Het leven is vergelijken

Iedereen een salon!

Gefortuneerd, maar met een socialistisch hart – dat is lastig. Waarom zou ik m’n best doen, ik heb al gewonnen. Boeken schrijven, de kunstenaar uithangen, leven als een negentiende-eeuwse nietsnut, waarom nog vechten? Dáárom. De wereld is volledig ingericht om door bevoorrechte motherfuckers als ik te worden uitgewoond. Waarom zou ik m’n best doen, ik heb al gewonnen. Ik ben de blanke dochter uit Imitation of Life.

Lora Meredith: I want to achieve something! Something you can never understand.

Steve Archer: What you’re after isn’t real. What you’re after is just a –

Lora Meredith: At least I’m after something!

***

Mijn grootvader (1905-1988) schijnt zijn rijbewijs te hebben gehaald ergens op een verlaten weg tussen de bomen buiten Düsseldorf. Het verhaal gaat dat hij maar een kort stuk hoefde af te leggen, dat hij vooral zichzelf moest zijn en dat dat al meer dan voldoende was als bewijs voor rijvaardigheid.

Dan een verhaal over mijn grootmoeder (1903-1997). Op een dag, vroeg in de jaren dertig, luierde mijn grootmoeder wat in bad toen een klop op de deur klonk. Ze gaf het dienstmeisje toestemming om binnen te komen, omdat ze wist waarvoor ze kwam. Met een samenzweerderige glimlach trok het dienstmeisje een envelop te voorschijn uit haar schort. Mijn grootmoeder, die altijd rookte, zal ook nu hebben gerookt, zittend in het warme badwater, terwijl ze de brief van haar aanbidder, mijn grootvader, doornam. Het landhuis in Engeland waar dit zich allemaal afspeelde was door haar vader zelf ontworpen.

Autorijden in de Weimarrepubliek, dienstmeisjes, landhuizen, afkomst en privileges.

Mijn grootvader heb ik tot mijn dertiende meegemaakt. Af en toe beschrijf ik hem aan vrienden, als de charmeur en levensgenieter die hij was, de man die tot zijn tachtigste onverstoord zijn yoga beoefende tussen alle badgasten op zijn vaste Italiaanse strand. In mijn herinneringen zit ik naast hem in een taxi, de eerste waar ik ooit in heb gezeten, naast hem op een terras terwijl ik eindelijk durf te drinken van mijn chocolade frappé. Ik zie hem ouwehoeren met vrienden die allemaal ouder lijken dan hij, een man die zijn tanden bloot lacht, maar ook kan zwijgen en broeden, opeens iets bijtends kan roepen tijdens het diner. Hij heeft de stem van mijn vader gekregen. Het is niet ondenkbaar dat ik hem langzaam verander in een romanfiguur.

Bewuster heb ik mijn grootmoeder meegemaakt. Ze overleed toen ik 22 was en ik mis haar nog altijd. In haar laatste jaren zaten we wel eens samen op haar sofa in haar flat in Den Haag en keuvelden wat, half in het Nederlands, half in het Engels. Voordat we naar het restaurant gingen, wilde ze altijd nog even een glas vermout, een sigaretje. Sommige van haar boeken staan in mijn kast. Ik vind het ongelooflijk dat er geen foto bestaat waar zij en ik alleen op staan.

