Carl Schmitt, de omstreden filosoof van het vijanddenken

‘Ieder mens is een strijder’

In een liberale democratie is voor vijandschap geen plaats. Maar wie geen vijanden kiest, kan ook geen politiek bedrijven, zo leert Carl Schmitt.

‘Het Westen zoekt altijd excuses om Rusland onder de duim te houden’, zei Vladimir Poetin tijdens zijn jaarrede in het Kremlin, begin december. ‘Dat gebeurt al eeuwen, iedere keer vrezen ze dat Rusland te sterk wordt.’ Volgens Poetin was het conflict in het oosten van Oekraïne het laatste bewijs dat het Westen Rusland wil destabiliseren zodat het niet te dominant wordt op het wereldtoneel. En het loopt verkeerd af met wie dat probeert, was de verkapte waarschuwing: ‘Hitler slaagde er niet in om Rusland te vernietigen met zijn misantropische ideeën. Iedereen moet zich herinneren hoe dat eindigde: onze legers vernietigden de nazi’s en bevrijdden Europa’, aldus de Russische president.

Deze retoriek, die de afgelopen tijd regelmatig vanuit het Kremlin te horen is, zorgt voor hoofdbrekens in het Westen. Hoe moet je reageren op dit soort onomwonden vijandige taal? Ga je vol in de tegenaanval, of kies je voor toenadering? De twijfel over het juiste antwoord op deze vraag is terug te zien in hoe Europa zich opstelt tegenover Rusland. Toen Poetin begin 2014 de Krim lospeuterde van Oekraïne en bij Rusland inlijfde, laveerden Europese politici tussen harde woorden en pogingen de dialoog met Rusland open te houden. Na het neerstorten van vlucht MH17 kondigde Europa economische sancties af, maar Rusland publiekelijk verantwoordelijk houden voor het lot van de 283 vliegtuigpassagiers, dat bleek net een stap te ver.

Medium carlschmitt2

Het lijkt alsof westerse democratieën niet goed weten hoe ze met een tegenstander moeten omgaan. Er wordt permanent getwijfeld of de hand moet worden uitgestoken of dat die gebruikt moet worden om mee te slaan. Een ander voorbeeld is de denkbeeldige ‘rode lijn’ die Barack Obama trok voor de voeten van Assad. Als de Syrische president chemische wapens zou gebruiken, dan zou dat consequenties hebben, kondigde Obama in de herfst van 2013 aan. Toen de berichten binnenkwamen dat het Syrische leger chloorgas inzette, bleef het aangekondigde antwoord van de Verenigde Staten uit.

Onze binnenlandse politiek wordt al langer getekend door een vertwijfelde omgang met politici die kiezen voor onversneden wij-zij-denken. Het begon met een onderuitgezakte pvda-voorman Ad Melkert die niet wist hoe hij Pim Fortuyn van repliek moest dienen. Toen Geert Wilders politiek succes oogstte werd eindeloos gedebatteerd over de vraag of de pvv moest worden opgenomen in onze poldercultuur of moest worden buitengesloten door middel van een cordon sanitaire. En bij iedere gepeperde uitspraak van Wilders is de discussie dezelfde: moet de rechter eraan te pas komen of moet de kwelgeest worden getemd met retoriek en debat?

De verwarring over hoe om te gaan met vijandschap voert het hele politieke spectrum mee. Zowel links als rechts verhardde zijn toon in het debat over immigratie en integratie. Voor rechts geldt bovendien dat Wilders dan weer een gedoogpartner is, dan weer een ‘vieze smaak in de mond’ bezorgt. Maar uiteindelijk geldt altijd het credo ‘we sluiten met niemand de samenwerking uit’. Dat laatste vat de politiek in Nederland goed samen: permanente tegenstanders bestaan niet. Als de wind anders waait kan een gezworen vijand ineens een goede vriend blijken. Op het internationale politieke toneel geldt hetzelfde. Er worden rode lijnen getrokken, resoluties aangenomen maar de deur blijft altijd op een kiertje staan om de dialoog te hervatten.

