Essay De Nederlandse Historikerstreit over de grijze oorlog

Iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader

Het ‘grijze’ geschiedbeeld van Chris van der Heijden krijgt in Nederland veel instemming en navolging. De hoogste tijd om uit zijn nivelleringsdrift en de relativering van het joods slachtofferschap het patroon te ontrafelen van secundair antisemitisme.

ONLANGS SCHREEF de historicus en journalist Chris van der Heijden een artikel in De Groene Amsterdammer (27 november 2009) waarin hij zin en legitimiteit van het proces tegen Demjanjuk in twijfel trekt. Het is de zoveelste keer dat Van der Heijden de shoah probeert terug te brengen tot een inhoudsloos drama: ‘Jodenmoord, genocide, holocaust, shoah of hoe je het fenomeen ook wilt noemen.'1 De zoveelste keer ook dat hij 'schuld’ en 'boete’ wil nivelleren. Enerzijds legt Van der Heijden de nadruk op vermeende tekortkomingen in de procesvoering tegen Adolf Eichmann. Anderzijds is het voor hem - net als voor Demjanjuks advocaat Ulrich Busch2 - een open vraag of de leden van de joodse Sonderkommando’s niet evenveel aan te rekenen valt als (Oekraïense) trawniki zoals Demjanjuk. Hij negeert de bestaande vakliteratuur waaruit blijkt dat in Sobibor alle bewakers werden ingezet bij het vernietigingsproces. 'Waren er geen portiers, onderhoudsmonteurs, chauffeurs?’ vraagt hij.3 Uitspraken van joodse Nebenkläger dat zij behoefte hebben aan waarheidsvinding en gerechtigheid zijn aan Van der Heijden niet besteed. Volgens hem zijn de voormalige slachtoffers en hun nabestaanden troetelkinderen van een op hol geslagen 'publiciteit’. Gestut door een op 'leed’ en 'redenen van het hart’ gefundeerde 'moraal’, en gedreven door hun jacht op 'compensatie’, weten zij De Oorlog kunstmatig levend te houden.
Van der Heijden krijgt in de Nederlandse pers en academische wereld veel ruimte om zijn visie uit te dragen. In Duitsland, waar de Frankfurter Schule jaren geleden het begrip 'secundair antisemitisme’ introduceerde, en men in het kader van de Historikerstreit de geschiedschrijving van de oorlog systematisch de maat neemt, zou hij al lang als 'revisionist’ zijn weggezet. Maar Van der Heijden past goed in het huidige Nederland. Hij voedt de ruim aanwezige behoefte aan 'normalisering’ en 'nivellering’: iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader.

Grijs verleden
Chris van der Heijden is een levende paradox. Zelf zit hij tot in zijn haarwortels verstrikt in het geschiedbeeld van de Tweede Wereldoorlog en de shoah waarvan hij de dominantie doorlopend bestrijdt. Karakteristiek zijn titel en portee van zijn artikel in Vrij Nederland 'De oorlog is voorgoed voorbij’ (2003). Het vormt een schakel in een reeks publicaties waarin Van der Heijden zich rechtstreeks met de Tweede Wereldoorlog, joden(dom), de shoah en Israël bezighoudt: Grijs verleden (2001), tal van artikelen in Vrij Nederland (1994-2004), Joodse NSB'ers (2006), artikelen over NSB en over Wilders in NRC Handelsblad (2006-2007), Israël: Een onherstelbare vergissing (2008). Zijn boek Grijs verleden sloeg in als een bom en werd zowel bejubeld als verguisd. De openingszinnen vatten de strekking van het boek kort samen: 'Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.'4
Al meteen presenteert Van der Heijden zich als een man met een missie. De oorlog in Nederland was een ellendige tijd, maar vergeleken met veel andere landen viel het mee. Volgens de auteur heeft de oorlog veel te lang als 'een blok beton midden in het vaderlands verleden’ gestaan. De eerste vijftien jaar erna had men in Nederland een relatief nuchtere kijk op die vijf miserabele jaren, zie het geschiedwerk van Abel Herzberg Kroniek der jodenvervolging (1950). In de loop van de jaren zestig kwam daar echter verandering in. Net toen Nederland definitief een modern land leek te worden, begonnen met name Jacques Presser en Loe de Jong 'in woord en beeld aan een herhaling van de oorlog’. Ze schiepen een 'overspannen beeld’ van 'goed’ en 'fout’ in een samenleving die de oorlog als bindmiddel goed kon gebruiken.5
Van der Heijdens allesoverheersende methode om het perspectief van 'goed’ en ’ fout’ open te breken is: nivelleren.6 Zo verklaart hij Seyss-Inquart tot een gevoelig mens vanwege diens voorliefde voor bergen en muziek.7 Nivelleringsstrategie bij uitstek is de hoofdrol die hij 'het toeval, de klungeligheid, de kleinheid’ toebedeelt, zoals in zijn casus over de twee (toekomstige) dichters Andreus en Lucebert. Samen gaan ze op weg om zich aan te melden als vrijwilliger bij het SS Ersatzkommando, maar Lucebert bedenkt zich en haakt af. Volgens Van der Heijden is het oneerlijk dat Andreus wél en Lucebert nooit het etiket 'fout’ opgeplakt kreeg: tussen de mentaliteit van hen beiden was 'nauwelijks of geen verschil’.8
De historicus Hermann von der Dunk stelde hier tegenover dat het wat betreft het vraagstuk van 'schuld’ irrelevant is dat een nazi-leider 'een fijngevoelig muziekminnend mens’ was, net zo min als het van belang was dat misschien in ieder mens een schurk schuilgaat. 'Het komt erop aan of die potentiële schurk ook uit zijn schuilhok te voorschijn komt.’ En men kan 'véél, maar lang niet alles de omstandigheden in de schoenen schuiven’, aldus Von der Dunk.9
Van der Heijden lijkt het cruciale moment van (individuele) keuze en handelen onder het tapijt te willen vegen om uit te komen bij wat hij in dezelfde periode in Vrij Nederland stelt: 'Het toeval bepaalde (…) aan welke kant je bleek te hebben gestaan, toen vijf jaar later de rekening werd opgemaakt.'10 Zo komen uiteindelijk 'daders’, 'omstanders’ en 'slachtoffers’ terecht in een en dezelfde reusachtige terrine gevuld met een grijze, smakeloze soep. Daar drijven allen doelloos rond, nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Makkelijk verteerbaar, dat wel.
