Essay Archipel Nederland

Iedereen een eigen eiland

Nederland kenmerkt zich niet meer door eenheid, maar door verscheidenheid. Er is geen gedeelde moraal meer en iedereen vlucht naar zijn eigen eilandje. Zeg me uw postcode en ik zal u zeggen wat u stemt.

NEDERLAND IS NIET LANGER ÉÉN NATIE. Nederland lijkt, zowel geografisch en sociaal als mentaal, steeds meer op een archipel. Archipel betekent een zee waarin een groot aantal eilanden niet ver van elkaar verwijderd ligt. Archipel betekent ook die eilanden zelf. Of er nog een nationale zee is die al deze nieuwe eilandjes omstuwt en verbindt, is steeds meer de vraag.
Wie de historische landkaarten van Nederland over elkaar legt, ziet een duizelingwekkende vloeistofprojectie: kustlijnen veranderden, eilandjes verdwenen onder de zeespiegel en na vloedgolven werden hele happen grond van het ‘vaste land’ weggeslagen.
De Nederlandse identiteit is altijd opgehangen aan twee succesvolle gevechten, die tegen Spanje en die tegen het water. Maar het beeld van 'De Opstand’ 'vergruist’, dat wil zeggen: de opstand wordt steeds minder als een heroïsche, natie stichtende strijd gezien en steeds meer als een eindeloze serie lokale burgeroorlogen. Het Rampjaar 1672 maakt hier ook deel van uit: 'het volk redeloos, de regering radeloos, de natie reddeloos’. De moorden op Fortuyn en Van Gogh waren verfijnde acties vergeleken bij de lynchpartij op de gebroeders De Witt, op 'het groene zootje’ op het Haagse Buitenhof. Van raadspensionaris Johan de Witt werden uit woede zelfs zijn geslachtsdelen opgegeten.
Het 'polderen’ was toen al eeuwen aan de gang en zou nog eeuwen doorgaan. Die tot eendracht nopende strijd wordt terecht als de kiem gezien van onze democratie, van ons begrip voor burgerlijkheid en van ons conformisme, noodzakelijk tegenover de onvoorspelbare natuurkrachten die het lot van de Lage Landen altijd hebben bepaald. Of er nu klassenstrijd heerste of verzuiling, de ingenieurs werkten verder aan de fysieke eenwording en inrichting van het land.
Die tijd van Leeghwater tot Lely ligt ver achter ons. Na het besluit van het kabinet-Den Uyl om de inpoldering van de Markerwaard te 'heroverwegen’ stierf deze een trage dood. Het besluit van het laatste kabinet-Balkenende om de Zeeuwse Hedwigepolder weer onder water te laten lopen duidde erop dat zelfs voor 'de Zeeuw’ bij uitstek er een einde was gekomen aan de nationale mythe dat Nederland één omdijkte polder was.
De kern van de sociaal-culturele ontwikkelingen in deze 21ste eeuw is niet langer eenheid, maar verscheidenheid. Maar om te voorkomen dat de zucht naar het koesterende, afgrenzende water eindigt in het lot van het wrakhout op het strand zoekt de mens mentaal zijn eigen eilandje. En als dat eigen eilandje niet letterlijk binnen bereik ligt, kun je het rond je eigen huis proberen, met schotten en schuttingen, met een eigen lifestyle. Niet het kosmopolitisme of het nieuwe regentendom of het boze antwoord hierop van 'het populisme’ kenmerkt deze tijd - die obsessie met dat populisme is zó jaren nul - maar de hang naar afzondering, soms zelfs permanente segregatie, en bovenal naar 'soevereiniteit in eigen kring’. In zowel verticale als horizontale richting drijven de Nederlanders uit elkaar, deels ongemerkt door de ontwikkelingen in de hoogtechnologische economie, deels bewust door de almaar urgenter lijkende noodzaak zich te onderscheiden van 'de ander’.
