Irakese schrijver Mowaffk Al-Sawad

«Ieder gedicht is voor mij een heel harde schreeuw»

De Irakese dichter en schrijver Mowaffk Al-Sawad zat vier jaar gevangen in de Arabische woestijn, vergeten door de wereld, nadat hij in 1991 had deelgenomen aan de opstand tegen Saddam Hoessein. Hij werd gered door het woord en wist te vluchten.

«Ik heb een droom die vaak terugkeert. Dan ben ik weer bij mijn ouders thuis, en we worden omsingeld door Saddams geheime dienst. Ik heb die droom honderden keren gehad en iedere keer word ik weer overdekt met angstzweet wakker. Het is maar een droom. De werkelijkheid is dat Saddams geheime dienst weet dat ik hier ben, ze is in Europa actief, maar het interesseert ze waarschijnlijk weinig. In Irak zijn ze een keer bij mijn ouders aan de deur geweest en hebben ze gevraagd waar ik was. Mijn moeder antwoordde dat ik was omgekomen tijdens de oorlog en dat ze nooit meer wat van mij hadden gehoord. De geheime dienst wist haar toen haarfijn te vertellen dat dat niet klopte, en dat ik in Nederland was. Ze deden verder niets. Er zijn in totaal vier miljoen Irakezen gevlucht, dus ik ben maar een van de velen.»

Mowaffk Al-Sawad (Basra, 1971) is dichter, schrijver en schilder. In 1991 nam hij deel aan de opstand tegen Saddam Hoessein. Toen die mislukte, moest hij vluchten. Nu woont hij in een oer-Hollandse doorzonwoning, en heeft hij een Nederlandse vrouw en een kind. Zijn carrière in de kunsten verloopt voorspoedig. Voor twee van zijn gedichten kreeg hij de El Hizjra-literatuurprijs. Afgelopen juni publiceerde hij de dichtbundel Een middag wit als melk. Nu staat Stemmen onder de zon op stapel, een boek waarin hij de vertaalde brieven bundelde die hij en zijn broer elkaar per vlieger stuurden toen ze na de opstand gevangen zaten in een woestijnkamp.

Eigenlijk heeft Mowaffk Al-Sawad de Irakese samenleving nooit anders gekend dan in oorlog. Tijdens zijn jeugd was er de lange Eerste Golfoorlog tegen Iran, die het land uitputte. Hij vervulde zijn dienstplicht bij de genie en had het geluk niet aan oorlogshandelingen te hoeven deelnemen. Toen de Tweede Golfoorlog begon, na Saddams inval in Koeweit, studeerde hij in de zuidelijke stad Basra. De stad werd tijdens die oorlog zwaar gebombardeerd. «Telkens als in de publiciteit kwam dat er burgerdoelen werden geraakt, zeiden de Amerikanen dat dit per ongeluk was. Ondertussen konden wij als inwoners zien dat systematisch alle grote gebouwen werden gebombardeerd, zelfs het ziekenhuis. Dat gaf ons bepaald niet het gevoel dat de Amerikanen ons kwamen bevrijden», vertelt hij.

Het Amerikaanse leger maakte een zwaai om Basra heen, en trok rechtstreeks op naar de regeringszetel Bagdad. Totdat het leger op 45 kilometer van de stad opeens het bevel kreeg om halt te houden. Men had kennelijk besloten Saddam Hoessein te laten zitten, terwijl grote delen van de Irakese bevolking juist hoopten Saddams juk af te schudden.

«De opstand begon voor mij op donderdag 1 maart 1991. Opeens zag ik allemaal Amerikanen op de daken van de huizen in onze wijk zitten. Tenminste, dat dacht ik. Het bleken Irakezen te zijn die in opstand waren gekomen tegen Saddam en het hoofdbureau van de Baath-partij belegerden. Hun Amerikaanse uniformen waren afkomstig uit een grote legeropslag in Koeweit. Ik raakte enthousiast en dacht: als we van Saddam af willen, moeten we het zelf doen. Maar Saddam was jarenlang bondgenoot geweest van Amerika, en ook nu wilden ze hem niet afzetten.»

Al-Sawad vocht mee met de opstandelingen. Ze veroverden het bureau van de veiligheidsdienst. Maar Saddams Republikeinse Garde sloeg terug en wist de opstand te onderdrukken. Op een afstandje stond het Amerikaanse leger toe te kijken. Al-Sawad: «We smeekten de Amerikanen om wapens. Ze hoefden niet mee te vechten, maar wij hadden alleen machinegeweren en een paar granaatwerpers waarmee je weinig kon uitrichten tegen tanks. Desondanks vernietigden we er veel, maar van de Amerikanen kregen we niets. Ze wilden ons alleen zo snel mogelijk afvoeren, alsof ze wilden dat de opstand mislukte.»

