De Nieuwe Industriële Revolutie: Zelf spullen maken

Ieder zijn eigen fabriek

Vergeet China; het zijn de westerse landen die op de drempel staan van een nieuwe industriële revolutie. Moe van financiële hocus-pocus herontdekken politici, economen en burgers het belang van zelf spullen maken.

Medium 09 12 3e ind rev ill

Dirk-Jan Kortschot heeft alles te danken aan de financiële crisis. Aan de Rabobank die hem in 2009 ontsloeg, om preciezer te zijn. De reorganisatie, waarbij hij na elf jaar trouwe dienst zijn baan verloor, noemt hij achteraf zijn ‘grootste geluk’. Op het moment zelf dacht hij daar uiteraard anders over. ‘Ik was bijna veertig, zat zonder werk, mijn relatie was verbroken en het huis verkocht. Wat moest ik doen?’ Het antwoord was snel gevonden: zijn droom najagen. Kortschot, opgeleid tot kunstenaar, pakte de creatieve draad op. Hij ging hoeden maken.

Nu, een paar jaar later, drijft hij een goed lopende zaak in een voormalige vishandel in het Arnhemse Klarendal. Een deel van de voormalige Vogelaarwijk is opgewaardeerd tot ‘modekwartier’. De belwinkels hebben gezelschap gekregen van ateliers, boetiekjes en hippe horeca. Een paar straten verderop, langs het spoor, is een design-hotel verrezen. Zelfs de erotische videotheek The Mill bij de negentiende-eeuwse korenmolen, de blikvanger van Klarendal, moet binnenkort wijken voor kunstenaars.

Binnen in de winkel toont Kortschot zijn werk, terwijl hond Jules het bezoek probeert te verleiden om met zijn witte deken te spelen. Tegen een wand met houten systeemplaten hangen hoeden en petten in alle soorten en maten. Handwerk, stuk voor stuk, van het papieren ontwerp tot het stoffen eindresultaat. Hij wijst naar een zwart-rood hoofddeksel, aan een kapstokje rechtsboven aan de muur. ‘Die was laatst te zien bij RTL Boulevard. Hij werd gedragen op Prinsjesdag. Zo’n hoed kost vijfhonderd euro, maar daar heb ik ondertussen wel anderhalve week werk aan gehad.’

Je zou het niet zeggen, maar Dirk-Jan Kortschot behoort tot de pioniers van een beweging die zijn weerga niet kent. Lokale ambachts­lieden als de Arnhemse hoedenmaker, met hun op maat gesneden kwaliteitsproducten, lijken nu nog een nichesector. Maar stiekem kunnen zij wel eens de avant-garde vormen van wat sommige kenners al tot een ‘nieuwe industriële revolutie’ hebben uitgeroepen. Die historische kentering zal voor de meeste mensen volslagen onverwacht komen. Zelfs voor wie er op let, zijn de aanwijzingen pas sinds kort zichtbaar.

Nog in de eerste tien jaar van deze eeuw liep het aantal banen in de Amerikaanse industrie met maar liefst een derde terug. In de meeste West-Europese landen was het niet anders. Spullen maken, dat konden we maar beter overlaten aan de Chinezen. De toekomst van het Westen lag in de dienstverlening, maar bovenal bij dat wonderbaarlijke gouden kalf: financiële innovatie. In zijn veelbesproken lofzang op De ambachtsman: De mens als maker uit 2008 constateerde socioloog Richard Sennett hoofdschuddend dat hij het tij niet mee had. Een van de problemen van de moderne economie was volgens hem dat ‘hoofd en hand niet alleen intellectueel maar ook sociaal gezien gescheiden zijn’.

Vier jaar later is zo’n uitspraak niet langer vanzelfsprekend. ‘Maken’ is in, constateert Hans Schenk, hoogleraar economie aan de Universiteit Utrecht. De oorzaak van wat hij een ‘revival’ noemt, zoekt Schenk bij de financiële crisis van 2008. ‘Nederland heeft de afgelopen decennia haar kaarten op de financiële dienstverlening gezet. Met alle gevolgen van dien. De veelgeroemde innovaties in de financiële sector bleken neer te komen op pure speculatie. Door sommigen werd wel gewaarschuwd tegen deze prutinnovaties, maar zij waren roependen in de woestijn.’ Sindsdien ontdekt de ene na de andere politicus dat je voor échte innovatie bij de maakindustrie moet zijn. ‘Zelfs een van de weinige zinvolle financiële innovaties, de flappentap, komt eigenlijk uit de bus van de maakindustrie’, grapt Schenk.