Rij in een woonwerkfile de stad uit of in en je ziet: misschien wel driekwart van de auto’s is een middenklasser en is zwart of grijs. Dat waren in de tijd dat 'de gewone man’ zijn eerste auto kocht, in de jaren zestig, wegens al die mist en regen en die vroege duisternis in de winter 'gevaarlijke kleuren’. Rij een Vinex-wijk in en je ziet dezelfde comfortabele gelijkvormigheid. Kijk daar de huiskamers in en het beeld is Ikea en Mediamarkt, Klippan en flatscreen. Maar dat is alles uiterlijk conformisme. In deze geglobaliseerde wereld wordt alles hetzelfde en neemt van de weeromstuit de behoefte om anders te zijn navenant toe. Dat is niet alleen McWorld vs Jihad, zoals Benjamin Barber in 1995 de strijd noemde tussen globalisering en gemeenschappelijke controle van het politieke proces enerzijds en de traditie, vaak in de vorm van nationalisme of religieuze orthodoxie anderzijds. Ook in dat grijze conformistische midden neemt de behoefte aan nieuw onderscheid toe.

DE VROEGERE ARTS-PSYCHIATER en hoogleraar conflictpsychologie J.H. van den Berg was een vurig pleitbezorger van 'de leer der veranderingen’, die hij metabletica noemde. De kern van zijn boek uit 1956 was dat als je gelijktijdig optredende, ongelijksoortige verschijnselen in samenhang beschouwt, je meer zicht krijgt op het menselijk bestaan en de geschiedenis. Een van zijn conclusies beschreef hij in Leven in meervoud (1963) en die behelsde het 'meervoudige groepslidmaatschap’. In het steeds brokkeliger wordende systeem van normen, groepsbindingen en beroepsplichten en arbeidsdeling was het bestaan gespleten geraakt. De 'moderne mens’ werd, aldus Van den Berg, gedwongen gelijktijdig op verschillende niveaus te leven, en dat kan tot verwarring en frustratie leiden. Marx noemde dit ruim een eeuw eerder 'vervreemding’.
Als we nu om ons heen kijken, en omhoog en omlaag, dan is het beeld caleidoscopisch, zeker op een zonnige dag als iedereen buiten uitbundig bezig is met het doen van zijn hoogst particuliere 'ding’. Als je langer kijkt zie je misschien minder duizelingwekkende verscheidenheid. Dan kun je de natie zien als de bekende Rubik-kubus. Elk zijvlak bestaat uit drie rijen van elk drie blokjes, met verschillende kleuren. De bedoeling is de rijen zo te draaien dat alle zes vlakken dezelfde kleur hebben. Zo zouden we kunnen zeggen dat in de huidige maatschappij met enig draaiwerk af en toe toch egale vlakken te zien zijn. Zoals oranje bij Koninginnedag of het WK. En dat het ingenieuze draaimechanisme in dat ding zelf eigenlijk onze Verzorgingsstaat is die al die verscheidenheid en vrijheid mogelijk maakt.
Bij al die grote ontwikkelingen - van oorlog en revolutie tot ongekende sociale mobiliteit en massawelvaart - gaat het om de verhouding tussen vrijheid en binding. Het probleem van de menselijke vrijheid werd in de afgelopen eeuw het belangrijkste probleem. Cultuurhistoricus P.J. Bouman zag in zijn boek Cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw (1977) slechts drie mogelijke reacties op dat probleem van de vrijheid: '1. determinisme, aanvaarding van het onvermijdelijke - met vlagen van wanhoop of opstandigheid; 2. het uit de weg gaan van veel problematiek door maximale aanpassing aan veranderende levensomstandigheden; 3. op geloof berustend vertrouwen in mogelijkheden voor de mens’.
Het is minder gemakkelijk dan het lijkt om deze drie reacties te periodiseren voor de tijd sinds 1945 tot nu. Het is al jaren bon ton om de '68-generatie de schuld te geven van alles wat er sindsdien in Nederland is misgegaan, met name als het om de 'doorgeschoten individualisering’ en de komst van de multiculturele samenleving gaat. Frits Bolkestein maakte er sinds de jaren negentig zijn levenswerk van, en zijn 'tovenaarsleerlingen’ Geert Wilders en Martin Bosma zetten zijn kruistocht voort tegen 'de linkse kerk’ en 'de Amsterdamse grachtengordel’. Hun grote klacht: de babyboomers werden een elite die het pluche bereikte en daar bleef plakken, maar altijd bleef doen alsof men nog steeds die rebel uit de jaren zestig was. Ook als ze intussen al lang de nieuwe conservatieve beweging voor Recht en Orde zijn geworden, met De Grondwet, De Rechtsstaat, huisregels overal en allerlei buurtverboden voor 'vulgaire feestvierders’ op het eigen Museumplein.