Dat liberale democratieën moeite hebben met vijanddenken heeft alles te maken met het intellectuele fundament dat eronder ligt. John Stuart Mill, Isaiah Berlin, John Rawls, de inspiratiebronnen voor onze politiek van vrijheid en gelijkwaardigheid, bieden op dit punt nauwelijks aanknopingspunten. In de liberaal-democratische traditie is conflict iets dat kan worden uitgebannen als iedereen precies weet waar zijn persoonlijke vrijheid ophoudt en die van de ander begint, en niemand uit pure armoede de wapens hoeft op te nemen. De conservatieve traditie is anders, maar bedient zich net zo goed van bezweringsformules. De vrije markt en de homogene cultuurgemeenschap zijn idealen die helpen voorkomen dat mensen elkaar in de haren vliegen.

Vergelijk dit met Poetin die de canon van conservatieve Russische denkers op zijn spreekwoordelijke nachtkastje heeft liggen. Daarin draait het vooral om de diepe cultuurkloof tussen het individualistische, kille Westen en de Euraziatische cultuur die stoelt op traditie en gemeenschapszin. Rondom het Kremlin cirkelt ook Alexander Doegin, de filosoof die als een soort eigentijdse Raspoetin de Russische macht influistert wie de vijand is: de westerse liberale consensus. Of neem Islamitische Staat, nog een vijand die ons in 2014 in de greep hield, die zich laat leiden door een radicale versie van de islam waarbij het Westen geldt als verderfelijke antithese van alles waar zij als zuivere moslims voor staan.

Permanente tegenstanders bestaan niet. Als de wind anders waait kan een vijand ineens een vriend blijken

De vraag is op welke denkers je kunt terugvallen in een wereld waarin uitgesproken vijandschappen steeds meer aanwezig zijn. Je zou bij Machiavelli kunnen aankloppen, die heersers adviseert vooral geen schroom te hebben vijanden te maken. Of bij Nietzsche, die meende dat het beste antwoord op een vijand was er nog een tegenstander bij te zoeken (al kwam hij ook tot de slotsom dat de grootse vijand altijd in jezelf huist). Maar eigenlijk is er maar één denker voor wie het vijandschap het uitgangpunt vormt van het denken over politiek: Carl Schmitt, de Duitse jurist en antiliberale intellectueel die meende dat alle politiek kon worden teruggebracht tot een helder onderscheid: dat tussen vriend en vijand.

Small carlschmitt1

Wie Schmitt (1888-1985) noemt begeeft zich op glad ijs. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het Hitler-regime, waarvan hij overtuigd steunbetuiger was. Hij werd lid van de nazipartij op 1 mei 1933, enkele maanden nadat Hitler de macht had gegrepen. Schmitt, afkomstig uit een katholieke familie uit Westfalen, was toen hoogleraar in de rechten aan de universiteit van Keulen. Het jaar daarvoor was zijn meest tot de verbeelding sprekende boek verschenen, waarin hij ‘het politieke’ tot zijn kern probeert terug te brengen: Der Begriff des Politischen, een werk dat door de schrijver (en mede-nazi-sympatisant) Ernst Jünger werd omschreven als ‘een landmijn die stilletjes explodeert’.

In Der Begriff des Politischen stelt Schmitt dat het vijandschap het politieke definieert. Zoals moraal gaat over de tegenstelling tussen goed en kwaad, en esthetiek over mooi of lelijk, zo gaat de politiek over kiezen wie je vrienden en wie je vijanden zijn. De vijand waar Schmitt over spreekt is een publieke vijand, de opponent die een politieke gemeenschap samenbindt in de strijd tegen de ander. Een vijand is volgens Schmitt daarmee een noodzakelijke bestaansvoorwaarde voor elke gemeenschap die zichzelf als een eenheid beschouwt, of dat nu een natie of een volk is. In een later werk vatte hij het kernachtig samen: ‘Vertel me wie uw vijanden zijn, en ik zeg u wie u bent.’

