Ieder z’n hobby

Zal ik jou eens even lekker in je bek schijten? Misschien moet je het in zijn context horen om er de humor van in te zien, maar ik word instant vrolijk als ik dit zinnetje hoor, afkomstig uit het nummer Poep in je hoofd van de Raggende Manne. Ik moet ook altijd meteen aan Leon de Winter denken. Jaren geleden was hij te gast in een boekenprogramma op de zondagmiddag dat door Hanneke Groenteman werd gepresenteerd. Hij wond zich mateloos op over een eerdere uitzending, waarin Helga Ruebsamen het had bestaan om collega-gast Joost Zwagerman de oren te wassen. ‘Misschien moet je eens wat langer over een boek doen’, had Ruebsamen tegen Zwagerman gezegd, toen hij zich kennelijk had beklaagd over iets. Groenteman had er minzaam bij zitten knikken. De Winter kon er een week of wat later nog niet over uit. ‘Zitten jullie daar een beetje in het openbaar op het hoofd van Joost Zwagerman te kakken.’
Ik weet niet wat het is, maar bij echte, primaire agressie moet blijkbaar toch worden teruggegrepen naar de afdeling fecaliën en aanverwanten. Bij dezelfde uitgeverij als waar hij nu eindelijk de gage ontvangt die hem toekomt, priemde Bart Chabot nog niet zo lang geleden zijn geslachtsdeel door de goudkleurige brievenbus om de hal eens flink onder te zeiken. Ooit waren ze bij De Bezige Bij kennelijk nog niet helemaal overtuigd van Chabots genialiteit, en hadden ze zowel zijn plan voor de biografie van Herman Brood als een dichtbundel afgewezen. ‘Het was een vrijdagavond’, meldt de dichter/Brood-biograaf trots in een boekje óver hem dat zijn vorige uitgever nog zo goeiig was om te publiceren. ‘Dus ik wist dat mijn plas twee dagen de tijd had om te rijpen.’
In woede ontstoken over een slechte recensie nam de Engelse schrijfster Jeanette Winterson plaats in het zijspan van de motor van haar vriendin, om naar het huis van de betreffende recensent te scheuren en hem aldaar een doos poep te bezorgen. Sindsdien bereikt mij op gezette tijden het telefoontje van een trouwe vriend. ‘Staat het zijspan klaar?’ Grappig genoeg een vraag met onmiddellijk deëscalerend effect: het is of de doos poep al te bestemder plaatse is gearriveerd.
Poep en pis, ze gaan een leven lang mee. Sterker nog: de openbare toiletruimte is er voor schrijvers met de komst van internet alleen maar groter op geworden.
Ik heb het niet over weblogs, die lees ik niet, en niet over schrijverssites, die bekijk ik niet, maar over de uitdijende recensiepraktijken op het internet waar het dilettantisme triomfeert. Wil je er zelf geen kennis van nemen, dan is daar altijd nog je uitgever die je een handige link doorstuurt waarmee je met één enkele klik in een schaduwwereld terechtkomt. Een wereld waarin de varkens op twee poten zijn gaan lopen, zal ik maar zeggen.
Recensies op het web, ik kan er slecht aan wennen. Je weet niet met wie je te maken hebt, welke achtergrond iemand heeft; nooit zet een naam, laat staan autoriteit, zich vast in je geheugen. Het is alsof je wordt aangegrijnsd door een groot monster zonder gezicht, zonder context, maar met een enorme actieradius. Een onverslaanbaar monster dat tot in lengten van dagen op blijft ploppen bij iedere willekeurige zoekactie op het internet. Iedereen zijn hobby en er zijn ergere dingen te bedenken dan dat meneer Huppeldepup uit Haarlem in zijn spaarzame vrije tijd ook eens een boek leest, maar waarom de hele wereld dan via een recensieweb te weten moet komen wat hij er in al zijn wijsheid en met geheel zijn gezonde verstand van vindt? En leuk dat Dingetje Dee uit Rotterdam er ook een mening op nahoudt, maar wie is zij en wat maakt haar gedachtespinseltjes zo boeiend? Zitten daar in het openbaar een beetje op mijn hoofd te defeceren!
Dat het vaak van die korte nietszeggende stukjes zijn op die recensiewebben, soit. Dat ze abominabel geschreven zijn, ook soit. Dat ze kant noch wal raken, nog maar een keer soit. Dat ze niet allemaal juichend zijn over mijn boek, nou ja vooruit. Het ergste is dat je niet eens weet waar je met zijspan en gebaksdoos naartoe moet crossen. Maar het allerergste is natuurlijk dat je niet eens je weet-ik-wat ermee kunt afvegen.