Iedere week beter

Eenmalig gastoptreden van Theo van Gogh, columnist van HP/De Tijd, wiens onderstaande bijdrage deze week door dat weekblad werd geweigerd.
Ik heb begrepen dat de geweldenaar van de Wibautstraat, meneer Zeeman, en meneer Vuijsje - onze briljante hoofdredacteur - er als heren onder elkaar geen prijs op stellen dat mijn publicitaire begeleiding ook het-vrouwtje-van-de-trap-werpen van eerstgenoemde betreft. Meneer Vuijsje heeft mij daarom verzocht geen grapjes meer te maken over zijn deftige vriend. Wie ben ik om aan zo dringend gesteld verzoek geen gehoor te geven? Met de constatering dat sommige pooiers ‘t in de wereld van het fatsoen blijkbaar een heel eind redden zolang 'de Volkskrant’ op hun voorhoofd staat te lezen, ga ik gllimlachend over tot de orde van de dag, mezelf afvragend: ‘Zou meneer Zeeman intussen al gesolliciteerd hebben bij meneer Vuijsje?’

’t Laatste wat ik zou willen is een oneerbiedige toon aanslaan tegen mijn hoofdredacteur, die er alweer elf nummers op miraculeuze wijze in slaagt HP/De Tijd nog flitsender te maken! Ik denk dan bijvoorbeeld aan dat in een woord adembenemende themanummer ‘De terugkeer van God’. Ik denk dan bijvoorbeeld aan dat door meneer Vuijsje persoonlijk vervaardigde herdenkingsartikel over Ella Fitzgerald, een geraffineerde parodie waarin de gemeenplaatsen zich opeenstapelden tot een grote ode aan de Voorspelbaarheid. Zo'n doortastende knipoog naar de luiheid van denken lees je niet iedere dag. Ik vraag me af wat ons te wachten zou staan als meneer Vuijsje zijn nog diepere zieleroerselen aan het papier toevertrouwde.
Tot nu toe was mij niet helemaal duidelijk wat meneer Vuijsje eigenlijk wil met dit blad, en zijn veelgehoorde 'Ik wens pas beoordeeld te worden in september’, deed bij mij het vermoeden rijzen dat ons journalistieke kanon ’t zelf ook niet wist. Gezien de sprankelende HP/De Tijd-nummers die we nu al op zijn conto moeten schrijven, beken ik ongelijk. Wat een elan! Zelden zal een journalist overtuigender zijn vinger aan de polsslag van de tijd hebben gezet. Deze publikatie is onder meneer Vuijsje dan ook een baken geworden in de verwarrende jaren negentig. Ik geef ’t eerlijk toe: zoveel visionaire gaven had ik niet achter een Volkskrant-adjunct gezocht. Iemand die zelf bewust de achterkant van een hark hanteert om het talent van zijn ondergeschikten ter redactie nog beter te laten uitkomen, moet wel heel, heel edelmoedig zijn. Bescheidenheid is zeker een van de meest in het oog springende eigenschappen van onze nieuwe hoofdredacteur, die bovendien blijk geeft van een feilloos gevoel voor verhoudingen, doordrongen als-ie is van de notie dat Fatsoen nu eenmaal meer moet zijn dan een sigaar en een grote muil. Ik vraag me af of onze Bert wel 'ns aan zichzelf denkt: nog geen weekje vakantie opgenomen, 24 uur per dag in touw voor het blad, bruisend van ideeen, een gedrevene kortom. Daaraan heeft ’t op onze burelen inderdaad te lang ontbroken. Om aan een tijdschrift te mogen meewerken dat zowel naar vorm als inhoud dermate ontstijgt aan het routineuze dat we - sinds meneer Vuijsje aantrad - rustig mogen spreken van 'een wedergeborene’, is altijd een droom van me geweest. Ik sta als ’t ware op de berg en zie neer op het gekrioel van mensen en dingen. Naast mij een gids, een ziener, een duider: mijn hoofdredacteur! Een jongensachtige twinkeling fonkelt achter zijn brilleglazen maar hoe volwassen is de hand die hij in kalme overtuiging van zijn gelijk naar de einder strekt: 'Ik heb het beloofde blad gezien…’
Het vooruitzicht om voortaan alleen stukjes te mogen schrijven waarin de o zo fatsoenlijke pooiers van meneer Vuijsje niet aan bod komen, is bijzonder inspirerend. Met sommige hoofdredacteuren heb ik geen vijand meer nodig.