Jaren geleden deed hij al onderzoek naar industriepolitiek in Nederland. Daar wilde toen niemand van horen. Hoe anders is dat anno 2012. Partijen van links tot rechts pleiten voor een of andere vorm van industriebeleid. Neem het verkiezingsprogramma van de pvv: ‘Bescherm de Nederlandse maakindustrie, zoals Nedcar.’ Als het aan de pvda ligt moet Nederland ‘zich meer gaan toeleggen op het maken van goede, innovatieve producten en niet louter een diensteneconomie willen zijn’. De partij streeft dan ook een ‘nieuwe trotse vorm van industriepolitiek’ na. Ook GroenLinks wil een ‘duidelijke’ – lees: groene – industriepolitiek voeren.

‘De maakindustrie is springlevend’, concludeerde minister Verhagen van Economische Zaken eerder dit jaar dan ook in een opiniestuk. Hij rekende daarbij voor dat bijna een derde van het Nederlandse bbp afkomstig is van de industrie en de daarmee verweven dienstverleners. Zijn conclusie: ‘De maakindustrie is het fundament van de economie.’ Om dat te verstevigen heeft Verhagen het zogenoemde ‘topsectorenbeleid’ geïntroduceerd. In dat kader krijgen sectoren waarin Nederlandse bedrijven internationaal voorop lopen, zoals water, logistiek en chemie, extra aandacht en geld. Het klinkt econoom Schenk als muziek in de oren: ‘Dit is veel beter dan inzetten op financiële innovatie. Dat levert slechts virtueel geld op. Vooruit, in de zakken van de spreekwoordelijke Rijkman Groenink werd dat geld even reëel. Maar we zijn nu nog altijd met z’n allen bezig om dat aan Groenink en de zijnen uitbetaalde, virtuele salaris daadwerkelijk bij elkaar te verdienen.’

De maaktrend is internationaal. Neem Duitsland. Dat oogst sinds kort alom bewondering voor zijn bloeiende industrie. Het land zou zijn opvallend snelle herstel van de kredietcrisis te danken hebben aan de populariteit van Duitse auto’s, machines en windmolens. Aan de andere kant van de oceaan droomt Barack Obama hardop van een ‘renaissance in American manufacturing’. Naast de redding van industrieel icoon General Motors heeft de president een reeks initiatieven ontplooid, allemaal met hetzelfde doel: minder importeren, meer zelf produceren. In een toespraak zei Obama terug te willen naar een economie waarin Amerika ‘spullen maakt en spullen verkoopt en transporteert en ups-chauffeurs overal dingen afleveren’. Bij een andere gelegenheid heette het: ‘We zullen deze economie herbouwen, sterker dan voorheen, en daarbij zullen drie krachtige woorden centraal staan: Made in America.’

Die wens leeft ook buiten het Witte Huis. Enige tijd geleden berichtte The New York Times dat scholen door heel Amerika extra ruimte vrijmaken in hun curriculum voor technisch onderwijs. Zelfs crèches zouden er serieus werk van maken. Daarbij kunnen ze handig meeliften op het succes van populaire kinderseries als Disney’s Handy Manny, over een klusjesman met pratend gereedschap, en Bob de Bouwer. De fameuze oneliner van die bouwvakker doet zowaar denken aan Obama’s succesvolle campagneleus: ‘Kunnen we het maken?! Yes we can!’

Natuurlijk zijn er critici die waarschuwen voor ‘fabrieksnostalgie’: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Maar de positieve geluiden domineren. Met haar hoge uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling zou de maakindustrie buitenproportioneel bijdragen aan de kenniseconomie. Volgens met name Amerikaanse economen zorgt zij voor beter betaalde banen dan de dienstverlening. De maakindustrie is bovendien goed voor de export en daarmee voor het handelstekort. Ze moet, kortom, de kwakkelende westerse economieën uit de crisis helpen. Als klap op de vuurpijl blijkt dat alles nu ook nog eens ‘groen’ en ‘schoon’ te kunnen.

De verwachtingen ten aanzien van het nieuwe maken zijn torenhoog. Behalve zuiver economische overwegingen lijkt daarbij nog iets anders te spelen. ‘Maken’ wordt sinds de crisis niet alleen als economisch verstandig beschouwd. De manier waarop erover gesproken wordt, suggereert dat het ook in moreel opzicht ‘beter’ is dan financiële bedrijvigheid. Er wordt, met andere woorden, onderscheid gemaakt tussen een slecht, financieel kapitalisme en een goede, industriële variant. Zo’n kort-door-de-bocht antikapitalisme is historisch berucht. Ook de nazi’s bedienden zich ervan toen zij een twee­deling maakten tussen goede Duitse industrieën als Krupp en IG Farben en het foute, joodse financierskapitaal.