Niet alleen rechtse politici leggen de schuld van het doorgeschoten individualisme bij die generatie van 1968. Dat doen ook Frits Spangenberg en Martijn Lampert van het veelgevraagde bureau Motivaction in hun boek uit 2009, De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. Daarin staan de twee jongste generaties en hun opvoeders en opleiders centraal: de 'grenzeloze generatie’, geboren na 1986 en veelal opgevoed door de 'verloren generatie’, en de 'pragmatische generatie’, geboren in de periode 1971-1986 en veelal opgevoed door de 'protestgeneratie’. Met dit boek willen zij het taboe op het debat over de jeugd doorbreken, al beseffen ze dat het niet populair zal worden. Immers, het 'móet kunnen’ en het 'het moet wel leuk blijven’ domineren nog altijd het denken van veel babyboomers. Hun kritische blik wordt bevestigd door de cultuurpessimist die ze voor de inleiding uitnodigden: de Britse arts-schrijver Theodore Dalrymple. Hij vatte de conclusies van al dat Motivaction-onderzoek in één zin samen: 'De onstuitbare opmars van zelfingenomenheid in Nederland.’ Hij ziet vooral hedonisme, radicaal individualisme, egoïsme en verval der zeden, maar acht het onwaarschijnlijk dat de tijd komt 'dat iedereen de Napoleon van zijn eigen wereldje zal zijn’. Sterker, hij zag tekenen van verzet tegen het excessieve individualisme. Ouders die hun kinderen naar strengere scholen in België sturen bijvoorbeeld.
Alle huidige aandacht voor - beter: obsessie met - 'het populisme’ is zo onvruchtbaar omdat zowel 'de elites’ als 'het gewone volk’ gedreven worden door hetzelfde conservatisme. De elites zijn sinds circa 1980 in toenemende mate overtuigd van de noodzaak van het bestrijden van De opstand der horden, naar het destijds in Nederland immens populaire boek van José Ortega y Gasset uit 1933. Die 'angst voor de massa’ is misschien wel een wezenskenmerk van de houding van álle elites in Nederland in de twintigste eeuw: Bolland, Huizinga, Cals, P.J. Bouman (Revolutie der eenzamen, 1953), slechts voor enkele decennia onderbroken door de volgens James Kennedy 'meebuigende elites’ na 1945, wegens de noodzaak van modernisering van het vernielde en onveilig gebleken land. In het afgelopen decennium was er immers nauwelijks sprake van 'meebuigende elites’, althans niet van de zelfbenoemde intellectuele en culturele elites. Zij tierden over het 'populisme’ en de 'onderbuikgevoelens’ van die van 'ressentiment’ vervulde 'gewone man’ tegen alles wat naar establishment ruikt. Dat gemakzuchtige gepraat over het 'populisme’ miskent het idee dat zowel 'de gewone man’ als 'de elites’ in opstand zijn tegen iets wat hun is of wordt afgenomen.
Het boek van Albert Camus uit 1951, L'Homme révolté, geeft aan wat je onder opstand kunt verstaan. Slechts enkele zinnen volstaan. 'De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Hij komt, soms, in opstand. 'Wat is een mens in opstand? Een mens die nee zegt.’ 'Ik kom in opstand, dus wij zijn.’
Ressentiment is heel iets anders. Dat is door Max Scheler in 1912 gedefinieerd als 'zelfvergiftiging, een schadelijke afscheiding van aanhoudende machteloosheid, in een gesloten vat’, gekleurd door afgunst op wat je niet hebt. Camus schrijft: 'Ressentiment is altijd ressentiment tegen zichzelf. De opstandige daarentegen weigert in zijn eerste impuls dat men raakt aan wat hij is. Hij strijdt voor de integriteit van een deel van zijn wezen.’ De opstandige eist dus niet alleen het goede op dat hij niet bezit of dat hem misschien is onthouden, 'hij streeft naar erkenning voor iets wat hij bezit, en waarvan hij zelf in bijna alle gevallen al heeft erkend dat het belangrijker is dan alles waar hij afgunstig op zou kunnen zijn’. Camus’ conclusie: 'De opstand lijkt negatief omdat hij niets schept, maar is door en door positief omdat hij getuigt van wat er in de mens altijd verdedigd moet worden.’
