INTERVIEW MET ALEXANDER WAUGH

‘Iedere familie is excentriek’

Alexander Waugh, uit het beroemde geslacht, schreef een biografie over de Wittgensteins, eveneens een fameuze familie. De hoofdrol speelt Paul, de eenarmige pianist, en niet Ludwig, de filosoof. Dat wordt Waugh wel eens kwalijk genomen.

DE NAAM WITTGENSTEIN is voor velen onlosmakelijk verbonden met Ludwig Wittgenstein. Toch was gedurende zijn leven de faam van de filosoof gering in vergelijking met die van zijn broer Paul. Ludwig leidde een teruggetrokken bestaan dat zich vooral afspeelde in de obscuriteit van de colleges in Cambridge, waar een clubje filosofen hem als een Messias vereerde. Ondertussen genoot Paul Wittgenstein wereldwijde beroemdheid als concertpianist. Zijn carrière stond in het teken van één tragisch voorval: hij verloor zijn rechterarm in de Eerste Wereldoorlog. In Russisch krijgsgevangenschap leerde hij zichzelf vervolgens met één hand opnieuw piano spelen, met een kistje waarop toetsen getekend stonden.
Alexander Waugh, kleinzoon van Evelyn Waugh, schreef een biografie van de familie Wittgenstein waarin Paul de hoofdrol speelt. ‘Hij was een popster avant la lettre. Zijn concerten eindigden in staande ovaties en gejuich en hij was waanzinnig populair bij vrouwen. Hij kreeg zoveel bewondering dat ik zelfs heb overwogen mijn eigen arm eraf te hakken’, schertst Waugh tijdens ons gesprek over de familie Wittgenstein en de familie Waugh.
Waugh’s familiebiografie richt zich op de acht kinderen van de grootindustrieel Karl Wittgenstein, een van de meest rijke en vooraanstaande figuren van fin de siècle-Oostenrijk. In zijn imposante Palais Wittgenstein kwamen alle grote namen in de klassieke muziek van die tijd (Brahms, Mahler, Richard Strauss) over de vloer. Desondanks verbood hij zijn kinderen musicus te worden, of zelf meer dan een uur per dag te spelen. Het tekende de tirannieke invloed die Karl over zijn kinderen, van wie er drie zelfmoord pleegden, uitoefende. Pas toen hij in 1913 overleed kon Paul voor het eerst optreden. Het concert, gegeven in het Palais en een van de weinige die Paul met beide armen zou spelen, was een groot succes.
Ook De Groene Amsterdammer deed verslag van het uitzonderlijke pianospel van Paul Wittgenstein. Het concert dat hij 1925 gaf in Amsterdam was een ‘geweldig en zeer verdiend succes’, aldus De Groene. Alexander Waugh –zorgvuldig verwaarloosd voorkomen, upper class-accent – deelt de bewondering die De Groene en vele anderen hadden voor Paul Wittgenstein. Als ik het Concerto pour la main gauche ter sprake breng, dat Ravel voor Paul Wittgenstein schreef, springt hij op uit zijn stoel: ‘Is het niet prachtig? Kun je werkelijk geloven dat je luistert naar pianospel uitgevoerd met slechts één hand?’ Om vervolgens weer met Engelse onderkoeldheid te constateren dat natuurlijk iedereen die een pianoconcert geeft in zekere mate een held is. Later die dag, bij de officiële presentatie van zijn boek, speelt Alexander Waugh zelf ook piano. Met zijn rechtermouw in zijn zak gepropt, zoals Paul Wittgenstein dat deed, laat hij zien en horen hoe verdomde moeilijk het is het instrument te bespelen met één hand. Het is, net als zijn boek, een ode aan het genie en doorzettingsvermogen van Paul Wittgenstein.

Wat inspireerde u om een geschiedenis van de familie Wittgenstein te schrijven?
‘Het oorspronkelijke doel was een biografie van Paul te schrijven, maar omdat hij enkel herinnerd wilde worden vanwege zijn muziek heeft hij doelbewust nauwelijks sporen nagelaten. Alleen in de context van zijn familie kon ik een beeld van hem schetsen.
Tijdens het schrijven van Fathers and Sons (een geschiedenis van het geslacht Waugh – ct), realiseerde ik me bovendien dat iedere biografie herschreven kan worden vanuit het perspectief van de familie. Familie is het belangrijkste kenmerk van het individu, vaak zelfs interessanter dan de persoon zelf.’
Wie over de Wittgensteins schrijft, kan rekenen op respons van Ludwig Wittgenstein-adepten. Kreeg u reacties uit die hoek?
‘Ach, ik krijg het verwijt dat ik niet voldoende neerkniel voor het altaar waarop Wittgenstein wordt geplaatst en hem een marginale rol geef in mijn boek. Het grote probleem is dat niemand Ludwig Wittgenstein begrijpt, dat geldt zelfs voor de denkers die dicht bij hem stonden zoals Bertrand Russell. Er zijn meer dan zevenduizend boeken verschenen die de filosofie van Wittgenstein proberen uit te leggen. Dat is voor mij het bewijs dat zijn denkbeelden warrig zijn. Ik had dus geen behoefte om uitgebreid op Ludwig in te gaan. Wel schepte ik er genoegen in aan te tonen dat niemand hem begrijpt. Bovendien moet je niet vergeten dat Paul in zijn dagen véél bekender was.’
‘De Wittgensteins’ is non-fictie, maar passages als de amputatie van de arm van Paul en de vernietiging van het Palais Wittgenstein hebben literaire allure. Schuilt er niet stiekem toch een romanschrijver in u?
‘De feitelijke geschiedenis van de familie Wittgenstein is simpelweg dankbaar materiaal. Het leven in de hoogste echelons van Wenen in het fin de siècle, de verscheuringen van twee wereldoorlogen: het is gewoonweg een fantastisch verhaal. Het ambacht zit in het selecteren en presenteren, en ik denk dat ik dat heel aardig heb gedaan. Ik word geleid door de grote angst dat ik mensen verveel. Zelf ben ik ook snel verveeld. Alles in het verhaal moet dus prikkelen, want te vaak zijn biografieën droge, feitelijke kost. Met name op de symbolische momenten heb ik de verbeelding losgelaten, zoals bij het bombardement op Wenen in de Tweede Wereldoorlog waarbij het familiehuis getroffen werd. Huizen zijn uitermate belangrijk; families worden gevormd door de omgeving waarin zij wonen. De vernietiging van het opulente paleis van de Wittgensteins was het einde van zowel de glorie van de Wittgensteins als de tijd waarin zij leefden. Boem, einde verhaal.’