Maar ook afgezien van zulke historische parallellen kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij zo’n onderverdeling. In de moderne economie valt vaak nauwelijks onderscheid te maken tussen een verwerpelijk financieel en een goed industrieel kapitalisme. De twee takken van sport zijn nauw met elkaar verweven. ‘Typische’ maakindustrieën als Volkswagen en General Electric verdienen goed geld met hun eigen banken en investeringsmaatschappijen. Autofabrikant General Motors had eind vorige eeuw zelfs vrijwel de totale winst te danken aan zijn financiële activiteiten.

Toch denkt Alfred Kleinknecht, hoogleraar ‘economie van innovatie’ aan de TU Delft, dat er nog altijd een heel praktisch verschil is tussen de diverse economische sectoren. ‘Het is heel simpel. Met maakindustrie kun je goed geld verdienen. Méér dan met bijvoorbeeld dienstverlening. Dat komt doordat octrooien en patenten, waarmee je nieuwe vindingen kunt beschermen, vooral geschikt zijn voor fysieke zaken. Zo ontstaat tijdelijke monopoliemacht. Het gevolg is dat de winstmarges hoog zijn. Kijk maar naar bedrijven als bmw, Mercedes en Apple. Innovaties op het gebied van dienstverlening zijn daarentegen veel moeilijker te beschermen. Vernieuwingen worden daar veel sneller overgenomen door de concurrentie.’

Het voornaamste probleem van de financiële sector ligt volgens Kleinknecht bij de verborgen kosten die zij met zich meebrengt. In de crisis natuurlijk, toen overheden met miljarden euro’s aan belastinggeld de noodlijdende banken moesten redden. Maar ook in minder woelige periodes is een omvangrijke financiële sector slecht voor de rest van de economie, meent Kleinknecht. ‘Ik denk dat het wegkwijnen van de maakindustrie in met name de Angelsaksische landen niets minder dan de keerzijde van hun florerende financiële sectoren is geweest. Centra als Wall Street en de Londense City trekken gigantische hoeveelheden kapitaal aan. Dat heeft tot een harde dollar en pond geleid, wat slecht is voor de eigen exportindustrie. En dat terwijl je met zulke gigantische import­overschotten onder normale omstandigheden een lagere wisselkoers zou verwachten. Je betaalt als land dus een flinke prijs voor een succesvolle financiële sector: een hoge wisselkoers, lagere export en een krimpende maakindustrie.’

‘Steve, dit is voortaan jouw werkbank.’ Al op jonge leeftijd kreeg Steve Jobs een deel van de schuur bij het huis van zijn ouders toebedeeld. Het was het soort ruimte dat tegenwoordig een man cave zou heten. Zijn vader sleutelde er aan oude auto’s. Voor vijftig dollar tikte hij een gammele Ford Falcon op de kop. Een paar weken later verkocht hij hem opgeknapt en wel voor 250 dollar. En passant bracht hij zijn zoon zowel technisch vernuft als liefde voor design bij, en spaarde hij het geld voor diens studie bij elkaar.

In zijn biografie van de Apple-oprichter schetst Walter Isaacson een intrigerend beeld van het west coast suburbia waar Steve Jobs eind jaren vijftig, begin jaren zestig opgroeide. Het helpt begrijpen waarom uitgerekend hier Silicon Valley ontstond. Overal zaten mannen – nee, helaas, nauwelijks vrouwen – in schuren en garages dingen te maken. Overdag werkten zij als technici en ingenieurs in de nabij gevestigde defensie-industrie. ’s Avonds prutsten ze aan geluidsinstallaties, bouwden hun eigen televisies of experimenteerden met lasers. ‘De meeste vaders in de buurt deden echt coole dingen, zoals zonnecellen en batterijen en radars’, herinnerde Jobs zich. ‘Ik groeide op vol bewondering voor dat spul en vroeg mensen erover uit.’

Elke dinsdagavond chauffeurde vader Jobs zijn zoon naar de Explorers Club van Hewlett-Packard, nog zo’n technologische gigant die in een Californisch schuurtje was begonnen. In de cafetaria bij het bedrijf praatten ze met de knappe koppen van het bedrijf of gingen ze zelf iets knutselen. Toen hij ouder werd verruilde Steve Jobs de Explorers Club voor de Homebrew Computer Club. Daar dacht hij samen met Steve Wozniak na over een eigen computer. Later richtten de twee Apple op. En nog weer later, nu dus, is dat het duurste bedrijf ter wereld. Een máákbedrijf.