Mijn grootouders waren echte twintigste-eeuwers, niet alleen omdat ze die eeuw praktisch hebben uitgelopen, maar ook omdat ze zonder geschiedenis wilden leven. Na hun Tweede Wereldoorlog was het afgelopen met de koophuizen, de tradities, de donkerhouten erfstukken en andere verzwaringen en belemmeringen. Mijn grootvader was geen opvolger, had al vroeg zijn plaats aan de directietafel opgegeven. Hij nam genoegen met de naam en het geld, die altijd genoeg zouden zijn voor een onafhankelijk en onbezorgd leven, voor sportauto’s en vakantiehuizen, voor mooie kleren en muziek. Wanneer mijn grootvader een restaurant betrad, keek hij niet op de menukaart, maar vertelde hij de ober wat hij wilde eten. Zelden heb ik hem of mijn grootmoeder over ‘vroeger’ horen spreken. Meerdere keren in hun leven zijn ze, bijvoorbeeld, geëmigreerd, maar wat ik daarvan uit hun monden heb vernomen past op enkele ansichtkaarten. En de oorlog, tja, het was oorlog. Na hun dood arriveerde af en toe post bij mijn ouders van vage Duitse of Engelse verwanten, die van familiegeschiedenissen bleken te weten waar wij nog nooit van hadden gehoord. Mijn Engelse overgrootvader was de eerste in zijn bloedlijn zonder titel. Hij kon zijn genen terugvolgen tot Edward III (1312-1377). He was in many ways a conventional king whose main interest was warfare.

Tot zo ver de halve waarheid.

Wie je links en rechts van je vindt, of boven en onder je, bepalen de waarde die je toekent aan je eigen rang en stand
***

Imitation of Life (1959) is een van die hoogglanzende, volwassen melodrama’s die Hollywood niet meer maakt. Het verhaal, naar een gelijknamige roman van de nu vrijwel vergeten Fannie Hurst, gaat over een alleenstaande moeder, Lora Meredith (Lana Turner), die wil doorbreken als actrice op Broadway. De opvoeding van haar dochter laat zich maar moeilijk met audities combineren, maar op een dag ontmoet ze op het strand van Coney Island een andere alleenstaande moeder, Annie Johnson (Juanita Moore), ‘a colored woman’, die zich aanbiedt als huishoudster. Lora slaat het aanbod aanvankelijk af, maar zodra ze beseft dat Annie en haar dochter dakloos zijn, neemt ze hen in huis. Annie’s dochter, en daar zit het donkere hart van het drama, is blank (‘her father was almost white’).

De regisseur, een Duitse emigré genaamd Detlef Sierck die al gauw na aankomst in de Verenigde Staten in 1941 zijn naam veranderde in Douglas Sirk, weet de gepolijste decors en mise-en-scène te verenigen met een nietsontziend verhaal over kleur en ambitie. Zijn film trekt bittere conclusies over de smet van zwart in het Amerika van de jaren veertig en vijftig. Lora wordt uiteindelijk rijk en beroemd, haar dochter mooi en beloftevol, maar Annie’s dochter, hoewel aantrekkelijk, stuit keer op keer op de muren die haar afkomst opwerpt. Alleen door te breken met haar moeder en een nieuwe identiteit aan te nemen, kan ze het leven leiden dat haar huidskleur haar belooft.

Sirk en zijn scenarioschrijvers Eleanore Griffin en Allan Scott maken van deze blanke dochter een vervelend, moederhatend wicht. De sympathie van de kijker moet duidelijk richting de bijna heilige zwarte moeder, die steeds pijnlijker geconfronteerd wordt met de schaamte en afkeer van haar dochter. Zoals de meer opmerkelijke films uit het oeuvre van Sirk levert ook Imitation of Life kritiek op contemporaine sociale mores. De dochter verbeeldt de extraverte, extreme kanten van blanke haat en vrees, een slimme manier om de ‘gewone’ blanke personages scherper te schetsen. De destructieve kracht van hun gedrag zit in de vanzelfsprekende omgang met de natuurwet van the color line. Gras is groen, water is nat en zwarten staan lager op de menselijke ladder.

Toen ik de film laatst zag, kon ik de blanke dochter af en toe wel slaan. Het bleken slagen die voor mijzelf waren bedoeld. Want hoezeer ik ook meeging met de intentie van de makers, ik voelde ook iets anders voor de verbeten vluchtpogingen van de dochter. Sympathie. Begrip. Ik besefte dat de film een leliewit publiek in gedachten had. Ik voelde me betrapt, had de film met ‘donkere’ ogen gekeken. Zoals elk goed kunstwerk gaat Imitation of Life niet over mij en tegelijk over niemand anders. Een confronterende ervaring, met moeite heb ik de film uitgekeken.