Ook het jodendom valt ten prooi aan Van der Heijdens nivelleringsdrift. Grootschalige assimilatie voor de oorlog zorgde ervoor dat het Nederlandse jodendom 'afstevende op een stil uitsterven’. Als voorbeeld dienen de drie geschiedschrijvers Herzberg, Presser en De Jong: 'geassimileerde joden’ voor wie het jodendom 'slechts een symbolische functie’ zou hebben gehad.11 Een - om het bij de eerstgenoemde te houden - absurde karakterisering, alleen al omdat Herzberg van 1934 tot 1939 met verve het voorzitterschap van de Nederlandse Zionistenbond bekleedde. Van der Heijden blijkt de achterhaalde opvatting toegedaan dat slechts de gang naar synagoge of Israël een jood tot authentieke jood maakt. Het is een manier om Herzberg die hij als sleutelfiguur12 in zijn boek opvoert, de rol te verlenen van een universeel denkende ontjoodste joodse wijze. Herzberg fungeert als alibi-jood - als het medicijn waarmee Van der Heijden schuld en boete beheersbaar maakt. In zowel Grijs verleden als in artikelen en interviews boetseert hij Herzberg tot de joods-seculiere God van het Menselijk Tekort. De vraag hoe de joden konden voorkomen dat hun kinderen opnieuw slachtoffer werden, zou Herzberg beantwoord hebben met een wedervraag: 'Hoe kunnen we voorkomen dat onze kinderen beulen worden.'13 Met deze later door tal van journalisten en sprekers dankbaar aangehaalde omkering van slachtoffer en dader sluit Van der Heijden zijn boek af.

Nederlandse Historikerstreit
Grijs verleden vormt, concreet maar ook als metafoor, inzet van een Nederlandse Historikerstreit, met als trefwoorden 'grijs’ en 'moraal’.14 De historicus Hans Blom heeft in zijn inaugurele rede In de ban van goed en fout? (1983) gesteld dat de wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland zich moest ontworstelen aan het keurslijf van een politiek-morele vraagstelling en daarmee aan het perspectief van collaboratie en verzet. Dat zou het mogelijk maken relevante nieuwe thema’s aan te boren: de mentaliteit en beleving van de bevolking tijdens de Duitse bezetting, continuïteit (veeleer dan discontinuïteit) tussen de perioden voor, tijdens en na de oorlog, en internationaal vergelijkend onderzoek.15 In Grijs verleden roemt Van der Heijden Blom als degene die nog een stapje verder dan de historicus Jan Bank is gegaan in het slaan van een 'deukje in het blozend zelfvertrouwen van de vaderlandse cultuur’.16 Hijzelf zou echter met een 'deukje’ geen genoegen nemen.