In dat feit ligt zeker een deel van de verklaring voor de lyrische verering die Steve Jobs ten deel viel na zijn dood, een jaar geleden. Jobs was een onuitstaanbare maar charismatische man, een visionair en de baas van de belangrijkste Amerikaanse multinational van het moment. Maar hij werd óók gezien als een maker. Op zijn stuk van de werkbank in de ouderlijke schuur verschenen allerlei elektronica-onderdelen. Voorbodes van de Apple-computer, waarmee hij en Wozniak aan de basis stonden van de IT-revolutie. Jobs was, kortom, het bewijs dat Amerika de afgelopen decennia behalve financiële hocus-pocus ook waardevolle vernieuwingen heeft voortgebracht.

De vraag is tot welke innovaties de huidige industriële revival gaat leiden. Of is al het gepraat over het belang van de maakindustrie inderdaad slechts valse romantiek, zoals tegenstanders van Obama betogen? Een misplaatst terugverlangen naar grote fabriekshallen gevuld met mannen in blauwe overalls?

Niets van dat alles, meent Peter Marsh. De redacteur van de Financial Times loopt al jarenlang de deur plat bij alles wat zich nog industrie noemt. Zijn conclusie: de maakindustrie blijft cruciaal, ook voor de westerse economieën. Maar ze ondergaat wel een drastische gedaanteverwisseling, schrijft Marsh in zijn deze zomer verschenen boek The New Industrial Revolution: Consumers, Globalization and the End of Mass Production.

In een telefonisch interview legt de Britse journalist uit wat het cruciale verschil is. ‘Vroeger had je grote fabrieken. Die stonden doorgaans midden in een stad. Daar maakten ze dan een heleboel van hetzelfde. Die spullen werden vervolgens opgestapeld in een pakhuis, in afwachting van mensen die ze kochten.’ De toekomst ziet er volgens hem heel anders uit: ‘De fabriek van de 21ste eeuw is kleiner. Er werken ook niet zo veel mensen. Ze ligt aan de rand van de stad, soms zelfs op het platteland. Anders dan voorheen gaan productie en dienstverlening hand in hand. En heel belangrijk: alles draait om op maat gesneden spullen.’

Als voorbeeld noemt Marsh een groeiende Britse industrie: ijsjes. Een stuk of honderd kleinere producenten verovert snel marktaandeel. Niet door te concurreren op prijs, maar door voor iets meer geld op ambachtelijke wijze steeds weer nieuwe smaken uit te vinden. Iets soortgelijks doen bouwers van luxe jachten of fabrikanten van exclusieve elektronica. Niche-sectoren? Misschien, geeft Marsh toe. Maar de markt bestaat steeds meer uit een optelsom van niches. Massaproductie is volgens hem passé. Bovendien nemen grote bedrijven veel van de strategieën van de kleintjes over.

Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de concurrentiestrijd met lageloonlanden. Volgens Marsh wordt de industriële macht van een land als China ten onrechte gevreesd. ‘De westerse landen zijn juist in het voordeel. Ze hebben ­historisch veel ervaring met industrie, beschikken over geavanceerde technologie en zijn ­inmiddels niet al te duur meer.’ Maar bovenal kan de uitkomst van wat Marsh een ‘nieuwe ­industriële revolutie’ noemt de mondiale ­arbeids­deling danig in de war schoppen. Juist omdat de nadruk niet langer op massa­productie zal liggen, wordt het aantrekkelijk om banen terug te halen naar Europa en Amerika. Op die manier kun je immers beter en sneller inspelen op de wensen van de westerse consument. Reshoring dus.

Toekomstmuziek? Wensdenken? Er zijn er die nog veel radicalere conclusies verbinden aan het einde van de massaproductie. Zoals Chris Anderson, hoofdredacteur van het populaire Amerikaanse tijdschrift Wired en auteur van bestsellers als The Long Tail (2006) en Free (2009). Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam de Nederlandse vertaling van zijn nieuwste boek, Makers: De nieuwe industriële revolutie.

Bellend vanuit zijn auto in Californië legt Anderson uit dat wat er met onze industrie gebeurt, veel weg heeft van hoe de computer zich heeft ontwikkeld: ‘Aanvankelijk beschikten alleen heel grote bedrijven over computers. Toen kwam de personal computer en kreeg iedereen er een. Wat we nu zien, is het begin van personal manufacturing.’