***

Zoals elk mens heb ik vier grootouders. Toch, wanneer ik het over ‘mijn grootouders’ heb, bedoel ik de Duitse Dandy en zijn Engelse Lady, de ouders van mijn vader, die met hem in het familiegraf in Den Haag liggen. Zij zijn de grootouders die we op zondagen bezochten. Ze leken weliswaar weinig op de opa’s en oma’s van de kinderen uit mijn klas, maar ze hadden wel gewoon een kleurentelevisie, boter, kaas en eieren in de ijskast en een kerstboom in december. Als kind had ik nooit het probleem dat ik verschillende grootouderparen hoefde te onderscheiden, ik had er maar één.

De precieze geboortedata van mijn Indonesische grootouders ken ik niet. Mijn moeder heeft een vermoeden van hun geboortejaren, maar zeker weten doet ze het niet. Het koloniale administratieve apparaat kwam zelden in actie bij geboortes van inlanders. Mijn moeder zelf is hoogstwaarschijnlijk in 1944 geboren, in Surakarta, ook wel Solo genaamd, op Midden-Java. Van de spaarzame verhalen van mijn moeder over haar jeugd herinner ik me vooral dat ze als kind haar haren met as waste en op haar dertiende, na de dood van haar moeder, met school moest stoppen om op de markt te gaan werken.

Mijn Indonesische grootvader beoefende geen vast ambacht, maar werk was voor hem wat vinnen zijn voor een vis. Hij pakte alles aan, werkte op het land, vervoerde eten en bouwmaterialen, probeerde te verkopen wat hij vond. Hij kon zijn eigen naam schrijven, vertelde mijn moeder mij eens. Zijn vrouw schraapte tot haar vroege overlijden het eten bij elkaar. Ze kreeg zeven kinderen waarvan er vier volwassen werden. Van mijn grootmoeder bestaan geen foto’s. Haar graf is decennia geleden geruimd, ze komt alleen nog voor in de dromen van mijn moeder en haar laatste zuster.

Van mijn grootvader zijn er wel foto’s, enkele daarvan heb ik zelf gemaakt. Drie keer heb ik hem ontmoet, de laatste keer overwon ik mijn schroom en gebaarde of ik hem mocht fotograferen. Een indrukwekkende man, te lang en fors voor een Indonesiër, kalm en sterk, hij bewoog traag maar behoedzaam. Mijn karige kennis van het Bahasa Indonesia was niet voorbereid op het Javaans dat hij alleen maar sprak. Ik heb geen woord direct met hem kunnen wisselen.

Mijn moeder werkte in het pension waar mijn vader een kamer had toen hij in Jakarta correspondent was voor dagblad Het Vrije Volk. Vaak trof hij haar slapend aan bij de poort, na een van zijn late tochten door de stad. Wat zou hij tegen haar hebben gezegd, die dronken, doorwaakte nachten? Stond ze hem vriendelijk te woord, drong er nog wel iets door in haar door slaaptekort benevelde gedachten? Een ongelijke situatie, denk ik nu, om daarna meteen met denken te stoppen.

Wanneer een gefortuneerd mens een rationelere verdeling van middelen bepleit, is hij hypocriet
***

Het leven is vergelijken. Dat zeg ik geregeld wanneer ik een discussie wil beslechten. Een dooddoener wellicht, maar ook de kortste weg naar de relativering van het absolute karakter van de werkelijkheid. ‘De kinderen in Afrika, die hebben honger!’ Nu vind ik niet dat alles maar gerelativeerd moet worden, maar er schuilt meer berusting in het besef dat positionering in sociaal verband sterk afhangt van omgevingsinvloeden. Met andere woorden, wie je links en rechts van je vindt, of boven en onder je, bepalen de waarde die je toekent aan je eigen rang en stand. In De rijdende rechter staan burgers nooit tegenover een bankier, politicus of multinational, maar vrijwel altijd tegenover een buur.