Wat de angst voor verveling aangaat lijkt Alexander Waugh op zijn grootvader. Ook hij was snel verveeld. Zo noteerde Evelyn Waugh ooit in zijn dagboek dat de aanwezigheid van zijn kinderen een ‘diep gevoel van verveling’ teweegbracht. Met deze vergelijking kondigt zich een onvermijdelijk onderwerp aan: Evelyn Waugh. Zoals de naam Wittgenstein het innigst verstrengeld is met Ludwig, is de naam Waugh dat met de schrijver van Brideshead Revisited. Het is bekend dat Alexander Waugh soms weigert journalisten te woord te staan over zijn voorgeslacht, maar deze keer lijkt het hem niet te storen dat interesse in zijn persoon deels wordt gevoed door zijn naam. ‘Je kunt me alles vragen, over alles’, zegt Waugh aan het begin van het gesprek.
‘De Wittgensteins’ wordt gepresenteerd als een geschiedenis van een excentrieke familie, geschreven door een man die zelf ook uit een excentriek geslacht stamt. Is dat predikaat een vereiste om de Wittgensteins te begrijpen?
‘Nee, ik vind dat alle families excentriek zijn. Iedere familie heeft haar geschiedenis en kent haar anekdotes. Families verschillen wel in hoeverre ze hun verhalen bewaren voor volgende generaties. In dat opzicht is de familie Waugh bijzonder excentriek. Ik durf te stellen dat wij het beste familiearchief ter wereld hebben. Niemand heeft zo rigoureus alles willen vastleggen als de Waughs. Dit geldt voornamelijk voor Evelyn. Van kindsbeen af was hij erop gebrand zijn stempel op de wereld te drukken. Ik ben ervan overtuigd dat hij zijn dagboeken schreef in de hoop dat ze ooit gepubliceerd zouden worden.’
Is uw familienaam tot last in uw eigen schrijverschap?
‘De naam dwong me een eigen fort te ontwikkelen en dus schrijf ik een boek als dat over de Wittgensteins. Het idee dat ik ooit een roman zou schrijven vervult me met huiver. En waarom zou ik ook? Iedereen zal zeggen: “Niet zo goed als Evelyn Waugh”, en dat zal het ook niet zijn. Aangezien ik de vergelijking toch zal verliezen, ga ik hem ook niet aan. Mijn vader, Auberon Waugh, was een vooraanstaand journalist, dus word ik geen journalist vanwege dezelfde reden. Maar het is geen groteske overdrijving als ik stel dat mijn grootvader noch mijn vader dat Wittgenstein-boek zo goed geschreven zou kunnen hebben. Ik zoek dus een terrein waarop ik boven die twee uit kan stijgen. Welbeschouwd een absurde situatie. Ik voel enorme druk om te concurreren met mijn grootvader en vader.’
U schreef ook een biografie van God, met een beetje goede wil te beschouwen als de ultieme vaderfiguur.
‘Zo had ik het nog niet bekeken. Maar inderdaad, als je Fathers and Sons, De Wittgensteins en God naast elkaar legt zou je bijna kunnen stellen dat ik een vadercomplex heb. Overigens was mijn vader weinig gecharmeerd van het idee dat ik een boek over God zou schrijven. Kort voor zijn overlijden trok hij zijn chequeboek en vroeg me hoeveel het boek me zou opleveren. Hij wilde de kosten vergoeden op voorwaarde dat ik het niet zou schrijven. Helaas heeft hij het nooit kunnen lezen, maar ik denk dat hij het toch wel zou kunnen waarderen.’
Beïnvloedt het schrijven over families en vaders uw eigen vaderschap?
‘Het brengt me in grote verwarring. Ik stel me vreemd op ten opzichte van mijn zoon. Hij is tien jaar oud en ik vertel hem dat we nu beste vrienden zijn, maar dat we dat niet voor altijd zullen blijven. Een triest feit dat hij moet leren begrijpen. Het is een darwiniaanse waarheid: zonen zijn van nature geneigd de strijd met hun vader aan te gaan, ze hebben de drang hem te overvleugelen en dat moeten ze ook doen. Mannen die zeggen dat ze beste vriendjes zijn met hun vader, they talk rubbish. Mocht het toch waar zijn, dan zitten ze evolutionair op een dood spoor. Het betekent het einde van de familie. Toch stemt dit me optimistisch. Strijd tussen vader en zoon maakt iedere generatie beter dan de vorige. Mijn kinderen zullen wijzer en geestiger zijn dan ikzelf ben en ik ben veel, veel wijzer dan mijn voorvaderen. Stukken meer ironisch ook, overigens.’

Alexander Waugh, De Wittgensteins: Geschiedenis van een excentrieke familie. Vertaald door Frits van der Waa, De Bezige Bij, 415 blz., € 27,50