Conservatisme De denktank van Wilders

Iedereen in bed met de islam

Geert Wilders is deel van een internationaal netwerk van politici, academici, lobbyisten en bloggers die regelmatig bijeenkomen en praten over de oprukkende islam. Wilders schaart zich achter de extreemsten.

‘DEZE STAD IS DE HOOFDSTAD van de bedreigde democratie’, zei Geert Wilders op 18 december vorig jaar in Jeruzalem: ‘Dit kleine landje ligt op de breuklijn van de jihad, net als Kasjmir, Kosovo, de Filippijnen, zuidelijk Thailand, Darfoer en Soedan, Libanon en Atjeh in Indonesië. Israël houdt de islamitische opmars tegen, net zoals West-Berlijn tijdens de Koude Oorlog. Het incasseert de slagen die voor ons allemaal bedoeld zijn. De islamitische oorlog tegen Israël is de oorlog tegen het Westen, tegen ons allen. Vandaag de dag loopt de frontlijn van de jihad niet alleen door de straten van Tel Aviv en Haifa maar ook door de straten van Londen, Madrid en zelfs Amsterdam. De jihad is onze gemeenschappelijke vijand.’
Wilders sprak op een conferentie met de titel Facing Jihad. De bijeenkomst was georganiseerd door de extreem-rechtse afgevaardigde in de Knesset Arjeh Eldad, die naar eigen zeggen Wilders had uitgenodigd ‘omdat hij een dappere man is die hardop durft te zeggen dat de islam een moorddadige religie is, en zelfs in Israël is dat zeldzaam’. Wilders is een goede bekende in rechtse Israëlische kringen en onderhoudt contacten met politici als Ariel Sharon en Avigdor Lieberman. Zelfs in die kringen staat Eldad alleen met zijn opvatting dat Arabieren geen ‘werkelijk menselijke wezens’ zijn. Niettemin wist hij prominente academici als de Amerikaanse historicus Daniel Pipes en de Israëlische politicoloog David Bukay als sprekers voor zijn conferentie te strikken.
Dankzij mensen als Eldad is Wilders in de afgelopen jaren opgenomen in een internationaal netwerk van politici, academici, lobbyisten en bloggers die regelmatig bij elkaar komen om van gedachten te wisselen over hun gezamenlijke obsessie: de oprukkende islam. In oktober 2007 was Eldad op zijn beurt te gast geweest op de manifestatie CounterJihad Brussels, samen met de Israëlische lobbyist bij de Verenigde Naties David Littman, Filip Dewinter van het Vlaams Belang (voorheen Vlaams Blok), de theoloog, blogger en auteur van anti-islamitische boeken Robert Spencer, de Nederlandse arabist Hans Jansen en last but not least Littmans echtgenote Bat Ye’or, die de laatste jaren bekendheid verwierf met haar boek Eurabië (2007). Het jaar daarvoor hadden ze elkaar allemaal getroffen op de Pim Fortuyn Memorial Conference on Islam, door de Fortuynstichting georganiseerd in het Haagse Kamergebouw.
Behalve in Israël en Europa ontmoeten ze elkaar in de Verenigde Staten bij denktanks als het Hudson Institute en het American Enterprise Institute en op manifestaties van extreem-rechtse websites. Daarnaast halen ze ook nog eens geld voor elkaar op via websites en stichtingen. De PVV mag dan geen eigen wetenschappelijk bureau hebben, de leider beschikt dus wel degelijk over een eigen denktank. Aan dit netwerk ontleent hij zijn politieke inspiratie en zijn ideeën over de islam. Zijn opvatting dat de islam in essentie antidemocratisch is en zijn bewering dat er een Europees-Arabische samenzwering bestaat om Europa te ‘islamiseren’ vind je terug in de publicaties en toespraken van de leden. Lang niet alle betrokkenen delen overigens die essentialistische idee van de islam of de samenzweringstheorie. Wat hen bindt is verontrusting over de groeiende invloed en toenemende gewelddadigheid van islamistische groeperingen en stromingen in de wereld, tegen een achtergrond van westerse decadentie en gebrek aan wilskracht.
