén om harde cijfers zou gaan’, schrijft Jan Fleischhauer, bekend columnist van weekblad Der Spiegel, ‘zou men erbij moeten zeggen dat er op iedere buitenlanders-hater minstens zoveel brave mensen komen die niets tegen vluchtelingen hebben’. Dat is niet het geval. De vluchtelingencrisis heeft voor zo’n sterke polarisatie gezorgd, dat er voor nuance geen plaats meer is, zegt hij.

Natuurlijk, de feiten over de vele aanslagen zijn onomstotelijk, maar de journalistieke eenzijdigheid toont volgens Fleischhauer óók West-Duitse vooroordelen. In feite bestaan die al sinds de deling in 1949, zegt hij. De Oost-Duitser had altijd al de functie van de slechts-mogelijke Duitser. Eerst was dat om er wat meewarig over te lachen, nu als het schrikbeeld van de ‘nazi’. Met andere woorden: het oosten van Duitsland heeft in de Duitse media dezelfde functie gekregen die de ‘midwest’ in de Amerikaanse media heeft: hij is de donkere kant van de Duitse ziel, de grote schuldige van het huidige rechtspopulisme. Het gevolg: de kloof tussen oost en west in Duitsland voelt voor beide zijden dieper dan het in tien jaar is geweest. En de complexiteit van het rechtspopulisme – ook in het rijke Baden-Württemberg boekte de AfD grote winst – wordt daarmee makkelijk over het hoofd gezien.

De buurman deed zijn best om heel vriendelijk over te komen, al bleef hij veilig achter zijn hek met spijkers staan

En dus rij ik, genuanceerde buitenstaander, bijna ieder weekend dit donkere deel van Duitsland binnen. In de zomer om te zwemmen, in de herfst om de goedbedoelde resultaten van de AH-moestuin uit de grond te halen, en in de winter om de datsja om te bouwen.

Mijn voorganger had tussen zijn sierplanten en appelbomen zoveel stalen hekken en beton bij elkaar gezet, alsof hij er een Berlijnse Muur mee had willen bouwen. Onder de idylle in onze tuin ademde alles wantrouwen. Ik ruim de stenen bij elkaar en maak er een mooie Trümmer-berg van, zoals ik het ken uit Berlijn, waar men na 1945 van de nazi-ruïnes heuvels in de nieuwe stadsparken heeft gebouwd. Bovenop komt een schommel.

De transformatie van de kolonie gaat snel, en niet alleen bij ons. Bijna ieder weekend lopen er wel makelaars rond tussen de bomen, met in hun kielzog potentiële kopers. De oude Stasi-getrouwen verdienen goed aan de generatiewisseling. De dame in roze badmantel fluisterde ons het bedrag dat de makelaar voor haar huisje heeft binnengehaald. Ze was er zelf het meest geschokt over.

Door de Berlijnse datsja-trend vormt onze directe omgeving inmiddels een wonderlijke wereld vol ongerijmdheden, zoals die eigenlijk alleen in dit snel veranderende Oost-Duitsland kan plaatsvinden. Op het plaatselijke strandje zaten in de zomer Berlijnse vaders met hipsterbaard gebroederlijk naast getatoeëerde stierennekken uit Brandenburg.

In Berlijn vraagt zelfs Ali, een van de vaders uit onze crèche, of onze kolonie iets voor hem en zijn kinderen zou kunnen zijn. Hij is architect, komt eigenlijk gewoon uit Beieren, maar wordt, zoals hij zelf zegt, de laatste paar jaar ineens vooral op zijn Libanese ‘Migrationshintergrund’ aangesproken.

Ik durf het hem niet te zeggen. Vooraf aan de koop heb ik wel even de resultaten van de afgelopen verkiezingen in het dichtstbijzijnde dorp gegoogeld. npd, AfD? Niets. Bij de plaatselijke visrokerij – de enige hang-out voor de lokale mannen – heb ik naarstig naar Lonsdale-petjes gezocht. Niets. Sterker: het dorp aan de andere kant van ons heeft gestemd vóór de komst van een vluchtelingenopvang.

Het meest bedreigend blijken tot nu toe de ambtenaren van onze gemeente. Dezelfde Bauamt-medewerkers die er maanden over doen een brief te beantwoorden, hebben in de buurt een stuk grond verkocht aan een miljardair uit Turkmenistan. Met hem wil de burgemeester zijn gebied nu aantrekkelijk maken voor ‘superrijken’ uit de hele wereld, meldt de plaatselijke krant. Hij wil er een villawijk op bouwen – met persoonlijke garages voor privé-vliegtuigjes, inclusief landingsbaan.

Misschien is het nieuwe geld wel de oplossing van de agressie tegen het vreemde. Mijn boze buurman heeft zijn hutje nu ook verkocht. Hij heeft het me zelf verteld, toen ik hem een week na de aanvaring gewoon maar eens heb aangesproken. Hij deed opvallend zijn best om heel vriendelijk over te komen, al bleef hij veilig achter zijn hek met spijkers staan. Heus, zei hij: ‘Ik ben ook voor de Willkommenskultur. En Holland is toch ook bijna Duitsland?’

Eigenlijk weet niemand nog precies waar het met de kolonie naartoe gaat. Vorige week zijn onze nieuwe buren gekomen; geen hippe Berlijners en ook geen Saoedische miljonairs met een privé-vliegtuig. Het zijn gewoon Oost-Duitsers uit een naburig stadje. Ze kwamen met een nieuwe Fiat 500 en droegen afritsbare broeken. Pegida? Echt gerust zijn we er nog niet op. Het eerste wat ze deden was zomaar een vuurtje maken om een worstje te grillen.


Beeld: Oost-Duitse datsja. ‘Oergevoelens voor de digitale generatie’ (Tagesspiegel / Picture-Alliance)