Interview met Edna O’Brien

‘Ieder nieuw boek moet je afschrapen’

Edna O’Brien (76) is een van de grand old ladies van de Ierse literatuur. In haar nieuwste boek Avondlicht daalt ze af naar de oorsprong en graaft ze zich het verleden in.

De afgelopen weken werd er onverwacht in de media weer gevochten over de verschillen in beoordeling van schrijvers en schrijfsters. De eerste aanleiding tot deze heropleving van het seksismedebat vormde een toespraak van de Britse Orange Prize-juryvoorzitter Muriel Gray. Zij verzuchtte bij de uitreiking van de voor vrouwen bestemde literaire prijs dat te veel schrijfsters te weinig ambitie toonden met hun direct autobiografisch geneuzel over vriendjes en gezin. Haar klacht vond in Nederland weerklank – onder meer bij Libris-juryvoorzitter Cox Habbema – en sudderde zo nog door tot het bezoek afgelopen week van drie belangrijke schrijfsters uit het Engelse taalgebied: Edna O’Brien, Rachel Cusk en Esther Freud. Op de door De Bezige Bij georganiseerde avond in de romantische bovenzaal van Felix Meritis kwam het niet echt meer goed na de ongelukkige, eerste vraag van gespreksleidster Kristien Hemmerechts. ‘Waarom schrijven jullie toch zo veel over moederschap en relaties, en nooit over politiek en 11 september’, vroeg de Vlaamse schrijfster. Pardon?

De volgende dag wil Edna O’Brien tijdens het interview in haar hotel in Amsterdam het er liever niet meer over hebben: ‘Ja, ik raakte wat ongeduldig gisteren, maar ach, dat was gisteren.’ Pas als ik de woorden van Muriel Gray er toch nog maar even bij haal, wil ze nog wel wat over de kwestie kwijt. O’Brien buigt zich voorover en laat haar toch al indrukwekkend diepe stem nog wat dieper zakken. ‘Die verwijten maken me furieus. Alsof Medea niet over moederschap en liefde gaat’, zegt ze. ‘Of Othello of End-Game. Alsof schrijvers als Philip Roth niet voortdurend uit eigen leven putten. Het onderwerp doet er niet toe in de literatuur. Al schrijf je een roman over een vrouw met een bolletje wol in een kamer! Het gaat niet om het thema, maar om de diepte van de bron waaruit je put, de wijsheid in de weergave. Ambitie schuilt voor mij in de taal, in haar macht, emotionele waarheid en muzikaliteit. Ik zou ook nooit een grote kwestie oppakken louter om met een mode mee te gaan, en me aan te sluiten in de rijen van die mensen die zichzelf zo belangrijk vinden.’

Het zal niet de eerste keer zijn dat de 76-jarige Edna O’Brien, in een carrière van bijna vijftig jaar, op vooroordelen stuit, maar ze is er niet minder gloedvol om. De roodharige Ierse, ooit een vrijdenkende ‘dolly girl’ en een van de beroemde gezichten in Londens ‘swinging sixties’, is veertig jaar later veranderd in een elegant geklede ‘grand old lady’. Ook deze statiger rol speelt ze met veel overtuigingskracht. O’Briens stem is laag en melodieus, soms fluistert ze samenzweerderig. Haar spreekstijl blijkt even lyrisch en emotioneel als haar schrijfstijl. Als ze met haar lichte accent wat gedragen spreekt over ‘deeper sources’ en ‘musicality’ doemt zo het Ierse landschap uit haar romans op: het woud, de heuvels, het klooster, de afgelegen huizen.

De suggestie dat O’Briens boeken niet politiek zouden zijn, is overigens onjuist. Diverse malen daalde de schrijfster in haar romans af naar de onderbuik van de Ierse samenleving. Dat leidde evenzoveel keer tot hevige oproer in het ‘moederland’. Sinds haar uit Ierland gebannen debuut The Country Girls (1960) schrijft O’Brien vrijelijk over seks, overspel, abortus, misdaad, de katholieke kerk en uiteindelijk ook over het meest heikele Ierse thema van al, ‘the troubles’.

Wie nu de The Country Girls-_trilogie leest, zal zeker over de onverbloemde seks van toen heen lezen, maar destijds was alleen al de suggestie van een vrouwelijk seksueel verlangen genoeg om de katholieke achterban in de gordijnen te jagen. Het maakte van Edna O’Brien ‘de eerste Ierse vrouw die seks had’, zoals collega Ann Enright onlangs ironisch noteerde in _The Guardian. De schrijfster had haar familie en vaderland toen The Country Girls verscheen overigens al lang verlaten. Als jong meisje trok ze eerst naar Dublin en vervolgens naar Londen, waar ze in 1951 trouwde met de veel oudere Tsjechische schrijver Ernest Gebler. Ze kreeg twee zoons en scheidde, maar is altijd in Londen blijven wonen.