Beslissen over wie als publieke vijand wordt aangemerkt, gaat volgens een complexe schmittiaanse logica die later ‘decisionisme’ is gaan heten. Volgens Schmitt moet er in tijden van crisis een ‘soeverein’ opstaan, iemand die besluit wie, als het erop aankomt, vriend en wie vijand is. De macht van die soeverein is volgens Schmitt tijdelijk, maar onbeperkt in de zin dat er geen hogere autoriteit bestaat. De soeverein ontleent zijn beslissingsmacht nergens aan, niet aan God, niet aan het volk, niet aan de juiste moraal, maar puur aan het feit dat hij (of zij) vrienden en vijanden aanwijst. Volgens Schmitt paste zo’n tijdelijke dictator beter bij democratie dan de parlementaire consensus. Een soeverein kan per decreet de wil van het volk uitoefenen, terwijl een parlement hier eindeloos over moet soebatten (Schmitt, zo moge duidelijk zijn, koesterde een ideaal van een homogeen volk met één duidelijke wil, iets wat zijn denken op gespannen voet zet met de politieke realiteit, ook in zijn tijd).

Wie vijanden aanwijst, kiest daarmee automatisch ook voor de mogelijkheid van strijd, vindt Schmitt. Iemand tot vijand bestempelen zonder de bereidheid die te bevechten, met wapens als het moet, is onmogelijk. En dus ligt ‘de reële mogelijkheid van fysieke doding’ volgens hem altijd op de loer. Oorlog en politiek zijn in de ogen van Schmitt onlosmakelijk met elkaar verbonden. Niet omdat politiek per se tot oorlog leidt, maar omdat de vriend-vijand-tegenstelling alleen vol te houden is als die gepaard gaat met de principiële bereidheid te strijden ‘tot de dood’.

Schmitt bedacht dit allemaal in de context van Duitsland in het interbellum. De liberaal-democratische Weimarrepubliek, die volgde op de Duitse imperiale staat na het einde van de Eerste Wereldoorlog, was in de ogen van Schmitt hopeloos instabiel. De republiek zuchtte onder economische herstelbetalingen die ze volgens het Verdrag van Versailles moest betalen. Het democratische stelsel bood ruimte aan radicale partijen die in de ogen van Schmitt vijanden van de staat en haar grondwet waren. Het parlement, als open arena waar politieke belangen botsten, was in zijn ogen geen instituut dat radicalisme matigde, maar juist aanwakkerde. Schmitt vreesde dat extremisten via de democratische weg hun wil, als een tirannie van de meerderheid, aan de gehele natie zouden opleggen. Deze chaotische toestand, zo bepleitte hij publiekelijk, moest worden gestopt door de president die de noodtoestand zou afkondigen, de geldende rechtsorde tijdelijk zou opschorten en met hulp van het leger orde op zaken zou stellen door vriend en vijand van de staat aan te wijzen.

Voor Carl Schmitt begon de geschiedenis van de mens met Kaïn die Abel doodknuppelt

Onder Schmitt-kenners is altijd druk gedebatteerd hoe zijn afkeer van politiek extremisme zich vertaalde in steun voor de Duitse nationaal-socialisten. Volgens sommigen hoopte hij dat de nazidictatuur een tijdelijke overgang naar rustiger vaarwater zou zijn. Volgens anderen had Schmitt zo’n afkeer van het parlementair stelsel dat hij Hitler verkoos als minste uit twee kwaden. In een artikel in The New York Review of Books wijst Schmitt-expert Mark Lilla op nog een verklaring: een conservatieve katholiek als Schmitt geloofde diep in het jodendom als aartsvijand. Hier dient zich ook iets van een verklaring voor Schmitts obsessie met tegenstanders aan. Schmitt was geen christen van het Nieuwe Testament met de nadruk op vergeving en de andere wang toekeren, maar een oudtestamentische katholiek. Voor hem begon de geschiedenis van de mens met Kaïn die Abel doodknuppelt. Tussen dat moment en het laatste oordeel zit louter conflict. ‘Het hele menselijk bestaan bestaat uit strijd’, schrijft Schmitt in Der Begriff des Politischen ‘en ieder mens is een symbolische strijder.’