'Het volk’ en 'de elites’ willen dus allebei in hoofdzaak behouden wat ze hebben. Voor de elites is het nieuwe, en onthutsende, dat ze van twéé kanten worden belaagd. Van voren worden ze ronduit uitgelachen en uitgejouwd door de getatoeëerde medemens. Maar van achteren worden ze aangevallen door de globaliserende concurrentie-economie waarin ze zelf 'als kosmopoliet’ zo zeggen te geloven. Het resultaat is dat volk én elite hun toevlucht nemen tot het verbieden van alles wat in hun kraam te pas komt. De elite wil een verbod op roken, op ongezond leven, op 'benzineslurpers’, op niet-gescheiden afval, op 'verruwing van het taalgebruik’. Het volk wil meer banen, 'dús minder buitenlanders’, minder overlast in de eigen multiculturele straat, enzovoort. En aangezien er geen landelijke consensus meer is over tolerantie en burgerlijke vrijheden vlucht iedereen weg, op zoek naar zijn eigen eilandje waar de eigen groep de eigen normen nog wel dwingend kan opleggen.
Terwijl de wetenschappers Jan Latten en Mark Bovens al lang de sociaal-culturele segregatie aanwezen, toonden de twee verkiezingen van 2010 - voor gemeenteraad en Tweede Kamer - aan dat de Nederlanders nu kiezen volgens het postcodemodel: 'Zeg me uw postcode en ik zal u zeggen wat u stemt.’ Electoraal, maar ook praktisch, is Nederland al een archipel geworden. De universiteitssteden Utrecht, Wageningen, Delft, Amsterdam-Centrum zijn linkse enclaves geworden. De buitenwijken, de slaapsteden en de perifere gebieden zijn voor Geert Wilders.

WAT MIJ ALS HISTORICUS tegenstaat in de verkettering van 'de generatie van '68’ is dat deze te gemakkelijk is. Waarom? Omdat de Sixties Generation niet met een ruimtesonde op aarde is neergedaald maar een reactie was op de tijd ervoor. Wie dus die generatie als grote boosdoener aanwijst, zou ook enige aandacht dienen te schenken aan de twee decennia die eraan voorafgingen, de tijd waarin de babyboomers werden geboren, tussen 1945 en 1955.
Ik zou daarin 'De Ramp’ centraal willen stellen, 1953, misschien niet toevallig ook het jaar waarin ik zelf geboren ben, in een van de oudste IJsselmeerpolders. Vóór 1953 was Nederland een somber, verdeeld land. De Ramp was de doorbraak van de gedachte dat we toch één waren. Voor 1953 hadden we als natie slechts chosen trauma’s: depressie, oorlog, het verlies van Indië. Na 1953 kregen we de chosen glory van 'de eendracht van het land’, in de strijd tegen het water deze keer. Daarna kwam het opgewekte vooruitgangsgeloof dat alles mogelijk was in onze polder.
Zoals die polder waar ik werd geboren eind jaren vijftig 'af’ was, zo ligt het sleutelwoord in de verklaring voor die vermaledijde '68-generatie toen en het rumoerige, angstige heden in de gedachte dat het ingepolderde, verkavelde en keurig ingerichte Nederland 'af’ was. Die gedachte was op twee momenten in de naoorlogse geschiedenis dominant: rond 1960 en rond 2000, tijdens de paarse kabinetten. Een 'af’ land is voor een levenslustige jeugd niet te harden en maakt de mensen die de eigen omgeving en belevingswereld alleen maar slechter zien worden boos. In de jaren zestig was het de ludieke levenslust die domineerde, nu zijn het het hedonisme én de boosheid. Beide periodes van 'opstand’ werden gevolgd door intense campagnes van puritanisme, toen Van Agts Ethisch Réveil, nu een Kamerbreed conservatisme.