Met wie vergelijk je jezelf voor je gevoelens van (on)geluk? Welke kant kies je? Mijn sociaal wijd uiteenlopende achtergrond heeft mij vele cadeaus toegeworpen waarmee ik de antwoorden op deze vragen comfortabel richting mijn veilige zones kan manoeuvreren om ze tegelijk ongemakkelijk van me weg te duwen. Kijk ik naar de kampongs van Solo, dan loop ik al veertig jaar over met goud geplaveide straten. Kijk ik naar het huis met meer dan twintig kamers waar mijn grootvader is opgegroeid, dan ben ik de berooide kunstenaar die zijn leven en dat van zijn gezin opoffert voor zoiets onrendabels als literatuur. Het probleem is alleen dat ik niet zelf lijk te mogen kiezen.

***

Ik herinner me een interview met Henk van Os en zijn zoon Pieter. Het gesprek gaat over generatieverschillen, over de samenleving en veranderende inzichten en op een gegeven moment beschuldigt de zoon zijn vader, oud-directeur van het Rijksmuseum, van salonsocialisme. De oudere Van Os antwoordt hierop: ‘Hoera, iedereen een salon!’

Enige tijd geleden was ik te gast in het Vlaamse praatprogramma Reyers laat. Ik was de derde gast die gaandeweg de uitzending aanschoof. Aan tafel zaten naast de presentator Kathleen Cools de miljardair Marc Coucke en Isabel Albers, hoofdredacteur van de Vlaamse zakenkrant De Tijd. Coucke had onlangs zijn beursgenoteerde bedrijf Omega Pharma, inclusief alle schulden, voor 3,6 miljard euro verkocht aan het Amerikaanse Perrigo. Over de meerwaarde, 1,45 miljard, hoefde hij geen belasting te betalen.

Coucke moet de rijkste volksheld zijn die ik ooit de hand heb geschud. In Nederland is hij een onbekende figuur, ik wist niets van zijn sponsoring van wielrenners, van zijn voorzitterschap van voetbalclub KV Oostende, van zijn overwinning in MasterChef. Ik ontmoette een mollige man met een vogelstem die zich vlak voor de uitzending excuseerde om nog gauw even ‘de laatste druppels eruit te drukken’. Later aan de talkshowtafel speelde hij de rol van consciëntieuze ondernemer en beschuldigde hij de ‘inefficiënte overheid’ ervan dat hij zich zo makkelijk kon verrijken. Hij zag ook dat de ‘mensen die het echt moeilijk hebben’ onder de crisis leden, maar dat zou niet worden verlicht door ‘zo eenmalig een belastingske te doen’. In Isabel Albers had hij een nuttige secondant, ze noemde België ‘wereldrecordhouder belastingdruk’ en waarschuwde voor het ‘verjagen’ van vermogen.

Makers van dit soort praatprogramma’s hopen altijd dat er na de verplichte nummers een soort tafelgesprek ontstaat. Ik keek uit naar het moment dat ik niet meer over mijn boek hoefde te praten.