Na vier weken bezweken de rebellen. De wijk waarin de familie van Al-Sawad woonde, werd omsingeld. Alle jonge mannen werden uit de huizen gehaald en op het marktplein doodgeschoten. Al-Sawad wist te ontsnappen, twee van zijn neven niet.

In een brief aan zijn broer Ali schrijft Mowaffk Al-Sawad over zijn ervaringen: «De strijd was afschuwelijk. Het leger verloor veel tanks en soldaten. Het was eenzaam, je vocht niet in een groep, maar ging op pad op een brommer of in een auto met alleen maar een paar RBG7 antitankraketten. Het leger was dit soort oorlog niet gewend. Ondanks al onze geestelijke overwinningen verloren we. Ons land was kapot. Ouders hadden hun kinderen verloren en hun huizen. Er was een hap uit ons leven genomen.»

Toch had Al-Sawad nog enig vertrouwen in de Amerikanen. Ze hielpen hem vluchten. Had hij niet net zoals zij tegen Saddam gevochten? Had de Amerikaanse president het Irakese volk niet zelf opgeroepen in opstand te komen? De Amerikaanse militairen die hij aansprak waren vriendelijk, hij had geen reden ze te wantrouwen. Met tientallen, honderden opstandelingen werden ze in trucks gehesen en richting Saoedi-Arabië gereden. Daar veranderde de behandeling echter. De Amerikanen sloten hen op in gevangenkampen. De in totaal 67.000 mensen werden verdeeld over twee kampen. Al-Sawad kwam in het kamp Artawiyah, dat was onderverdeeld in eenheden van slechts vierhonderd vierkante meter omgeven door prikkeldraad, waarin zeshonderd mensen gevangen zaten in tenten. Midden in de woestijn, met overdag brandende zon en ’s nachts vrieskou.

Om te overleven, vluchtte Al-Sawad opnieuw. Hij vluchtte in wat hij noemt het «koninkrijk van het woord». Hij schreef brieven aan zijn broer: «Ali, ik voel me teleurgesteld en verdrietig. Ik weet niet goed wat ik moet doen, ik ben hier alleen en ken niemand. Ik probeer te schrijven maar er is bijna geen papier en een pen heb ik niet. Toch zal ik je brieven blijven sturen totdat het zand mijn ogen heeft opgegeten. Ik voel dat de zware lucht mijn longen doorboort. Misschien sterf ik vandaag, misschien morgen.»

Al-Sawads gevangenschap zou vier jaar duren. Het was een beproeving: barre omstandigheden, verdeeldheid onder de gevangenen, gekmakende verveling en pesterijen van de bewakers. Na enige tijd werd die bewaking overgenomen door de Saoedi’s, de Amerikanen wilden naar huis. Al-Sawad: «Al die tijd was onze status volkomen onduidelijk. We waren geen krijgsgevangenen. Waren we dat maar geweest, dan hadden het Rode Kruis en de VN zich tenminste met ons bemoeid. Nu waren we totaal vergeten. De Saoedi’s leken van plan ons levenslang vast te houden. Ze maakten ons duidelijk dat ze dat gemakkelijk konden betalen. De Amerikanen waren de enigen die van ons bestaan wisten, maar ze waren niet van plan dat aan de wereld te vertellen.

Mijn broer zat in een blok van het kamp maar vijftig meter verderop, maar we konden elkaar niet zien. Daarom verzonnen we manieren om elkaar brieven te bezorgen. We bonden ze aan stenen of deden ze in komkommers die we naar elkaar probeerden te gooien. De beste truc was het maken van een vlieger. Daar bond ik de brief dan aan, en als de vlieger boven zijn kamp was liet ik los. De vlieger viel dan, en de brief kon gelezen worden.»

Al-Sawad was vast van plan zich niet gewonnen te geven. «De meeste gevangenen denken dat ze slachtoffers zijn, maar ze moeten die rol van zich afgooien. Ik heb een hekel aan dat woord, het is een ziek woord. Ik hoop dat ik het nooit meer zal horen, want het vermoordt onze moed», schreef hij aan zijn broer. Hij hield zich in leven door te lezen, minstens acht uur per dag. Uit de brieven blijkt ook hoe angstig het leven in het kamp was. Er werden gevangenen voor flessen whisky «verkocht» aan de Irakese geheime dienst. Opstanden werden hardhandig neergeslagen. Toen een bewaker een keer door een spraakverwarring dacht dat er een opstand werd beraamd, opende hij zonder pardon het vuur: zeventien doden. De gevangenen vlogen elkaar soms aan met messen en tentharingen. Al-Sawad schreef over zijn wanhoop: «Ik begin moe te worden, niemand kan er wat aan doen. Ik bekijk de anderen alsof ze gek zijn. We lijken inmiddels op leden van een primitieve stam, onze gezichten zijn rechthoekig geworden en iedereen is van de ellende vermagerd. Het is onbeschrijfelijk.»