De historicus Maarten Brands sprak in 2003 zijn waardering uit voor Bloms 'verzet tegen het overheersende manicheïsme van het “goed-fout”-denken’. Hij tekende daar wel bij aan dat Blom hierdoor onbedoeld soms in een gezelschap terecht was gekomen 'waarin hij zich niet erg op zijn gemak kan hebben gevoeld, onder meer van hen die “fout” gedrag graag geëxcuseerd of gebagatelliseerd willen zien’. Onduidelijk bleef wat Blom zelf was gaan beschouwen als 'niet bedoelde effecten van zijn betoog’. Door een waarderende recensie te schrijven over Chris van der Heijdens 'omstreden boek’ Grijs verleden had Blom de verwarring over wat hij destijds precies bedoeld had met zijn goed-fout-denken vergroot.17 Brands waarschuwde tegen moralisering van de geschiedenis, maar evenzeer tegen de 'vergrijzing’ van het geschiedbeeld. Wanneer de ruimte voor grijs zeer breed werd uitgemeten dreigde 'een verschraling, verflauwing of vervlakking van het geschiedbeeld - een morele plebejisering (Bertolt Brecht), een overheersing door de moraal van zogenaamd gewone mensen.’ Morele vragen hoorden nu eenmaal tot de kern van de geschiedschrijving, en konden ook wetenschappelijk worden besproken, zonder dat de auteur zelf voortdurend prijst of veroordeelt.18
In zijn afscheidsrede Een kwart eeuw later: Nog altijd in de ban van goed en fout? (2007) ging Blom op Brands’ kanttekeningen in. Enerzijds stelde hij dat wetenschappelijke historici wel degelijk hun persoonlijke oordelen terug dienden te dringen. Anderzijds was uitsluiting van de 'morele dimensie’ uit het onderzoek naar de twintigste-eeuwse geschiedenis met al haar gewelddadigheid uit den boze. Beide punten werkte hij uit in drie interessante case stories van moord en liquidatie in omstandigheden van concentratiekamp, onderduik en verzet. Zijn conclusie luidde dat een 'eigentijdse appreciatie’ geen recht deed aan de toenmalige complexiteit van de gevallen. 19 Ter relativering van Bloms conclusie moet echter worden opgemerkt dat tegenover de desbetreffende, extreem gecompliceerde cases onnoemelijk veel oorlogssituaties staan die heel wat minder complex zijn als het gaat om het aanwijzen van 'dader’ en 'slachtoffer’. Blom beantwoordde Brands’ vraag naar het waarom van zijn waardering voor Grijs verleden door het boek opnieuw te prijzen, met name Van der Heijdens introductie van het 'doormodderscenario’.20 Daarmee legde hij Brands’ waarschuwing voor de overheersing van 'een moraal van zogenaamd gewone mensen’ naast zich neer.
Voor een deel doet het verschil in benadering tussen Blom en Brands denken aan de controverse die zich heeft afgespeeld tussen de historici Martin Broszat en Saul Friedländer. Broszat leidde vanaf 1973 een grootschalig onderzoeksproject naar het dagelijks leven in Beieren, Bayern in der NS-Zeit, met als resultaat een hele serie publicaties. Dit werk vormde een belangrijke inspiratiebron voor Bloms oratie, onder meer wat betreft zijn pleidooi voor aandacht voor de belevingswereld van de Nederlandse bevolking en de betrekkelijkheid van de breuklijn van mei 1940.21 In 1986 hield Broszat een pleitrede voor de historisering van het nationaal-socialisme. Na veertig jaar was het tijd het politiek-morele framewerk open te gooien en meer aandacht te schenken aan de continuïteit van al bestaande tendensen voor 1933 - zoals Blom dat deed met betrekking tot 1940.22
Friedländer, onder meer bekend van zijn tweedelige studie Nazi-Duitsland en de joden (1998/2007), vocht Broszats ideeën over historisering aan. Een van zijn belangrijkste punten van kritiek was Broszats concept Resistenz: een tussencategorie tussen actief verzet en totaal conformisme, 'a mixture of conformism and nonconformity’. Friedländer wierp de vraag op waar de uiterste grens lag van een dergelijk proces van differentiatie. Leidde het in laatste instantie niet tot empathie voor wie dan ook? Ook bestreed hij Broszats pleidooi om het Derde Rijk, in termen van historische analyse, als ieder ander tijdperk te bestuderen. Volgens Friedländer maakte het specifieke karakter van de nazi-misdaden een afbakening onvermijdelijk: wat eerder in potentie aanwezig was werd toen, en daar, realiteit. In de Weimarrepubliek noch in Engeland of de Verenigde Staten had kennis van eugenetica geleid tot de moord op geesteszieke patiënten.23
In het debat tussen Blom en Brands stond de centrale positie van 'Auschwitz’ in de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog niet ter discussie. Tussen Broszat en Friedländer wel. Pas in retrospectief was 'Auschwitz’ gaan fungeren als de central event van de nazi-periode, aldus Broszat. Dat was volkomen begrijpelijk. Onacceptabel echter was dat men met terugwerkende kracht 'Auschwitz’ tot het scharnier maakte waar alle andere historische gebeurtenissen uit de nazi-periode omheen draaiden.24 Terwijl Broszat benadrukte dat de jodenvervolging zich grotendeels buiten het blikveld van de 'gemiddelde’ Duitser had voltrokken, wees Friedländer op het tegendeel. Recente studies toonden aan dat de Duitsers met name vanwege de holocaust vergelding vreesden: 'It loomed as a hidden but perceived fact in many German minds during the war itself.'25

Nivellering als methode