Historisch gesproken zijn grote crises nodig om überhaupt de boel in beweging te krijgen, andere denkwijzen salonfähig te maken. De Ramp van 1953 was er zo een. De Ramp van 2002, Pim Fortuyn geheten, zou de andere worden.
Laten we eens bezien hoe 'de elite’ in 1952 dacht over De tijd waarin wij leven, zoals het dubbelnummer van het literair-politieke vrijzinnige 'professorenblad’ De Gids luidde. Het was somberheid troef. Niet alleen de jeugd was 'zonder hoop voor de toekomst van het vaderland’, ook premier Willem Drees was uitermate somber gestemd. Twee wereldoorlogen, dictaturen, mensenmoord, 'vernietiging van de middenstand’, geldontwaarding en Koude Oorlog hadden voor het grote publiek het vooroorlogse 'pessimistische levensgevoel’ van Spengler en Huizinga naderbij gebracht. Volgens Fred L. Polak was de 'algemene stemming thans beneden nul’. Iedereen was bezeten door angst. Of dit nu kwam door opnieuw dreigende armoede, de nucleaire Apocalyps of het teveel aan welvaart en vrije tijd, het resultaat was escapisme. De massa - David Riesmans The Lonely Crowd was in 1950 verschenen en werd veel geciteerd - was uit angst voor eenzaamheid en verveling van eigen innerlijkheid losgeslagen en afhankelijk geraakt van de ander om die onstilbare leegte te vullen. En dus vervloog en vervluchtigde de tijd. Een van de eerste bundels van H.J.A. Hofland, uit 1955, luidde dan ook Geen tijd: 'Onze tijd is bezeten door een enorme haast. Wij rennen als windhonden achter een kunsthaas aan.’
Natuurlijk, vanaf Julius Caesar en Tacitus was de Nederlandse volksaard omschreven als: zin voor orde, behoefte aan veiligheid, huiselijkheid, afkeer van het extreme in ieder opzicht. Dat was na 1945 misschien nog steeds zo, maar de zeven jaren sindsdien waren teleurstellend verlopen. Het besef van nationale verbondenheid was even snel vervaagd als de regionale, sociale, godsdienstige en politieke verschillen weer opspeelden. Van de gehoopte 'doorbraak’ naar het nationale was niets terechtgekomen. Op 5 mei 1952 herdacht de KRO alleen 'de gevallenen in het katholiek verzet’, bijvoorbeeld.
En 'het humeur’ van het volk? Lethargie. Nou ja, de zin voor orde was er nog altijd, maar die ging lijnrecht in tegen de zin voor persoonlijke onafhankelijkheid, aldus H.W. van Tricht in een hoofdstuk over ons 'volkskarakter’. 'Bij al die maatregelen waarmee de staat ons verzorgt - of verwent - komen onze zin voor vreedzame veiligheid in het gevlij, maar verstikken onze zin voor de waarde en vrijheid der persoonlijkheid.’ Als dit zo bleef zou er een wijziging van het volkskarakter te voorzien zijn, 'en wel ten kwade. Dan gaat de pit eruit’. Nederland was voor hem anno 1952 een schuur vol 'makke schapen’, waarin voor het oorspronkelijke, het eigengereide, het zelfstandige geen plaats meer was.
Drees probeerde in zijn slotbeschouwing de moed er nog in te houden. De productie was hersteld, zelfs vijftig procent hoger dan voor de oorlog. Maar ons land was 'geestelijk sterk gespleten’, en vooral veel te klein, dus de op gang gekomen emigratie naar landen als Canada en Australië bood hier uitkomst: 'Het is noodzakelijk en het is goed.’ Drees wilde dat er zo veel mogelijk Nederlanders emigreerden, wat ook gebeurde. In 1952 waren dat er 55.000, een topjaar. Dit betekende, aldus Drees, 'niet een te betreuren verlies, maar een zegen voor het volk’.

EN TOEN KWAM IN DE NACHT van 31 januari op 1 februari 1953 de vloedgolf over Zeeland. De dag erop opende De Telegraaf met koeienletters: 'Een der grootste natuurrampen sedert mensenheugenis heeft ons vaderland op verbijsterende wijze getroffen. Begeleid door loeiend orkaangeweld is de heroïeke kracht van het water - Neerlands eeuwige vriend, maar ook vijand - zaterdagnacht als een monster uit de ketenen geslagen.’ De overstroming van Zeeland en West-Brabant was onmiddellijk een 'nationale ramp’. En hulp kwam uit heel het land, uit heel de wereld.
