Ieder zijn gek

Ik geloof een heleboel dingen niet en een ervan is de stelling dat alle schrijvers ongelukkig of gek zijn. Ik mag het misschien graag beweren, laat op de avond, aan een cafétafel met bleke meisjes van wie ik weet dat ze elke nacht in slaap vallen met een poëziebundeltje tegen zich aangeklemd, maar geloven, nee.

Niemand kijkt ervan op, van zo'n bewering. Het is niet een regelmatig onderwerp in de weekbladen, of iets wat literatuurstudenten op de universiteit wordt voorgehouden, maar wel een wijdverbreid, hardnekkig vermoeden onder in de hersenschors. Iedereen kan moeiteloos een setje schrijvers opsommen die niet goed bij hun hoofd zijn. Je zou er een leuk bordspel van kunnen maken.
Er is ook altijd iemand in het gezelschap - meestal ikzelf - die op zijn vingers gaat voorrekenen wat de gemiddelde schrijver overhoudt aan een boek waar hij twee jaar aan gewerkt heeft, behalve een postnatale depressie en een maagzweer van het wachten op de recensies: een paar duizend gulden en vijftien presentexemplaren. Iedereen is het erover eens: niet het werk waar een normaal mens zich voor zou lenen.
Vervolgens leg ik het gezelschap mijn favoriete gekke schrijvers voor. Op dit moment zijn dat: de paranoïde Amerikaanse kluizenaar die sinds 1965 weigert om te publiceren - hoewel het gerucht gaat dat er binnenkort een nieuw verhaal van hem zal verschijnen - en die alle aandacht voor zijn persoon tot bij de rechter zal bestrijden; de manisch-depressieve ex-ketelbink die regelmatig denkt God te zijn en eigenlijk alleen door zijn vrouw met het ongelukkige armpje van de totale omnachting wordt weerhouden; en de geniale zelfmoordenaar die zijn boek alleen postuum gepubliceerd kreeg (en dat nog alleen omdat zijn oude moeder uitgevers de kop gek bleef zeuren) en er - morsdood - de Pulitzer Prize voor kreeg.
En natuurlijk, niet te vergeten: de vorige week overleden vogeltjesvoerder uit Tsjechoslowakije. Schrijvers die denken dat ze kunnen vliegen horen sowieso tot mijn favorieten.
Als iedereen zijn voorkeuren genoemd heeft en de ober weer is langsgekomen, begin ik over schrijvers die aantoonbaar kierewiet zijn maar voor wie ik niks voel. Zo heb ik geen enkele belangstelling voor het werk van de vriendelijke, megalomane Brabander die enkel boeken van meer dan vijfhonderd bladzijden afscheidt - liefst in tweevoud -, of voor de favoriet van de leesclubjes: die keurige, beetje anorectische mevrouw met het blonde pluishaar, die dagdroomt van wilde zigeuners. Het heeft niks te maken, roep ik terwijl ik met een armzwaai vier volle glazen van tafel veeg, met schrijfstijl of onderwerpen; het is gewoon niet mijn soort waanzin. De krankheid van de schrijver moet lijken op die van de lezer, dat luistert heel nauw.
Dat is onveranderlijk het moment dat het gezelschap aan tafel begint te praten over opstappen.
Extra drank en overtuigingskracht helpen niet meer, ook niet als je roept dat het nu pas interessant wordt, dat je nu gaat vertellen waarom schrijvers juist doodnormale mensen zijn, op het saaie af. Tien minuten later zit je doodalleen in de kroeg, het is om gek van te worden.