In Nederland is het Van der Heijden die nu al jaren wrikt aan 'het scharnierpunt oorlog’.26 Daarbij slaat hij een heel andere weg in dan Blom. Juist de shoah benadert hij met een extreem staaltje van nivellering, door deze onvoorstelbaar te verklaren, én te relativeren. De anders zo bloemrijke Van der Heijden komt in Grijs verleden niet verder dan 'de onvoorstelbaarheid van de moord op de joden’, en: 'dat ene onvoorstelbare fenomeen’.27 De term 'onvoorstelbaar’ is minder onschuldig dan hij lijkt. Voor veel Duitsers was na 1945 een abstrahering of derealisering van het nationaal-socialisme de eenvoudigste uitweg uit een confrontatie met het belaste verleden.28 Daarnaast speelt een typering van de moord op de joden - zonder nadere beschrijving, laat staan analyse - als 'onbegrijpelijk’ en 'onvoorstelbaar’ holocaustontkenners in de kaart.29 >
In de tweede plaats probeert Van der Heijden de shoah te relativeren, onder meer in hoe hij omspringt met de vraag die volgens hem te weinig wordt gesteld: 'Is de moord op de joden wel zo uniek als altijd wordt beweerd?’ Bij wijze van een ontkennend antwoord volgt een lange opsomming van massaslachtingen die in de geschiedenis van de mensheid hebben plaatsgevonden: onder de Armeniërs, in Rwanda, in Cambodja, onder het stalinisme, door de sjah, Idi Amin, Khadafi en Mao, en 'de verwoesting van Carthago’.30 Wanneer in het televisieprogramma Buitenhof (2003) het door heel bezet Europa isoleren, samenbrengen en uitmoorden van de joden als 'uniek’ aspect van de shoah wordt aangemerkt, verwijst Van der Heijden naar de 'massamoord’ op de indianen in Zuid-Amerika in de zestiende eeuw.31 Vier jaar later beklaagt hij zich erover dat men bij het ergste altijd weer aan de Tweede Wereldoorlog denkt 'en niet aan recentere en daarom vermoedelijk veelzeggender drama’s als Srebrenica of de Hutu’s en de Tutsi’s’.32
Van der Heijden zou zich moeten hoeden voor dergelijke nauwelijks gereflecteerde vergelijkingen. Deze circuleren ook in extreem-rechtse kringen, bijvoorbeeld op de website van de neonazistische groepering Stormfront, in 1987: 'Laten we hopen dat met het verstrijken van de jaren de holocaust niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis wordt. Net zoals de (bijna-)uitroeiing van Noord- en Zuid-Amerikaanse indianen. Of de verwoesting van Carthago met al zijn inwoners. Of de moord op de Armeniërs door de Turken. De joden en hun aanhangers kunnen hier niet eindeloos mee door blijven gaan. Eens hebben de mensen hun buik vol van het joodse geweeklaag, of zullen ze hun schouders ophalen als de holocaust ter sprake komt.'33
De vraag naar de uniciteit van de holocaust kan men zowel feitelijk als normatief benaderen. Uniek was de holocaust door de systematische en industriële organisatie van de massamoord, en door de nazistische rassenideologie die inhield dat alle joden, van welke leeftijd en waar ter wereld ook, uitgeroeid moesten worden.34 De normatieve benadering die de holocaust claimt als de verschrikkelijkste catastrofe uit de geschiedenis van de mensheid, is weinig zinvol; zij draagt het gevaar in zich van een uitzichtloze strijd om de hoogste plaats in de hiërarchie van het leed.
Van der Heijdens motto dat beeldvorming en geschiedverhaal de oorlog erger hebben gemaakt dan zij was, roept echter onmiddellijk de vraag op: voor wie? Heeft 'het verhaal over de oorlog’ de jodenvervolging soms erger gemaakt dan zij was? Ook wanneer Van der Heijden de opvatting dat de oorlog een breuklijn in de Nederlandse samenleving teweegbracht tot 'mythe’ bestempelt, vergeet hij de joden. Voor alle joodse overlevenden was er per definitie een tijd voor de oorlog, en erna - toen de verliezen ontelbaar waren. De joden en de shoah laten zich moeilijker dan Van der Heijden lief is inpassen in het modderige landschap dat hij zo graag beschrijft. Daarom vergeet hij hen soms, of reduceert hij de shoah tot inhoudsloze termen als de 'meest memorabele’, 'meest ingrijpende gebeurtenis van de Tweede Wereldoorlog’, 'de meest weerzinwekkende daad van de vorige eeuw’, 'het ongeëvenaarde feit waar niemand goed raad mee wist - en nog altijd niet weet’.35
Iedere keer opnieuw blijkt dat Van der Heijden af wil van de herinnering aan de shoah, maar er tegelijkertijd door is geobsedeerd. Die obsessie projecteert hij op 'de Ander’ - op de tegenstanders van Geert Wilders bijvoorbeeld. Die reageren, schrijft hij in Trouw (2007), disproportioneel negatief op Wilders’ gedachtegoed over moslims omdat ze nog steeds de Tweede Wereldoorlog als referentiekader hanteren. 'Bijna elke Nederlander boven de, zeg, veertig is uitgerust met zoiets als een holocaust-obsessie: de moord op de joden is het schrikbeeld bij uitstek.’ Hoewel de term 'gaskamer’ in het officiële integratiedebat nooit valt, is Van der Heijden er scheutig mee. 'Vergelijk de huidige migratiepolitiek met de jaren dertig en de gaskamers doemen op.’ Zolang Wilders binnen de grenzen van de wet blijft, mag hij zeggen en denken wat hij wil, aldus Van der Heijden. 'Elke suggestie dat hij daarmee gaskamers metselt is niet alleen onterecht maar ook contraproductief.'36 Maar de enige die 'gaskamers metselt’, is Van der Heijden.