Uiteindelijk dreef de wanhoop een deel van de gevangenen ertoe om in hongerstaking te gaan. Velen naaiden hun monden dicht uit protest. De Saoedi’s verbeterden de leefomstandigheden enigszins, maar de werkelijke doorbraak kwam toen een van de gevangenen wist te onsnappen met de trucks die de aanvoerlijnen onderhielden. Via BBC World Service maakte hij het verhaal wereldkundig.

Vanaf dat moment gingen de VN zich met de gevangenen bemoeien en werden dossiers opgesteld. Verschillende landen boden aan om vluchtelingen op te nemen.

Na het verlaten van het kamp wisselden Mowaffk Al-Sawad en zijn broer Ali de brieven uit, zodat ieder zijn eigen brieven weer had. Binnenkort verschijnt Stemmen onder de zon, waarin de brieven zijn gebundeld. «Ik heb niets aan de brieven veranderd, ik heb ze alleen vertaald», zegt Al-Sawad. «Dat was een moeizaam proces, want ik kwam weer helemaal in de belevenissen van die tijd terecht. Maar het kon niet anders. Soms kijk ik nu wel anders tegen de dingen aan, maar ik heb niets veranderd omdat ik niet wilde dat er iets aan oorspronkelijkheid van de brieven verloren zou gaan. Er zitten nog altijd 5800 mensen in het kamp waar ik heb gezeten, en niemand wil ze hebben. Al elf jaar leven ze daar in de verschrikkingen van de woestijn. Omdat ze in opstand kwamen tegen Saddam, na de oproep van Bush aan het Irakese volk. Mensen die zich hebben opgeofferd voor vrijheid, en die vaak het dapperst waren tijdens de hongerstaking. Dat maakt me kwaad. Ik kan niet anders, ik móet schrijven, want dat is voor mij de enige mogelijkheid te schreeuwen, en ieder gedicht is voor mij een heel harde schreeuw.»

Over de Amerikanen is hij sceptisch. «De Amerikanen bombarderen nog bijna dagelijks, al hoor je daar niets over in de westerse media. Mijn ouders zijn vaak tijden niet te bereiken omdat de communicatieverbindingen weer zijn weggebombardeerd. Als Saddam massavernietigingswapens had, waarom zou hij die dan niet allang hebben gebruikt? De Amerikanen hebben geen belang bij democratie in Irak. Het is hen om de olie te doen.

Werkelijke verandering zal uit het volk zelf moeten komen. Maar het Irakese volk heeft weinig kracht meer. De economie is totaal kapot. Mijn vader had een goede baan, maar hij is ermee gestopt omdat zijn maandloon inmiddels niet meer waard was dan een kilo aardappelen. Ik moet mijn ouders nu onderhouden. Niemand heeft nog enig vertrouwen in de Amerikanen; die willen niet dat Irak democratisch wordt.»

Al-Sawad en zijn broer arriveerden na vier jaar woestijn verdwaasd in het regenachtige Groningen. «Ik had vier jaar geen vrouw gezien, geen kind. Alles was me vreemd. Jaren had ik de kleding bewaard waarin ik was gevlucht, want daar zat de geur van mijn moeder nog in. Maar ook die kleding, het laatste dat me bond aan mijn jeugd, was nu weg.»

Na zijn aankomst in Nederland was het opnieuw het woord dat Al-Sawad redde. In zijn eerste dichtbundel verwerkte hij zijn ervaringen uit de woestijn. Een middag wit als melk werd goed ontvangen. Zijn gedichten ademen de woestijn, het leven, maar ook de alom aanwezige dood, in krachtige en bloemrijke Arabische metaforen.

Mowaffk Al-Sawad

Stemmen onder de zon

Uitg. Passage, 128 blz., € 13,35

Vingers.
In een moment van stilte
Heb ik mijn gezicht grondig afgepeld.
Ik heb het vrij gemaakt
Van het stof van de woestijn
En het aandachtig bekeken

Daarop belandde ik
Op een ander plekje van deze aarde
In een hoek die niet wordt verlicht.
In een ander stil moment
Heb ik mijn gezicht hersteld,
Vroegen mijn vingers vergeving

(Uit: Een middag wit als melk)