Zo’n anderhalf jaar geleden besloot ik om mijn verlangens naar een rechtvaardiger samenleving meer theoretische basis te geven. Ik ontdekte de linkse Brits-Amerikaanse uitgeverij Verso Books en ik begon met bestellen en lezen. Karl Marx. Voor een verjaardag had ik ooit Das Kapital gevraagd, maar Marx kwam voor mij pas werkelijk tot leven toen ik op een exemplaar van Het communistisch manifest stuitte op een van de volle tafels in de Oudemanhuispoort. Een pittig document, het roept op tot revolutie, tot geweld. Voldoende verouderd om te kunnen relativeren, maar nog meer dan actueel genoeg om de bedoelde woede op te roepen. Ik was gegrepen, te veel zinnen trof ik om allemaal te onderstrepen. De tekst vermengt vurige redelijkheid met even vlammende halsstarrigheid, alleen wanhoop zou zoiets kunnen smeden, een branie die ik niet kende en waar mijn worstelende gedachten naar zochten. ‘In de plaats van de oude burgerlijke maatschappij met haar klassen en klassentegenstellingen treedt een associatie, waarin de vrije ontwikkeling van ieder de voorwaarde is voor de vrije ontwikkeling van allen.’ Dergelijke zinnen vind ik buitengewoon ontroerend.

Ik kreeg mijn kans om Marc Coucke van repliek te dienen. Maar voordat ik hieraan toe kwam, moest ik blijkbaar eerst worden geïdentificeerd. Presentator Kathleen Cools sprak mij toe alsof ze een troefkaart speelde: ‘Het ondernemerschap zit u in het bloed, want u bent de achterkleinzoon van…’ Mijn achternaam, maar toch niet mijn achternaam. De vraag, en haar implicatie, had mij opeens naast Coucke geplaatst in plaats van tegenover hem. Ik heb nog mijn best gedaan, gezegd dat Coucke een fortuin had vergaard door met ‘papieren werkelijkheden te schuiven’, ik noemde het basisinkomen, verdedigde de ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’. Achter mij op de beeldschermen verscheen meer dan levensgroot het iconische hoofd van Karl Marx.

Tijdens en na de uitzending werd Coucke op Twitter op het schild gehesen. Over mijn vijftien minuten waren weinigen even positief. @SamvanRooy1: ‘Mooi dat Marc #Coucke schrijver #Peek even uitlegde wat #marxisme voor hem in de praktijk zou betekenen. #reyerslaat.’ En @alert_blijven verwoordde waar ik al voor vreesde: ‘Linkse sympathieën voorschrijven met je zakken vol geld, het blijft verbazen. Gustaaf Peek in #reyerslaat.’

Wie mag wat zeggen? Wanneer een onvermogend persoon zich uitspreekt voor nivellering wordt hij ervan beschuldigd afgunstig van hard werkende mensen te willen stelen. Wanneer een gefortuneerd mens een rationelere verdeling van middelen bepleit, is hij hypocriet.

De wereld is volledig ingericht om door bevoorrechte motherfuckers als ik te worden uitgewoond

Ben ik een salonsocialist? Ben ik werkelijk bereid om mijn bourgeoisbestaan op te geven voor ‘de vrije ontwikkeling van allen’? Hoera, allemaal een salon! Ik wil het roepen met dezelfde vrolijke onverstoorbaarheid als Henk van Os. Maar ik aarzel, lang genoeg om mezelf teleur te stellen.

***

Het gezin waarin ik opgroeide kon tot mijn dertiende levensjaar niet welvarend worden genoemd. Lower middle class, zo heb ik die periode ooit eens omschreven in een interview. Als mijn vader niet was overleden, zou hij daar nu nog boos over zijn. Maar zo was het. Een gezin van vijf in een klein, goedkoop huis in een goedkoop en klein dorp. Mijn vader werkte voor de lokale krant, mijn moeder voedde mij en mijn broers, hielp ons in onze goedkope kleren. Na een slepend en slopend arbeidsconflict raakte mijn vader in de ziektewet. Zo rond mijn negende belandde ons gezin dan in de bijstand. Vier jaar later stierf mijn grootvader en golden de oude regels van zuinigheid en behoedzaamheid ineens niet meer.

Ik heb veel uit te leggen aan mijn dochter. Ze heeft donkerblond haar, overigens. Blauwe ogen.