Revisionisme
In Duitsland zou Van der Heijden al lang in het kamp van de revisionistische historicus Ernst Nolte zijn ingedeeld. De aanvankelijk op het gebied van fascisme-onderzoek zeer gezaghebbende Nolte ontketende de Duitse Historikerstreit met zijn rede Die Vergangenheit die nicht vergehen will. Eine Rede, die geschrieben, aber nicht gehalten werden konnte (1986). In dit betoog - en in later werk, zoals Der europäische Bürgerkrieg 1917-1945 (1987) - nam hij verschillende sterk omstreden standpunten in - waarvan een historicus als Broszat zich overigens zonder meer distantieerde. Nolte verving de uniciteit van de holocaust door een andere uniciteit: alleen voor het Duits nationaal-socialistisch verleden gold dat het maar niet voorbij wilde gaan. Het was de hoogste tijd dat dit verleden in al zijn complexiteit werd blootgelegd, dat 'Schwarz-Weiß-Bilder der kämpfenden Zeitgenossen korrigiert werden, daß frühere Darstellungen einer Revision unterzogen werden’.
Nolte praatte de holocaust niet goed, maar ontdeed deze van zijn antisemitisch fundament. De massamoord op de joden diende geïnterpreteerd te worden als een 'überschießende Reaktion’ op het barbaarse bolsjewisme en op de joden zelf. Deze waren én ruim vertegenwoordigd binnen de sovjet-elite, én hadden, door bij monde van de zionistische leider Chaim Weizmann in 1939 de Engelsen alle steun toe te zeggen, de Duitsers de oorlog verklaard. 'Auschwitz’ was bovendien, behalve een angstreflex, een imitatie van de massamoorden die plaatsvonden in de goelag. De disproportioneel grote aandacht die naar de holocaust uitging - mede verklaarbaar door het disproportioneel hoge aantal joodse 'holocaust-historici’ - leidde af van andere volkerenmoorden: 'gestern in Vietnam und heute in Afghanistan’, en bezorgde de vervolgden en hun nabestaanden 'einem permanenten Status des Herausgehoben- und Privilegiertseins’.37
Hoewel Van der Heijden het in Vrij Nederland in 'Het einde van de historische correctheid’ (2003) terloops voor Nolte opneemt38, beschrijft hij de shoah nergens als een reactie op de goelag. De overeenkomsten zijn echter legio. Ook Nolte relativeerde de holocaust met verwijzing naar de massamoord op de Armeniërs, naar Vietnam, Afghanistan en de uitroeiing van de indianen. Beiden spreken, ieder op eigen wijze, van een ongezonde 'holocaust-obsessie’. Van der Heijdens artikel 'De oorlog is voorgoed voorbij’ ligt in het verlengde van Nolte’s 'Die Vergangenheit die nicht vergehen will’.
In zijn artikel betoogt Van der Heijden dat er een punt achter de oorlog staat, en dat het verband tussen toen en nu (nieuwe oorlogen, een andere wereld) flinterdun is. Toch zijn er mensen 'voor wie die grote oorlog de ervaring is van hun leven (…) en die elke relativering of - wat vaak op hetzelfde neerkomt - 'historisering’ opvatten als een persoonlijke belediging’.39 Van der Heijden acht de begrippen 'relativering’ en 'historisering’ dus min of meer uitwisselbaar. Dat was precies waartegen Saul Friedländer - een van Nolte’s joodse holocaust-historici - waarschuwde: een te ver doorgevoerde historisering kan ertoe leiden dat bij de bestudering van het nationaal-socialisme de focus dusdanig verschuift dat de shoah uit het gezichtsveld verdwijnt.40 Juist deze verschuiving heeft Van der Heijden tot het speerpunt van zijn werk gemaakt.

Secundair antisemitisme
Een manier om de shoah te kunnen relativeren is ook: vraagtekens plaatsen bij de slachtoffers, de joden. Naar dit mechanisme is in Duitsland veel onderzoek gedaan - in Nederland tot nu toe niet of nauwelijks. Sekundärer Antisemitismus is een begrip dat uit de Frankfurter Schule van Theodor Adorno en Max Horkheimer stamt. Bedoeld wordt het antisemitisme na 1945 dat zich niet ondanks maar juist vanwege de holocaust tegen de joden richt. Het zijn immers de joden die, simpelweg door hun aanwezigheid, de pijnlijke herinnering aan 'Auschwitz’ levend houden. Provocerend gezegd: 'De Duitsers zullen de joden Auschwitz nooit vergeven.'41 Het gaat niet meer zozeer om de eigen ervaringen met het verleden, maar om de omgang met het karakter en de gevolgen ervan - vandaar de aanduiding 'secundair’. Joden worden als stoorzender ervaren als het gaat om een 'normalisering’ van het verleden.