In de onlangs verschenen bundel Eindstrijd (uitgeverij Van Praag) staan ze voor het eerst in het Nederlands bij elkaar – rijp en groen, de gerespecteerde arabist Bernard Lewis naast de blogger Robert Spencer en de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur naast de voormalige hoofdredacteur van het katholieke familieblad Manna, Mat Herben, die zich na zijn kortstondige politieke carrière heeft ontwikkeld tot amateur-historicus van de islam. Het boek laat vooral duidelijk zien welk een hemelsbreed verschil er bestaat tussen de geschriften van een Bat Ye’or, Hans Jansen of Geert Wilders en de genuanceerdere, meer academische benadering van Lewis of Cliteur. De laatsten laten zich niet verleiden tot zwart-witdenken over de islam en analyseren de wereld niet in termen van een permanente burgeroorlog. Zij signaleren liever het gevaar dat het islamisme betekent voor zowel de westerse wereld als voor de islam zelf.
Cliteur wijst de gedachte van een ‘botsing van beschavingen’ af. In zijn optiek is er veeleer sprake van een ideologische strijd binnen de islam zelf, waarvan zowel moderne oosterse en westerse democratieën als de modernistische stromingen binnen de islam het slachtoffer dreigen te worden. Zijn remedie is ook niet een verbod op de koran als ware het een handvest van een islamitische vijfde colonne in ons werelddeel, maar vrije discussie: ‘Als men wil voorkomen dat godsdiensten ontaarden in rigide en fundamentalistische vormen, dan is het nodig dat zij kunnen worden bekritiseerd. Helaas wordt die kritiek voorzover het de islam betreft bijzonder bemoeilijkt door politieke correctheid en de dreiging van geweld.’
Cliteur heeft gelijk dat veel westerlingen ‘lauw en apathisch’ reageren en vaak het slachtoffer (Rushdie, Hirsi Ali, Wafa Sultan) de schuld geven omdat het ‘contraproductief’ bezig is en geweld ‘over zichzelf afroept’. We moeten de islam openlijk en hard kritiseren, meent hij; alleen zo helpen we de achterlijkste, meest gewelddadige vormen van fundamentalisme te doorbreken. Dat is een eerlijk, duidelijk en rechtsstatelijk te verdedigen standpunt, in tegenstelling tot de samenzweringstheorieën en deportatieplannen die sommige andere leden van het netwerk uitventen. Ook Lewis vervalt niet in essentialisme of oproepen tot het sluiten van grenzen en deportatie van moslims. Wel meent hij dat een ‘fanatieke en vastbesloten minderheid van islamieten’ een ‘offensief tegen Europa’ heeft ingezet met geweld en migratie als voornaamste middelen en dat Europa hierop politiek en geestelijk slecht voorbereid is. Dat is ernstig genoeg, ook zonder dat we ons hoeven buigen over een complot met honderdduizend tentakels.
Hier tegenover staat een Robert Spencer, die meent dat er niet zoiets als een ‘gematigde islam’ bestaat: ‘Ik betwijfel niet dat er reusachtig veel moslims zijn die democratische idealen aanhangen, maar het idee dat deze idealen “echt islamitisch” zouden zijn doet voos aan.’ Omdat de heilige boeken van deze godsdienst zulke idealen uitsluiten, sluiten hun verdedigers zichzelf per definitie buiten de islam, aldus Spencer. In islamitische landen en binnen islamitische kringen in het Westen verspelen ze daarmee hun legitimiteit, burgerrecht of zelfs bestaansrecht. Het zwakke punt in dit essentialisme is natuurlijk dat het net als de eerste de beste fundamentalist hecht aan de letter van de zogenaamde openbaring en deze niet vatbaar acht voor moderne herinterpretatie. De film Fitna hanteert hetzelfde principe: door louter foute ideeën aan de islam toe te schrijven, wordt de islam vanzelf het epistemisch vuilnisvat voor alles wat fout is.