Hoe dan ook hadden de nazi’s een bondgenoot aan de Westfaalse rechtsgeleerde. Zijn doctrine van de sterke man die in tijden van nood de teugels in handen neemt, paste volledig in hun straatje. Schmitt kreeg een leerstoel in Berlijn en mocht de redactie voeren over een invloedrijk juridisch tijdschrift. Hij schreef pamfletten waarin hij het Führer-principe ophemelde en hij stak antisemitische redes af op partijcongressen. Het leverde hem de omschrijving ‘kroonjurist van het Derde Rijk’ op.

Als nationaal-socialistische intellectueel werd Schmitt na de oorlog aan verhoor onderworpen door de geallieerden. Die kregen van hem te horen dat hij van de ‘nazibacil had gedronken, maar niet besmet was geraakt’. Ook zei Schmitt dat hij zich superieur waande aan Hitler en hem zijn wil had willen opleggen. Hij bracht bijna twee jaar door in interneringskampen, zijn bibliotheek werd geconfisqueerd maar hij werd uiteindelijk niet veroordeeld. Daarna verhuisde hij naar Plettenberg, zijn geboortedorp onder Dortmund, waar hij bleef wonen tot aan zijn dood op 95-jarige leeftijd. Schmitt bleef schrijven maar zou als ex-nazi nooit meer een post aan de universiteit bekleden. ‘San Casciano’ noemde hij zijn woning, met een knipoog naar het dorp waar Machiavelli zich terugtrok nadat hij uit Florence was verbannen.

Na een korte periode in de obscuriteit waarin Schmitt vooral dagboeken schreef en zich beklaagde over zijn lot werd zijn werk herontdekt in de jaren zestig, opvallend genoeg door linkse intellectuelen. Dat kwam deels doordat de conservatieve Schmitt en de kritische beweging van die tijd de overtuiging deelden dat álles uiteindelijk politiek was. Iets ‘niet-politiek noemen is altijd een politieke beslissing’, had Schmitt geschreven in Politische Theologie, zijn werk uit 1922 dat in 1970 opnieuw werd uitgegeven. Bij een generatie die het persoonlijke tot politiek bestempelde gingen dat soort frasen erin als koek. Maar de belangrijkste reden voor links om Schmitt te lezen (en op te zoeken: denkers van allerlei gezindten namen de trein naar Plettenberg) was omdat zij in hem een denker zagen die zijn pijlen richtte op hetzelfde doel als zijzelf deden: de liberale democratie.

Voor veel linkse intellectuelen in de jaren zestig en zeventig gold de liberale ideologie als zoethoudertje dat de aandacht voor de bestaande tegenstellingen (tussen sociale klassen, tussen rijke en arme landen) deed verslappen. Kritisch bewustzijn werd afgekocht met materiële consumptie, vermaak en de belofte van politieke participatie. In werkelijkheid, zo vonden denkers als Herbert Marcuse, diende dit systeem vooral de belangen van een gevestigde orde. De liberale staat was zogenaamd neutraal maar diende in werkelijkheid de belangen van een elite en hield minderheden onder de duim, of dat nu zwarten, vrouwen, homo’s of ‘de verworpenen der aarde’ in voormalige koloniën waren. Ook Schmitt hield zich bezig met het ontmaskeren van het liberalisme als een hypocriete ideologie, maar dan zonder de ballast van het marxisme.

Uit het werk van Schmitt spreekt diepe minachting voor het democratisch stelsel dat gebaseerd is op parlementen, procedures en basisrechten vastgelegd in de wet. Voor een conservatief die geloofde dat politiek draait om vijanden aanwijzen en de bereidheid om jouw gemeenschap desnoods met geweld te verdedigen was dit allemaal veel te naïef, slap en formeel. Schmitt had een hekel aan Parlamentarismus, het woord dat hij koos om de heersende doctrine van de Weimar-tijd te omschrijven: het geloof dat politieke conflicten kunnen worden beslecht door eindeloos te delibereren.