Er ontstaat dus een nieuw motief voor vooroordeel en rancune: niet meer herinnerd wensen te worden aan de Duitse misdaden - de shoah in het bijzonder - noch het gevoel willen hebben altijd weer verantwoording af te moeten leggen. Men wil een 'Schlussstrich ziehen’ en de holocaust 'wenigstens geringer dimensioniert und vergleichbarer mit den Untaten anderer sehen’.42 Erinnerungsabwehr en Schlussstrichbedürfnis zijn, hoe typerend ook voor het Duitse taalgebruik, universele begrippen. Het concept secundair antisemitisme is niet alleen van toepassing op Duitsland, maar ook op de rest van Europa waar joden evenzeer de belichaming vormen van de aan hen voltrokken 'Verbrechensgeschichte’.43 In het secundair antisemitisme hechten nieuwe stereotypen als dat van het 'joodse slachtoffer’ dat zich opblaast tot 'morele autoriteit’ zich aan aloude beelden van de wraakzuchtige, op geld en macht beluste joden.44
In zijn poging tot relativering van de shoah, zijn niet-aflatende Schlussstrichbedürfnis, en het stereotiepe beeld dat hij van joden schetst, toont Chris van der Heijden zich een Nederlands voorbeeld van secundair antisemitisme. Zoals de shoah tot een betreurenswaardige abstractie wordt teruggebracht, zijn joden geen mensen van vlees en bloed, maar pionnen in een schaakspel van nivellering waarvan de uitkomst er grof gezegd op neerkomt dat SS'ers best gevoelig kunnen zijn en joden misdadig. Joden als slachtoffers spelen bij Van der Heijden de rol van makke lammeren die zich gedwee naar de slachtbank lieten voeren. Afgezien van de 'onvermijdelijke uitzonderingen’, schrijft hij in Grijs verleden, was dit wat er gebeurde: 'Zoals alle joden zich lieten registreren, zo liet de overgrote meerderheid zich gelaten wegvoeren.'45
Het suggestieve taalgebruik daargelaten is dit een staaltje van regelrechte geschiedvervalsing. Niet voor niets voelden de nazi’s zich gedwongen razzia’s in te stellen: het aantal joden dat zich 'vrijwillig’ na een oproep meldde, bleef ver onder de maat. Nog afgezien van alle dilemma’s die gepaard gingen met de vraag wel of niet onder te duiken, waren er lang niet altijd adressen beschikbaar. Dan waren er nog de joden die naar het buitenland probeerden te ontkomen, zich bij een verzetsgroep aansloten, verraden werden, dan wel zelfmoord pleegden in de meidagen van 1940 of later, nadat ze een oproep voor 'tewerkstelling’ hadden gekregen.46
Maar ook dat laatste redmiddel, zelfmoord, weet Van der Heijden tegen de joden zelf te richten. In het Brabantse Oss, schrijft hij, waren de joden na de capitulatie bang dat het hun niet anders zou vergaan dan in Duitsland. 'Toch pleegde in Oss slechts één jood zelfmoord.'47 Het verst in zijn blaming the victim gaat Van der Heijden met betrekking tot het relatief hoge deportatiepercentage van de Nederlandse joden. Met verwaarlozing van factoren als het ideologisch virulent antisemitisch SS-bezettingsregime, de bevolkingsdichtheid en de perfect doorgevoerde registratie, wijst hij naar het species hollandica judaica als 'de voornaamste oorzaak van het succes van de Duitse uitroeiingspolitiek’. Naar de jood als gehoorzame 'inwoner (…) van een goed geoliede, beschaafde en “gelukkige” samenleving’.48

Uitholling van het joods slachtofferschap
Van der Heijdens aandacht gaat niet uit naar de joden als slachtoffer maar als 'halve’ collaborateurs (Grijs verleden), 'hele’ collaborateurs (Joodse NSB'ers) en naar joden als 'daders’ (Israël: Een onherstelbare vergissing). Dit past in zijn patroon van nivellering en van uitholling van het joodse slachtofferschap. In Grijs verleden beschrijft hij de positie van de joden tijdens de oorlog vanuit het gezichtspunt van de arts Ruben Bollegraaf, voorzitter van de Joodse Raad in Oss, met een joodse gemeenschap van 360 personen. Dat is op zich een respectabele keuze - temeer omdat Bollegraaf op zijn onderduikadres een verslag over de oorlogsjaren schreef. Maar een keuze ís het. Bollegraaf spant zich als arts en als voorzitter van een kleine provinciale Joodse Raad tot het uiterste in voor 'zijn’ mensen, variërend van het organiseren van onderwijs tot en met het opstellen van circulaires over de meest geschikte uitrusting voor 'Polen’. Hij geniet ook vanwege zijn positie het langst bescherming. 'De gedachte’, schrijft Van der Heijden, 'aan opstand of collectief verzet komt geen moment bij hem op.'49 Dat is een gotspe. Met zijn suggestie dat Bollegraaf te naïef of te laf was om in opstand te komen, perst hij uitgerekend zijn hoofdstuk over joden en jodenvervolging in het door hem zo verfoeide korset van 'goed’ en 'fout’.
