Iedere ruit blijft heel

Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer schrijft zulke mooie, beschaafde gedichten dat ze doen snakken naar hartstocht, vuil en onbeschoftheid.

Tomas Tranströmer, De herinneringen zien mij, € 45,- (verschijnt 17 oktober)

Tomas Tranströmer, New Collected Poems, € 17,50


GEHEIMEN ONDERWEG

Het daglicht trof het gezicht van iemand die sliep.

Levendiger werd zijn droom

maar wakker werd hij niet.

Het duister trof het gezicht van iemand die

tussen de anderen liep in de sterke

ongeduldige zonnestralen.

Plotseling werd het als door een stortbui donker.

Ik stond in een kamer die alle ogenblikken bevatte –

een vlindermuseum.

En de zon toch nog even sterk als daarvoor.

Zijn ongeduldige penselen schilderden de wereld.


Het gezelschap dat de Nobelprijzen voor literatuur toekent, heeft het beste met de wereld voor, en gezien de staat van treurnis waarin de mensheid permanent verkeert, is daar iets voor te zeggen. Zou literatuur geen troost moeten bieden, of hoop? Moeten schrijvers niet laten zien dat alle mensen broeders zijn, of dat zouden kunnen worden? Geen wonder dat het Zweedse comité, in de geest van de filantropische dynamietkoning wiens geld het verdeelt, de afgelopen eeuw een voorkeur aan de dag heeft gelegd voor auteurs met een humanistische inslag, waardige dames en heren die hun sympathieke wijsheid mild en beschaafd over het voetlicht brengen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen geweest, waaronder recentelijk Elfriede Jelinek het meest geruchtmakend was, maar aan dichters als Czeslaw Milosz, Derek Walcott, Seamus Heaney en Wislawa Szymborska kan men zich geen buil vallen: zulke grootouders willen we allemaal wel hebben. Het zijn de helers die in de prijzen vallen, nooit de slopers. Dichters die de taal molesteren omdat dit universum, en in het bijzonder de westerse beschaving, hen doet walgen, zien het riante geldbedrag aan zich voorbijgaan. Ze zitten er ook niet op te wachten.

Tomas Tranströmer (1931) is de gedroomde kandidaat. Hij schrijft mooie gedichten waarin veel gemijmerd wordt, waarin de grootsheid van het landschap tot ootmoedigheid inspireert, en waarin net voldoende maatschappelijk engagement zit verborgen om duidelijk te maken dat de dichter het hart op de juiste plaats draagt, zonder dat hij ooit op opmerkelijke politieke standpunten valt te betrappen. Psycholoog van professie, observeert hij nauwgezet de onvoorspelbare werking van zijn eigen brein. Dat hij twintig jaar geleden door afasie werd getroffen, waarna hij de pen nog maar moeizaam op papier kreeg, lijkt, hoe ellendig het voor Tranströmer zelf ook is, de mythe van het dichterschap alleen maar te versterken. De essentie van dichtkunst is immers dat het tracht uit te drukken wat onzegbaar is.

In Nederland hebben we het geluk dat Bernlef zich over Tranströmers werk heeft ontfermd – de fraaie editie wordt deze week herdrukt. Of het aan de vertaler ligt kan ik niet beoordelen, maar in Bernlefs versie oogt deze poëzie zo natuurlijk dat je geen moment het gevoel krijgt een vertaling te lezen. Tranströmer heeft een nuchterheid, een scherpe blik, een vermogen tot subtiele introspectie en een lichte hang naar metafysische vergezichten die we ook uit onze eigen poëzie goed kennen. Ik denk aan dichters als Martin Reints, Hans Tentije, Kopland, en natuurlijk Bernlef zelf. Dat Tranströmer geen capriolen uithaalt met rijm, ritme en herhalingsfiguren maakt zijn werk bovendien goed vertaalbaar.

Dat Tranströmer andere landschappen in zijn hoofd heeft zitten dan we hier om ons heen zien, is echter evident. In menig gedicht rijdt of loopt de spreker door uitgestrekte gebieden waar hij de enige menselijke aanwezigheid lijkt te zijn. Veel weidse wolkenluchten, de stilte van de Oostzee, rotsachtige eilandjes met een enkel huisje, dichte wouden en bevroren rivieren – al schrijft hij ook over Lissabon, Brugge en New York. De combinatie van trefzekere weergave van wat er te zien is met vaak lucide bespiegelingen over tijd, ruimte en identiteit maakt dat je als lezer onmiddellijk naar Zweden zou willen afreizen, als zou het leven daar beter, althans zuiverder zijn en vanzelf uitnodigen tot reflectie. In het lange gedicht Oostzeeën (1974) lezen we:

De wind trekt door het dennenbos. Het ruist er zwaar en licht.

Ook midden op het eiland ruist de Oostzee, diep in het bos

ben je buitengaats.

De oude vrouw haatte het geruis in de bomen. Haar gezicht

verstarde van melancholie wanneer de storm opstak:

‘Je moet aan hen daarbuiten op de schepen denken.’

Maar zij hoorde ook iets anders in het ruisen, net als ik, wij zijn verwanten.