Oproer volgde later ook nog na het melancholieke en mysterieuze The House of Splendid Isolation (1994), waarin een ira-terrorist zich verbergt in het huis van een eenzame, oudere vrouw. En op het daarop volgende Down by the River (1996), waarin ze een geruchtmakende Ierse abortusaffaire tot onderwerp maakte. Een meisje dat zoals zoveel Ierse meisjes naar Engeland gaat om daar een abortus te ondergaan, werd door de rechter geboden naar Ierland terug te keren. Grote demonstraties van ‘pro-life’- en _‘pro-choice’-_aanhangers waren het gevolg.

Nog het hoogst liepen de emoties in Ierland echter op bij O’Briens voorlaatste boek. Met onderkoelde spanning beschrijft ze in het op een beruchte moordzaak gebaseerde In the Forest (2002) de treurige jeugd van de in tuchthuizen en de ‘naar heiligen genoemde’ inrichtingen opgroeiende jonge moordenaar. Ze belicht ook het perspectief van de slachtoffers (een moeder, haar zoontje en een priester) en dat van de omstanders. Het boek speelt zich af in Clare County in West-Ierland, waar O’Brien opgroeide. Net als House in Splendid Isolation is ook In the Forest doortrokken van dat mistige, desolate landschap, des te onherbergzamer door de benepenheid en bekrompenheid van de dorpelingen, die zich vol angst afkeren van iedereen die afwijkt.

Exploitatie, noemden de Ierse critici het. ‘Die aanval die ik te verduren kreeg bij In the Forest was echt onder de gordel’, zegt Edna O’Brien nu: ‘Ik had drie jaar hard gewerkt aan dat boek en men schreef erover alsof ik er alleen miljoenen ponden mee wilde incasseren. Het waren vooral jonge journalisten die zo vernietigend reageerden. Ze vonden allereerst dat je niet over zo’n gruwelijke zaak mocht schrijven, en vervolgens dat als er dan toch over geschreven werd, dat dan een man dat moest doen. Zelf zie ik die felle protesten steeds nog het meest als een bewijs van onzekerheid. Je mag in Ierland niet schrijven over incest of een moord in het woud. Je mag de vuile was niet buiten hangen. Ik ben het daar helemaal niet mee eens. Ik vind dat de schrijver zich niet af moet keren van het wrede in een samenleving.’

Ook het bijkomende verwijt dat de al zo lang geleden vertrokken O’Brien het Ierland van nu niet meer kent, wijst de schrijfster van de hand: ‘Ten eerste ga ik steeds weer terug naar Ierland en ken ik het land nog steeds goed. Bovendien heeft die blik van de uitgestotene mijn schrijverschap en het inzicht in mijn moederland ook alleen maar goed gedaan. Iedere schrijver is van nature een balling, onafhankelijk van waar hij woont. Schrijven is als een innerlijke ballingschap. Je moet je losmaken van je omgeving, steeds observeren, steeds opletten, afdalen in de ruimte van het onbewuste. Dat is wat ik in mijn romans ook doe. Ik probeer in mijn boeken af te dalen in het oer-Ierland, het land waar ik vandaan kom, mijn oorsprong. Een Ierland dat nog steeds bestaat, al is de Ierse samenleving de laatste jaren opener geworden, en roemt iedereen nu de Keltische tijger en haar voorspoed. In mijn boeken wil ik beide recht doen: het primitieve Ierland en het moderne Ierland.’

Misschien dat het ook die vrijwillige ballingschap is die O’Briens taal in de loop der jaren steeds muzikaler en lyrischer heeft gemaakt en haar verhaalopbouw steeds associatiever en meer modernistisch, haar literaire voorbeeld James Joyce indachtig. Het schrijven is er met die verandering in stijl niet gemakkelijker op geworden, beaamt ze. Het meer traditionele The Country Girls stond destijds in drie weken op papier, terwijl tegenwoordig iedere nieuwe roman een proces van jaren is. De tekst komt van ‘way, way back’. ‘Ieder nieuw boek moet je afschrapen’, zegt O’Brien: ‘Schrijven is als verf afkrabben van een deur: je moet blijven krabben om tot het kale hout te komen.’

Maar ‘way, way back’ is haar ook al die jaren bezig blijven houden. Afdalen naar de oorsprong doet O’Brien ook in haar nieuwste boek The Light of the Evening. Zeer letterlijk zelfs, deze keer. Het op weemoed deinende, lyrische Avondlicht is een ode aan haar moeder, de diep gelovige vrouw die het schrijverschap van haar dochter verketterde, maar die haar ook niet los kon laten. O’Brien weeft heden en verleden, feit en fictie, door elkaar in deze roman. Ze kruipt in de huid van de moeder, Dilly, die 78 jaar oud is en wacht op een operatie die haar eierstokkanker moet bestrijden. De schrijfster kruipt ook in de huid van de dochter, Eleanora, die al lang geleden uit Ierland is weggevlucht en nu een gevierd schrijfster is.