De neiging tot conflictvermijding bespeurde Schmitt vooral bij liberalen. Spottend omschreef hij de liberaal als iemand die als hem gevraagd wordt ‘Christus of Barabas?’ een commissie in het leven roept om de zaak grondig te onderzoeken. Het liberalisme, zo meende Schmitt, probeerde vijandschap te neutraliseren door niet te spreken over ‘vijanden’, maar over concurrenten (in de economie) of over intellectuele tegenstrevers (in het politiek debat). Schmitt kwam tot de slotsom dat hij leefde in een ‘tijdperk van neutralisatie en depolitisering’ en dat zoiets uiterst kwalijk was. Hij was er ten diepste van overtuigd dat politieke vragen niet konden worden opgelost door te verwijzen naar een zogenaamd neutrale arbiter als ‘de markt’ of ‘de moraal’, maar dat er altijd een menselijke beslissing moest worden genomen.

Wie een pistool meeneemt naar een kussengevecht komt meestal als winnaar uit de strijd

Schmitts afwijzing van liberale democratie en zijn antisemitisme liggen in elkaars verlengde, zoals in zijn verwrongen logica de jood en de liberaal één en dezelfde figuur waren. De seculiere staat die blind is voor iemands privé-opvattingen was in de ogen van Schmitt een uitvinding van een joodse denktraditie die begon met Spinoza. Hij omarmde de complottheorieën over een economie en intellectuele sfeer die werden gedomineerd door joden. Dit verklaart volgens Mark Lilla ook waarom Schmitt zich nooit rouwig heeft getoond om zijn sympathie voor het fascisme. ‘Zijn romantisering van katholieke instituties, zijn lof voor Mussolini, zijn pogingen om democratische legitimiteit te redden van legalisme van de Weimarrepubliek, zijn werk voor Hitler, het geeft een bereidheid weer om alles aan te moedigen dat de strijd kon aangaan met het seculiere, liberale tijdsgewricht’, schrijft Lilla.

Zijn duistere kant heeft ook recent niet in de weg gestaan van hernieuwde interesse in Schmitt. De afgelopen decennia zijn steeds meer van zijn werken vertaald en werden er verschillende biografieën van Schmitt geschreven. Deze Schmitt-revival begon in de jaren negentig toen er volop werd gediscussieerd over ‘het einde van de geschiedenis’ in de vorm van de permanente overwinning van de liberale democratie, zoals Francis Fukuyama het beschreef. Fukuyama’s visie sloot aan bij het optimisme van die tijd dat democratie en de bijbehorende vrije markt inderdaad een universele aantrekkingskracht hadden. Een denker als Schmitt bood hier tegenwicht aan. Schmitt geloofde dat liberalisme een fase in de geschiedenis was, en niet een eindpunt. Ook de liberale orde is instabiel in zijn ogen en dan vooral omdat dit systeem zichzelf in de staart bijt. Politiek wordt in dit systeem vervangen door procedure. Zo wordt ook de vriend-vijand-tegenstelling ontkend waarmee de bereidheid verdwijnt dit systeem te verdedigen tegen anderen die wél in vijanden geloven.

De afgelopen halve eeuw bracht het tegendeel van waar Schmitt voor pleitte. Het willen onderdrukken van wispelturige politiek is een van de leidende motieven van de naoorlogse orde. De Europese Unie, de Verenigde Naties, instanties als het imf en de Wereldbank, allemaal moeten ze de nationale politiek langs vooraf aangewezen paden leiden. En ondanks alle pogingen het politieke karakter van de Europese Unie te versterken, blijft de EU een technocratisch instituut dat boven de nationale politiek zweeft. Iedere politicus die zijn beslissingen verdedigt met de woorden ‘omdat het moet van Brussel’ doet waar Schmitt zo’n grondige hekel aan had: het verplaatsen van politiek naar een sfeer waarin meningen en argumenten verdwijnen en enkel nog anonieme regels gelden. Het optuigen van gremia als een Internationaal Strafhof waarin niet de politieke voorkeuren van een kleine groep mensen gelden, maar rechten die stoelen op een ethiek die we als ‘universeel’ bestempelen (maar door veel landen, Amerika incluis, niet als dusdanig wordt erkend) is nog een voorbeeld.