De Zeeuwen waren verguld met die hulp, en vooral met de snelle komst van de nationale symbolen bij uitstek - koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard - maar zij zagen het toch in eerste instantie als een Zeeuwse ramp. Het Deltaplan dat dit 'achtergebleven boerenland’ op Nederland zou aansluiten versterkte de onvrede. Maar er was geen redden meer aan, Zeeland werd op het nationale net aangesloten, zoals door de wegenaanleg ook Brabant en Limburg spoedig alleen nog met carnaval gesloten werelden zouden zijn.
Deltaplan, infrastructuur en de televisie maakten van Nederland één land, zelfs één praatgemeenschap. In elk geval kon iedereen hetzelfde zien, en - in de Daffodil - overal naartoe, uit en thuis op één dag: Madurodam als toenmalig Nationaal Historisch Museum, de Efteling ter ontspanning en de Keukenhof voor de bewondering en nationale trots. De jaren vijftig zijn niet dat 'saaie’ decennium, maar een decennium van vooruitgang en optimisme, althans bij de grote, zich emanciperende massa.
Nog geen tien jaar na dat nummer van De Gids was de stemming dan ook geheel anders. 'Nederland was af’, dat was de boodschap van de bundel Drift en koers over een halve eeuw sociale verandering in Nederland. Aan die bundel werkten alle sociologen en economen van naam mee: Den Hollander, Van Doorn, Pen, Verwey-Jonker en vele anderen. Een interessant hoofdstuk was afkomstig van P. Thoenes, getiteld De nieuwe elite, die voor hem bestond uit diegenen die 'de Verzorgingsstaat’ beheerden en stuurden. 'Het lijkt alsof de huidige gemeenschap over de wil en de middelen beschikt om in diverse sectoren het leed op efficiënte wijze uit te bannen.’ Een van de merkwaardigste eigenschappen van deze Verzorgingsstaat achtte Thoenes 'haar voltooidheid’.
In de verzorgingsstaat 'bestaat er politiek geen avontuur meer, de periode van kiellegging en tewaterlating en van een mogelijk intermezzo in de wilde vaart is voorbij, er is nu een keurige lijndienst, die haar best doet de passagiers alle service te geven, die het schip van staat te bieden heeft’. De vormgevers van die verzorgingsstaat muntten uit 'door minutieuze weloverwogenheid’. 'De apparaatszorg stuwt hen in de richting van beleidscontinuïteit, technische perfectionering, regulering en routinisering.’ Kortom, ondanks wereldoorlogen en koloniale onttakeling hebben we 'een nieuwe wereld geschapen, met een welvaart, een vrede en zekerheid als nooit te voren!?’
Deze nieuwe elite was er rond 1960 kortom van overtuigd 'dat het maatschappelijk bestel een beheersbaare zaak is’. Ook de toekomst was dat. Om dat te zien hoefde je maar naar het Evoluon te reizen in Eindhoven, of - als eerste buitenlandreisje - helemaal naar Brussel, naar het Atomium. In 1960 was Nederland af.
Beroemd is de kop boven het hoofdartikel in Le Monde aan de vooravond van 'Mei '68’: 'La France s'ennuie’: Frankrijk verveelt zich. Dat was zo, en dat bleek de volgende dag. Maar dat was in Nederland al vanaf het einde van de jaren vijftig het geval. En nog geen jaar na de publicatie van Drift en koers werd vooral de nieuwe drift duidelijk: antimilitaristische demonstraties, daarna de doodsangst van de Cubacrisis en aansluitend de opluchting en de hysterische euforie van Open het Dorp, een jaar later weer de 'doffe dreun’ van de moord op Kennedy en in 1964 voeren de Beatles langs gillende meisjes door de Amsterdamse grachten en braken Stones-fans het Kurhaus af. Pas daarná kwamen de Provo’s spelen in de nieuwe zandbak, door de aardgasbel in Slochteren intussen ook nog van vloerverwarming voorzien, ludiek ruzie makend over de vorm van de wipkip en waar nu weer eens een happening zou worden gehouden.