Dat deze vrouw ook ‘iets anders in het ruisen’ hoort, is typerend voor Tranströmer. Zijn belangrijkste thema is de aanwezigheid van andere dimensies, van werkelijkheden die zich doorgaans aan de waarneming onttrekken, maar zich op onverwachte momenten terloops openbaren voor wie zich ervoor openstelt: ‘Lang loop je te luisteren en nadert dan een punt waar de grenzen/ zich openen/ of eerder/ waar alles grens wordt. Een open plek in donker verzonken.’ Ogenschijnlijk onafhankelijk van elkaar voorkomende verschijnselen kunnen elkaar ineens naderen, alsof er een onbegrepen samenhang is die maakt dat zij van dezelfde orde zijn. Natuurlijk speelt de werking van het brein, dat teert op indrukken en herinneringen die op onvoorspelbare wijze met elkaar geassocieerd worden, hierin een grote rol, toch suggereert Tranströmer dat deze verbanden niet alleen op illusies berusten. Al ontgaan ze ons meestal, ze zijn er echt.

Dat besef is bepalend voor de structuur van de gedichten, die vaak impressies naast elkaar zetten en het aan de lezer overlaten de verborgen connectie op te sporen, of te construeren. Deze aan het surrealisme ontleende techniek benadrukt het mysterie dat ons omgeeft, zonder dat er van vaagheid sprake is. In een vroeg gedicht gaat dat zo:

Op een winterochtend bespeur je hoe deze aarde

zich voortwentelt. Tegen de muren van het huis

klettert een tochtstroom

uit het verborgene.

Omgeven door beweging: tent van rust.

En het geheime roer in de trekvogelzwerm.

Uit het winterduister

stijgt een tremolo

van verborgen instrumenten. Het is als

staan onder hoge zomerlinden, met het dreunen

van tienduizend

insektenvleugels boven je hoofd.

Evenals de surrealisten hecht Tranströmer veel waarde aan de droom, of liever aan het grensgebied tussen slapen en wakker zijn, als zou men in die toestand ontvankelijk zijn voor het Andere dat ons ontglipt. ‘Ik ga liggen om te slapen’, zegt hij, ‘ik zie onbekende beelden/ en tekens die zichzelf neerkrabbelen achter mijn oogleden/ op de muur van het duister.’ Dat is een vertrouwde ervaring. Deze toevoeging maakt er poëzie van: ‘Door de spleet tussen waken en dromen/ probeert een grote brief zich vergeefs naar binnen te dringen.’ Gaat het om een boodschap van gene zijde? Wat er in de brief staat zal nooit worden opgehelderd, maar het beeld is op zichzelf al een geschenk.

Helaas zijn er ook gedichten waarin Tranströmer de suggestie van een epifanie er te dik bovenop legt. In Espresso schrijft hij: ‘De koffie lijkt op de druppels zwarte diepzinnigheid/ soms opgevangen door de ziel,// een weldadige schok teweegbrengend: Vooruit!/ Inspiratie om de ogen te openen.’ Dat stijgt niet uit boven de spitsvondigheid van een matig zeventiende-eeuws epigram, zonder dat evenwel de formulering pregnant is. Bovendien is het, ondanks de licht ironische toon, belerend. Heel erg is ook een allegorie als deze: ‘Thuis stond alwetend de Encyclopedie (…) ik leerde erin lezen./ Maar voor ieder mens wordt een eigen encyclopedie geschreven,/ zij groeit in iedere ziel. (…) Het boek der tegenspraken.’

In een van de autobiografische schetsen uit De herinneringen zien mij (1993), die overigens nogal onbenullig zijn, vertelt Tranströmer hoe hij op het gymnasium werd gegrepen door de poëzie van Horatius. Ik deel die ervaring. Er is geen dichter die je beter kan leren hoe een strofe werkt, wat je met ritme en woordvolgorde kunt doen, en wat het effect is van naast elkaar geplaatste, hoogst realistische beelden. Enkele malen heeft Tranströmer dan ook geprobeerd Horatius’ sapfische strofen te gebruiken, maar van de ritmische regelmaat daarvan blijft – althans in Bernlefs vertaling – niets over. De bijna Latijnse compactheid is er wel:

Onder het cirkelende stille punt van het wrak

rolt de zee dreunend aan in het licht,

kauwt blind op haar bit van wier en sproeit

schuim over het strand.

Het zal niet alleen Horatius’ vorm zijn geweest, die Tranströmer aansprak. De Romein is de verpersoonlijking van wat hij zelf aurea mediocritas noemt, veelal vertaald als ‘gulden middenweg’. Ook Tranströmer is een dichter van evenwicht en nuancering, met een verbeelding die altijd intelligent en vaak verrassend is, maar hij zal nooit vlammen of uit de band springen. Dat maakt dat ik na een paar dagen Tranströmer snak naar een flinke dosis hartstocht, vuil en onbeschoftheid – maar dat zegt wellicht meer over mij dan over hem.

Hij is de ideale dichter voor beschaafde zoekers die God achter zich hebben gelaten, maar hun spirituele antenne alert willen houden. En zijn werk is rijk aan citeerbare regels waar je lang op kunt kauwen. ‘Opdracht: te zijn waar men is.’ Of: ‘Schoonheid krijg je alleen maar even van opzij te zien.’ En vooral deze strofe:

Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit,

één van buitenaf

en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.

In het oproepen van die ontmoeting tussen buiten- en binnenwereld, dat kruispunt van tijden, ruimten en dimensies, is Tranströmer een absolute meester. Treffend verwoordt hij het in een gedicht over de sprankelende klaviermuziek van Haydn:

De muziek is een glazen huis op de helling

waar stenen rondvliegen, stenen rollen.

En de stenen rollen er dwars doorheen

maar iedere ruit blijft heel.


Tomas Tranströmer, De herinneringen zien mij: Verzamelde gedichten, memoires, Vertaling en nawoord Bernlef, De Bezige Bij, 364 blz., € 45,-