Avondlicht bevestigt zoveel jaar na The Country Girls het belangrijkste thema van O’Briens generatie. Dat was een generatie van dochters die zich van de controlerende blikken van hun niet-feministische moeders moesten bevrijden. Nu ze de leeftijd heeft bereikt waarop haar moeder stierf, lijkt O’Brien die benauwende, katholieke moeder alsnog recht te willen doen. Waar haar portret van de rusteloze dochter Eleanora soms streng is, is dat van de stervende moeder Dilly liefdevol en mild.

‘Het klinkt over-freudiaans, maar ik heb een hysterectomie ondergaan tijdens het schrijven aan deze roman, mijn binnenste is er letterlijk uitgelicht’, lacht O’Brien. Het boek is autobiografisch, maar ook verbeelding: ‘Ik wilde over mijn moeder schrijven maar dan wel gebruikmakend van het veel grotere bereik van fictie, van die vrijheid en wildheid.’

In Avondlicht spiegelt Edna O’Brien haar eigen vrijheidsdrang aan haar moeders vergeefse pogingen om als jong meisje een onafhankelijk bestaan op te bouwen in ‘the land of bluf and blighted dreams’ Amerika. Voor research over de jaren die haar moeder in Brooklyn doorbracht, wandelde de schrijfster wekenlang in New York de straten op en neer, vertelt ze. Ze ploegde er in archieven en bibliotheken. Ze wilde dat haar beschrijving van het immigrantenbestaan in New York in de vroeg-twintigste eeuw accuraat was, al ontsproot het aan haar verbeelding en heeft ze met haar moeder nooit over haar jaren daar gesproken. De hunkerende brieven die de moeder later uit Ierland aan haar schrijvende dochter in Londen stuurt zijn wel authentiek. Ze zijn geschreven door O’Briens moeder, die ironisch genoeg haar dochter het schrijftalent meegaf dat ze zelf zo haatte.

Het fatale, eerste huwelijk met haar veel oudere echtgenoot beschreef O’Brien al eerder, in het derde deel van de Country Girls-_trilogie, _Girls in Their Married Bliss. In Avondlicht is dat huwelijk er niet mooier op geworden, maar de toon is wel heel anders: minder ironisch en moralistisch, meer van binnenuit beschreven en toch ook abstracter vormgegeven. ‘Een autopsie van een huwelijk’, noemt O’Brien zelf deze twaalf scènes in haar roman. ‘Toen ik Girls in Their Married Bliss schreef, was ik nog geen dertig en leefde ik nog in wat ik beschreef. Nu zijn er vele jaren van reflectie op gevolgd en ben ik veel beter in staat de wreedheid direct te verwoorden.’

Wie Avondlicht leest, botst op de onmogelijkheid van harmonie. De moeder en dochter schijnen simpelweg niet in staat in dezelfde tijd en ruimte te leven. Ze geven ieder hun geheimen prijs, maar niet direct in een gesprek. Je blijft wachten op de bevrijdende ontmoeting, maar als de dochter eindelijk aan haar moeders bed belandt, weet ze niet hoe snel ze weer weg moet rennen. En toch is Avondlicht geen al te pessimistisch of treurig boek. De liefde is er, er is alleen geen oplossing.

‘Tragisch’ wil de schrijfster de moeder-dochterrelatie ook niet noemen: ‘Dat is een te zwaar woord, denk ik. Ik denk dat “unresolved” een beter woord is. Wat ik in dit boek wilde weergeven is de diepte van het gevoel dat moeder en dochter hebben voor elkaar, wat ze ook koesteren in hun van elkaar gescheiden, geheime levens, maar wat onuitgesproken blijft. Dat is denk ik niet alleen waar in dit verhaal, maar ook waar in de ervaring van mensen. Als ik ze in de epiloog toch samenbreng in een moment van intimiteit uit het verleden, is dat een artistieke samenkomst, geen menselijke ontmoeting. Dat heb ik welbewust zo gedaan. Die harmonie ís ook schijn. Waarom denk je dat in de meeste families zo’n weerzin tegen Kerstmis bestaat. In familierelaties bestaan er zoveel kleine bergen die niet beklommen worden. Iedereen vreest het moment waarop je langdurig met elkaar in een ruimte moet verkeren vanwege alles wat daaronder ligt. Het mooie aan de literatuur is dat je dat kunt weergeven en de oplossing kunt laten zitten. In de kunst bestaan geen winnaars en verliezers. Als de taal voldoende kracht heeft en het verhaal macht uitoefent, dan is dat genoeg om de lezer erbij te houden. Ik heb ook geen zin in keurig rondgebreide verhalen. Zo functioneert het leven niet en zo functioneert ook de literatuur niet.’

Edna O’Brien, Avondlicht_, Uit het Engels_ (In the Light of the Evening) vertaald door Marian Lameris, De Bezige Bij, 365 blz., € 19,90