De vorige decennia is daar nog een neutrale zone bij gekomen: die van het internet. De belangrijkste spelers in de digitale wereld delen de overtuiging dat de politiek zich niet te veel moet bemoeien met wat er op het internet gebeurt. Google wil zijn diensten kunnen aanbieden aan klanten, zonder politieke inmenging. Zijn er plannen voor regulering, dan dreigt het bedrijf de site op zwart te gooien, zoals laatst, toen Spanje besloot dat Google voortaan moet betalen als het nieuwsberichten van andere media doorplaatst. Ook peer-to-peer taxidienst Uber wil de politiek het liefst omzeilen. Als de taxibranche boos wordt, zeggen zij slechts een online matchmaker te zijn die vraag en aanbod bij elkaar brengt.

Deze ontwikkeling werd overigens door Schmitt voorspeld. Waar de negentiende eeuw volgens hem de eeuw was waarin ‘economie’ als ordenend principe gold, zou de twintigste eeuw de eeuw worden waarin technologie het alternatief zou worden voor politiek. Je zou kunnen zeggen dat hij zowel gelijk als ongelijk had. De invloed van ‘de technologie’ en van ‘de economie’ zijn allebei anonieme krachten waarop graag een beroep wordt gedaan in het openbare debat.

En met het indammen van de politiek, gebaseerd op overtuigingen die het, om het met Schmitt te zeggen, waard zijn om tot de dood aan toe te verdedigen, lijkt ook het vijanddenken te zijn verdwenen. Op de markt bestaan immers enkel concurrenten, op het internet alleen maar peers, en in de rechtbank alleen maar opponenten. Allemaal zijn het pogingen om van vijanden iets anders te maken, in de optiek van Schmitt. Dit verklaart wellicht het ongemak en de verwarring als iemand zich ineens wel van vijandige retoriek bedient, of die zich nu binnen de eigen politieke gemeenschap of aan de grenzen van Europa bevindt. Het is de boodschap die het werk van Schmitt bevat: wie de vijandschap ontkent, staat machteloos als zich een echt conflict aandient.

Schmitts boodschap dat politieke besluiten en vijandschap zich niet eenzijdig laten wegwensen is, kortom, onverminderd relevant. Een kwart eeuw na de val van de Muur staat de liberale democratie met haar blinde vlek voor vijanddenken onder druk. Buiten Europa blijkt na het einde van de geschiedenis een nieuwe ronde te zijn begonnen met autoritaire democratieën in Rusland en China, allebei landen die geen schroom hebben om onderscheid te maken wie vriend en wie vijand is. Binnen Europa is het evenmin rustig. In Frankrijk is het een reële mogelijkheid dat Marine Le Pen en haar Front National straks het land besturen. In Nederland zijn we inmiddels gewend aan een partij die van uitsluiting haar huisstijl heeft gemaakt. Als het erop aankomt kiezen grote delen van de mensheid, ook binnen democratieën, niet voor dialoog en procedure maar voor botsing met de ander. En wie een pistool meeneemt naar een kussengevecht, komt meestal als winnaar uit de strijd. Alleen al daarom is het goed om een vijand van het liberalisme als Carl Schmitt serieus te nemen.


Beeld: (1) Carl Schmitt, 1888-1985, Duits politiek filosoof en rechtsgeleerde. Datum onbekend (Spaarnestad / HH); (2) Instagram foto van Vladimir Poetin (Thomas Dworzak / Magnum / HH).