Van de 'halve’ naar de 'hele’ joodse collaborateur. Joodse NSB'ers: De vergeten geschiedenis van Villa Bouchina in Doetinchem (2006) is een geforceerde poging om de joden de geschiedenis van de NSB in te loodsen. Dat er (weinig) joden lid werden van de NSB - die in haar eerste jaren geen antisemitisch program had - is al door Jacques Presser en Loe de Jong beschreven. Van der Heijden diept het onderwerp niet verder uit, maar beperkt zich tot de smalle casus van het handjevol joodse voormalige NSB'ers dat onder bescherming van Anton Mussert nog geen drie maanden in een villa in Doetinchem bivakkeert, totdat ook zij worden gedeporteerd. Joodse NSB'ers spruit voort uit een dubbele nivelleringsagenda. Niet alleen wil Van der Heijden aantonen dat ook joden 'fout’ konden zijn, minstens zozeer hoopt hij te bewijzen dat de NSB, en speciaal haar leider Mussert, lang niet zo antisemitisch was als verondersteld. Volgens hem is de NSB pas onder druk van de Duitsers antisemitisch geworden.50 In feite waren de partijgelederen op dit punt al meteen verdeeld. Vanaf 1933, twee jaar na de oprichting van de partij, verschenen in het NSB-orgaan Volk en Vaderland artikelen die de joden afschilderden als 'volksvreemd’ en 'parasitair’.51 De officiële partijlijn was aanvankelijk dat er in een toekomstig nationaal-socialistisch Nederland plaats zou zijn voor de jood 'die Nederlandsch denkt, voelt en in wezen Nederlandsch is’. Die opvatting bood, aldus Robin te Slaa en Edwin Klijn in hun recent verschenen studie De NSB (2009), alle ruimte voor een geleidelijke radicalisering: de fundamenten voor het antisemitische karakter van de NSB werden in 1933 gelegd.
Het was Mussert zelf die al in 1932 zei joden 'als landgenoten, niet als volksgenooten’ te beschouwen, en in 1933 waarschuwde dat wanneer linkse joden bleven ageren tegen de NSB, er niets anders opzat dan het antisemitisme te omarmen.52 In 1938 - het jaar dat hij joden verbiedt lid van de NSB te worden - rollen de antisemitische stereotypen Mussert geroutineerd van de lippen: de joden zullen als 'parasieten’ hun bloedgeld verdienen op het Europese slagveld en hun goud verschepen naar New York, 'hoofdstad van het internationale jodendom’.53 Van der Heijdens uitspraak dat de NSB zich nog tot in de oorlog, zij het almaar minder sterk, tegen het antisemitisme verzet heeft, doet dus sterk apologetisch aan.54
Datzelfde geldt voor zijn verdediging van het 'plan-Mussert’. Hierin pleitte de Leider in 1939 voor de vestiging van joden in de Nederlandse kolonie Suriname. Volgens Van der Heijden heeft de maatregel 'met principieel antisemitisme niets te maken’, wel met 'vermeende overbevolking’. Het ging slechts om joden die na 1914 naar Nederland waren gekomen. Sterker nog: hadden politiek en joodse gemeenschap het plan maar serieus genomen, 'er zouden velen zijn gespaard’.55 Niet principieel antisemitisch? Daarmee maakt Van der Heijden eenzelfde onderscheid tussen Nederlandse en 'buitenlandse’ joden als Mussert deed. Zijn plan, aldus Mussert, was slechts bedoeld voor 'het internationale jodendom, dat hier de baas wil spelen, dat ons volk gebruiken wil voor zijn belangen’.56 Joodse NSB'ers is, kortom, weinig meer dan een mislukte poging tot rehabilitatie van Mussert als miskend jodenredder.