***

Want waar hebben we het over? Ik ben als man geboren in een samenleving die haar patriarchale grondvesten nog lang niet heeft vervangen door iets vrouwelijkers. In een land dat nog altijd rijk is, met een van de beter werkende rechtsstaten. Ik ben hoger opgeleid, kan sociaal verkeer analyseren, doorgrond marktmechanieken, overheidsdocumenten. Vererving heeft me een basisinkomen bezorgd, me tot een nuttige handlanger van het kapitalisme gemaakt. De wereld is volledig ingericht om door bevoorrechte motherfuckers als ik te worden uitgewoond. Waarom zou ik m’n best doen, ik heb al gewonnen. Boeken schrijven, de kunstenaar uithangen, leven als een negentiende-eeuwse nietsnut, waarom nog vechten?

Het meest dwingende thema van Imitation of Life is uiteindelijk niet racisme, maar ambitie. Geen van de personages ontsnapt aan de koorts en niemand slaat acht op de offers. De actrice bereikt alles wat ze beoogt, maar is een vreemde voor haar dochter en elke kans op een betekenisvolle romantische relatie kapt ze af. Ambitie voor haar is het uitbuiten van persoonlijke kwaliteiten en het vinden van de juiste personen (alleen mannen) die haar honger een steeds gloedvoller podium kunnen bieden. Haar verleden, haar achtergrond is van geen belang, zonder het gewicht ervan kan ze door haar knappe gezicht en haar talent en haar voortdurende beschikbaarheid voor haar werk steeds hoger klimmen.

De blanke dochter met de zwarte moeder heeft die luxe niet. Haar leven is een aanhoudende ontsnapping, ze is alleen maar bezig met wie ze niet wil zijn. De blanke personages die haar omringen beschouwen haar als zwart, alsof haar huidskleur slechts een poederlaag is. Ik geloofde die distinctie tussen blank en blank-blank onmiddellijk. Wie zou niet aan die machteloosheid willen ontkomen? Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze jonge vrouw eindigt als een wat ranzige showgirl, elk beroep in de blanke wereld is een overwinning voor haar.

Mijn moeder is mijn vader naar Nederland gevolgd. De twee kinderen van haar eerste huwelijk liet ze achter bij een van haar zusters. Ze heeft mijn vader overleefd, is de rijke dame geworden van haar oude buurt.

Mijn ouders, hun ongelijkheid, de onoverbrugbaarheid van hun achtergronden heeft mij tot leven gewekt, grootgebracht. Ik ben de blanke dochter. Net als zij heb ik geprobeerd alleen de welgevallige aspecten van mijn persoonlijke geschiedenis in te zetten voor mijn ambities. Net als zij ben ik bang voor onwelkome verhalen uit een onbeheersbaar verleden, wil ik onkenbaar blijven. Net als zij snak ik naar de vanzelfsprekendheid die ik om me heen denk te zien.

Een leven zonder verleden, het leek het paradijs. Maar het is genoeg. Alleen een dwaas schaamt zich voor wat hij toch nooit meer kan veranderen. Ik, die altijd dacht dat hij kon kiezen, heb geen keus. Ik moet mij laten claimen, door licht en donker, geld en genen. Te lang heb ik me verscholen, mijn egoïsme met zelfbescherming verward.

‘Revolution is a form of love’, een citaat van Henri Cartier-Bresson, oudste zoon van een rijke textielfabrikant en oprichter van het Magnum-fotoagentschap dat al zeven decennia zo veel mogelijk mensen de pijnplekken op aarde wil tonen, de ruimte voor mededogen. Geen geslaagd leven zonder zelfcorrectie. Het verlangen de samenleving humaner te maken is zijn eigen recht. Het resultaat zal tellen. Ik leef met een opdracht en een diepe menselijke schuld.


Gustaaf Peek is schrijver. Zijn meest recente roman Godin, held is genomineerd voor de Libris Literatuurprijs