TIJDENS DE PAARSE KABINETTEN van PVDA, VVD en D66 (1994-2002) klonk het wederom: Nederland is 'af’, en volgens Harry Mulisch werd het land eindelijk geregeerd door een echt 'grotestadskabinet’. Er hoefde alleen nog een homohuwelijk te komen, en de euthanasie moest gelegaliseerd, en dat laatste stukje infrastructuur aangelegd, 'de digitale snelweg’ gedoopt. Links en rechts waren het eens, het land was één, rijk en welvarend.
Toen kwam De Opstand van Fortuyn. De babyboomelites reageerden als burgemeester Van Hall en politiechef Van der Molen in 1965 op Provo. Niet met knuppels deze keer maar met de verfijndere methode van de oeroude zondeboktheorie. De Franse godsdienstfilosoof René Girard heeft de afgelopen decennia een hele kring van gelovigen rond zich verzameld die deze zondebokfunctie aan de hedendaagse maatschappijen heeft aangepast. De kern is imitatie. Die is goed bij het leren, maar slecht als het gaat om het verlangen. Geïmiteerd verlangen is een bron van conflict, en als de gelijkheid groter wordt, wordt dat 'mimetische verlangen’ ondraaglijk en breekt er geweld uit om de rust te herstellen. Dat gebeurt via het zondebokmechanisme, zoals Leviticus dat al leerde.
Fortuyn, Hirsi Ali en Van Gogh werden gedood of verbannen, Wilders wordt permanent beschermd om niet hetzelfde lot te ondergaan. Het nieuwe in Archipel Nederland is dat het zondebokmechanisme uit het eerste decennium niet meer werkt. Waarom niet? Omdat na het 'mensenoffer’ van die drie ordeverstoorders de rust is weergekeerd. De huidige macht van Wilders kan wellicht verklaard worden met de theorie dat er nog wel veel mensen tégen deze 'geblondeerde Mozart’ zijn, maar dat zijn conservatisme intussen door velen wordt gedeeld. De nieuwe zondebok is voor bijna iedereen dezelfde: overtreding van de zedelijke moraal. De golf van puritanisme, die begon met de uitbraak van aids in de jaren tachtig, is misschien wel de zee die onze archipel verbindt. Of het nu gaat om bonussen, DSK of de pedofiele priesters: van links tot rechts wordt geroepen dat ze de gevangenis in moeten. De overheid spreekt ook simpelweg van 'comazuipers’ en 'verkeershufters’.
De morele verharding duidt erop dat er nu een permanent onderhuids gevoel van crisis heerst. Er is geen strijd om de macht, maar om de boel in eigen kring op orde te houden. In tijden van crisis wordt doorgaans getracht de identiteit van de groep te bewaken, de toegepaste rituelen zijn meestal op angst gebaseerd. De doelen zijn het versterken van de groepscohesie, het uitvergroten van kleine verschillen - Freuds 'narcisme van het kleine verschil’ - en het opwerpen van psychologische of echte grenzen, zoals slagbomen en 'meer blauw op straat’.
Al deze sociale en geografische mechanismen zien wij nu om ons heen. De periferie toont zich weer bewust anders dan 'die Randstad’, binnen de steden leeft men wel durcheinander maar slaagt men er wonderwel in langs elkaar heen te skaten. En een Fukushima noch een EHEC-bacterie slaagt erin een crisisgevoel los te weken dat opnieuw tot eenheid zou kunnen leiden. Het feit dat het rechtse kabinet-Rutte er nog steeds zit, bewijst dat de mensen het niet zo oneens zijn met die bezuinigingen, die strengheid, dat zedelijke puritanisme, en vooral met Rutte’s toch onsmakelijk overkomende uitroep: 'We geven Nederland weer terug aan de Nederlanders.’
Dat Nederland is niet één Nederland. Dat Nederland is een archipel. En zo herstellen we, in elk geval mentaal, het oude koloniale rijk. De vraag is of het een 'sieraad van smaragd’ zal worden of een spaghetti van vechtende groepjes, uit op elk een stukje eiland.