De overgang naar de jood als 'dader'57 tekent zich af wanneer Van der Heijden een parallel trekt tussen het plan-Mussert en het plan een joodse staat te stichten.58 Zij mondt uit in het boek Israël: Een onherstelbare vergissing (2008). De ambigue titel schept bewust verwarring. 'Moet iedere geschiedenis die in het heden slachtoffers maakt, voortaan de ondertitel “een onherstelbare vergissing” krijgen?’ vraagt historica Amanda Kluveld zich af.59 Kritische reflectie op de ontstaansgeschiedenis van Israël is volstrekt legitiem, maar Van der Heijden schrijft een politiek pamflet met historisch-literaire pretenties. Dat hij uitgerekend in het gezelschap van de controversiële pro-Palestina activiste Gretta Duisenberg een bezoek aan Israël en de bezette gebieden bracht, vermeldt hij niet - Duisenberg wel.60
Het valt Van der Heijden zwaar te erkennen dat de holocaust een grote rol gespeeld heeft bij de totstandkoming van Israël. Eigenlijk, zo suggereert hij in het voorlaatste hoofdstuk van Israël: Een onherstelbare vergissing, was de oprichting van de joodse staat destijds overbodig: 'Op het moment dat Israël werd gesticht had de shoah immers al plaatsgevonden.'61 Zo bagatelliseert hij de impact van de shoah waar het de oprichting van Israël betreft. Opnieuw citeert hij Abel Herzberg, nu wanneer hij, impliciet, een vergelijking trekt tussen shoah en nakba (de catastrofe zoals die zich in 1948 voor de Palestijnen heeft voltrokken). Herzbergs uitspraak dat 'er geen zes miljoen joden vermoord zijn maar één jood en dat zes miljoen keer’ gebruikt hij als commentaar op de moorddadige verkrachting van een jonge Bedoeïenenvrouw door Israëlische soldaten in 1949. Meer dan een dergelijk individueel verhaal is eigenlijk niet nodig, schrijft Van der Heijden, het onthult een systeem.62

Het onvermogen te rouwen
Chris van der Heijden voelt zich misdeeld door de geschiedenis. Neem nu de joden. Voordat de nazi’s het jodendom tot zondebok maakten, noteert hij, wist men buiten Amsterdam nauwelijks dat het bestond. Pas halverwege de twintigste eeuw raakten ze 'in het centrum van de belangstelling’.63 Na de verschijning van Grijs verleden onthult Van der Heijden dat hij zoon is van een vader die in actieve dienst was bij de Waffen-SS.64 In Israël: Een onherstelbare vergissing voert hij deze achtergrond op als legitieme drijfveer voor zijn kritiek op Israël. Hij lijkt, schrijft hij, zwak te staan als 'kind van ouders die tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de nazi’s hebben gekozen’. Maar daar staat tegenover dat Israël niet alleen 'het probleem van de joden’ is, maar als brandhaard van internationale spanning 'het probleem van ons allen’. Bovendien behoort hij als lid van de groep 'daders met hun kinderen’ juist tot de meest betrokkenen. Vanaf kind heeft hij immers al over de oorlog gelezen en geschreven, en telkens geprobeerd te begrijpen wat er waarom verkeerd is gegaan.65 Verklaart Van der Heijden hier het 'daderschap’ van zijn vader tot meerwaarde, elders toont hij zijn rancune. Wanneer heel Nederland op 4 en 5 mei rouwde en feestte, werd in de 'foute’ gezinnen gezwegen en verbeten. 'Daar mocht men niet rouwen, daar mocht men niet feesten, daar had men zelfs niet of nauwelijks bestaansrecht.'66
Precies dit verschijnsel, Die Unfähigkeit zu trauern, is door Alexander en Margaretha Mitscherlich uitgewerkt. Hun gelijknamige studie (1967) had betrekking op het Duitse onvermogen zich los te maken van de identificatie met het nationaal-socialisme. Men kan slechts rouwen om wie men heeft liefgehad, en om te kunnen herdenken moet men eerst hebben gerouwd. Hoe kan men als (kind van) 'daders’ rouwen om diegenen die slachtoffer zijn geworden van het eigen collectief, de eigen ouders?67 Het familiegeheugen ('Familiengedächtnis’), stelt de sociaal-psycholoog Harald Welzer, is de primaire bron van het historisch bewustzijn. In veel Duitse gezinnen werd na de oorlog een beeld van het nationaal-socialistisch verleden doorgegeven waarin de shoah slechts voorkwam als 'beiläufig thematisiertes Nebenereignis’.68 Het ligt voor de hand dat dit patroon ook terug te vinden zal zijn in kringen van Nederlandse voormalige NSB'ers en SS'ers en hun nakomelingen.
Intussen is Van der Heijden al lang geen buitenstaander meer. Zijn 'grijze’ geschiedbeeld heeft in Nederland veel instemming en navolging gekregen. Het is echter de hoogste tijd zijn werk te relateren aan revisionistische tendensen in de (Duitse) geschiedschrijving, en de codes van het secundair antisemitisme te kraken.

Evelien Gans is bijzonder hoogleraar hedendaags jodendom, zijn geschiedenis en zijn cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is als onderzoeker verbonden aan het Niod en publiceerde onder andere Gojse nijd & joods narcisme (1994) en het eerste deel van de dubbelbiografie Jaap en Ischa Meijer: Een joodse geschiedenis 1912-1956. Zij schrijft met regelmaat over antisemitisme en de functie van (anti-joodse) stereotypen. Onlangs accepteerde de NWO haar onderzoeksproject The Dynamics of Contemporary Antisemitism in a Globalising Context

Klik hier voor de noten.