Dankzij de moderne techniek kan binnen afzienbare tijd iedereen zijn bureau ombouwen tot een mini-fabriek. Stel, je wilt een nieuwe vaas. Die ontwerp je zelf, eventueel met behulp van open-sourcesoftware. Je kunt ook een kant-en-klaar design downloaden van internet. Het ontwerp gaat vervolgens naar een 3D-printer. Met een soort printkop bouwt die het voorwerp laag voor laag op. Metaal, plastic of een ander materiaal – het is allemaal mogelijk. Voor een slordige duizend euro kun je zo’n apparaat inmiddels zelf in huis halen, maar er zijn ook bedrijfjes die tegen een bescheiden vergoeding afdrukken maken. Het resultaat is hetzelfde: je eigen, hoogstpersoonlijke vaas.

Het kan al. En het wordt razendsnel ­goedkoper, sneller en daarmee ­laagdrempeliger. ‘We hadden al open-sourcesoftware. Daar komen nu de 3D-printers bij: in feite een open ­productielijn. Wie dat wil, kan zijn idee ook nog eens proberen te financieren met behulp van crowdfunding’, vertelt Anderson enthousiast. ‘Wat we hier en nu beleven, is dat alle ­noodzakelijke ingrediënten samenkomen. Mijn boek gaat over de enorme gevolgen die dat heeft. Wat gebeurt er als je de productiemiddelen bevrijdt?’

Hoe spectaculair ook, ergens klinkt dat bekend in de oren. Zijn de jonge moeders met hun webwinkeltjes de voorhoede van deze industriële revolutie? ‘De democratisering van de productie begon inderdaad een jaar of tien geleden met T-shirts en koffiemokken’, reageert Anderson. ‘Maar dat is eigenlijk nog steeds gebaseerd op standaard fabricage, waar je je eigen design als het ware omheen wikkelt.’ Een terugkeer van de vroegmoderne ambachtslieden dan, die ook vanuit huis werkten? ‘Ja, zoiets! Maar het verschil is dat zij nog in dienst stonden van grotere fabrieken. Maak duizend stuks van deze kleding, dat idee. Wat we nu zien, is dat niet alleen de productie, maar ook het creatieve proces gedecentraliseerd wordt.’

De gevolgen daarvan zijn verstrekkend. Niet alleen de economie, maar ook onze cultuur en identiteit gaan op de schop. Als het aan Anderson ligt, wordt straks iedereen én ontwerper, én producent, én consument. Dat zal gepaard gaan met een gigantische uitbarsting van creatieve energie. ‘Ik zie het nu al overal om me heen. Onze generatie is een virtueel leven gaan leiden op internet. Maar tegelijkertijd heerst er een enorme honger naar dingen bouwen, naar concrete spullen aanraken. Mensen zijn er altijd dol op geweest om iets met hun handen te maken. Dus bereiden we zelf onze maaltijden. Maar iets als metaalbewerking is een stuk lastiger. Dat kan ik niet. En toch maakt de nieuwe desktopindustrie het mogelijk. Toevallig heb ik gisteren nog een metalen ontwerp ge-upload naar een 3D-printer.’

Terug naar Arnhem, naar de bankemployee die zich in de crisis tot ambachtsman bekeerde. Uit het kleine atelier van Dirk-Jan Kortschot, direct naast de winkelruimte, klinkt muziek van Manu Chao. Op de schappen staan houten mallen voor hoeden. Vooralsnog zijn die onmisbaar, maar ook Kortschot oriënteert zich op de nieuwe mogelijkheden die zich aandienen. Een tijd geleden liet een kennis hem een computerprogramma zien waarmee hij hoeden kon ontwerpen. ‘Binnen drie minuten zag ik dat ingewikkelde design, dat al jaren in mijn hoofd zat, op het scherm.’

De volgende stap laat zich raden: waarom zou Kortschot zijn digitaal ontworpen hoed niet direct afdrukken met een 3D-printer? ‘Het kán al’, benadrukt Kortschot. ‘Je stuurt het ontwerp in een bestandje naar een bedrijf dat 3D-prints levert, zegt erbij welk materiaal het moet worden, en in no time krijg je het thuis afgeleverd. Maar stel je voor! In de toekomst kopen klanten dat digitale bestand misschien wel via een ­winkel – zeg, de Ikea. Dan kunnen ze thuis zelf mijn hoed afdrukken met hun eigen 3D-printer!’

Op zijn werktafel liggen stoffen, lint, een naaimachine en een laptop. Door de nieuwe industriële revolutie is over een paar jaar alleen nog die laatste nodig.