Eindstrijd bevat ook de nodige bijdragen waarin wordt gesteld dat Europa wordt ‘overspoeld’ respectievelijk ‘ingenomen’ door islamistische migranten. Ook al vormen de laatsten slechts een twintigste deel van de Europese bevolking en ontplooien extremistische islamitische organisaties hooguit een zekere hindermacht, toch is het voor de auteurs kennelijk vijf voor twaalf. De jonge Britse denktankdirecteur Douglas Murray meent – overigens net als paus Benedictus XII en wijlen schrijfster Oriana Fallaci – dat Europa zich uit gebrek aan innerlijke overtuiging bij voorbaat gewonnen geeft: ‘Hoe komt het dat het liberale Westen keer op keer in zijn schulp kruipt voor het geweld, de intimidatie en de moorddadigheid van de islam? Doordat onze West-Europese samenlevingen te weinig wilskracht vertonen, te moe en te gedegenereerd zijn om besluitvaardig op te treden.’

TE MIDDEN van de hier verzamelde auteurs, toch al geen lachebekjes, spant er een de kroon waar het gaat om geschiedvervalsing en cultuurpessimisme. Littmans vrouw Bat Ye’or verkondigt zonder blikken of blozen dat er sinds de late jaren zestig een ‘Eurabische’ samenzwering bestaat, voorbereid en uitgevoerd door de bestuurlijke elite van Europa en gericht op de totstandkoming van een ‘mediterraans rijk’ van Europese en Arabische staten op basis van de islam. In Eurabië tracht zij die theorie aannemelijk te maken. Over getuigen à charge beschikt ze niet en bronnen binnen de Europese instellingen of politieke partijen heeft ze niet aangesproken. Het enige ‘bewijs’ dat ze voor haar stelling aanvoert is een nietszeggend vriendschapsverdragje dat de Europese Gemeenschap in 1975 sloot met de Arabische staten. Daaruit maakt schrijfster op dat de Europese politici in ruil voor olie en vrijwaring van terroristische aanslagen beloofden voortaan onbeperkt Arabische immigranten toe te laten en in de toekomst politieke en culturele sleutelposten op het continent door islamieten te laten bezetten.
Het is pijnlijk maar onvermijdelijk dat haar werk in de Israëlische krant Ha’aretz de bijnaam ‘protocollen van de Wijzen van Brussel’ kreeg toebedeeld. Het is pijnlijk gezien haar voorgeschiedenis. Bat Ye’or betekent ‘dochter van de Nijl’ en is de schuilnaam van Giselle Orebi, die omdat zij joods is in 1957 uit haar geboorteland Egypte werd verdreven. Na haar huwelijk met Littman vestigde zij zich bij hem in Zwitserland. Zij is niet als historica opgeleid en haar publicaties over dhimmi (‘onderworpenen’, het Arabische woord voor niet-islamitische onderdanen) en over Arabisch Andalusië werden in vakkringen niet serieus genomen. Haar late doorbraak dankt ze aan het feit dat ze via Littman deel uitmaakt van het genoemde netwerk van publicisten en propagandisten. En het is onvermijdelijk omdat de schrijfster zich de oudste propagandawet heeft eigengemaakt: kleine leugens worden niet geloofd, grote leugens wel, mits ze vaak en hard genoeg herhaald worden.
Haar gebrek aan bronnen verklaart zij uit het feit dat iedereen in het complot zit: ‘Het beleid was alomvattend – het betrof de binnenlandse, Europese en buitenlandse politiek van alle lidstaten en werd gecoördineerd door de Europese Commissie. Europese diplomaten en ministers van Buitenlandse Zaken werkten daarin om beurten samen met hun Arabische collega’s en de secretaris-generaal van de Arabische Liga.’ Hetzelfde geldt voor alle vooraanstaande particuliere Europese burgers en organisaties. Zo hebben volgens schrijfster de Europese kerken hun band met het jodendom verbroken uit ‘wraak’ voor de moord op Christus. Na 11 september 2001 ‘stemden de protestantse kerken voor een boycot van alle bedrijven die werkzaam waren in de Hebreeuwse staat. Eurabië sloot Israël van de wereld af met een economisch en cultureel apartheidsbeleid.’ Welnee. Alleen enkele christelijke hulporganisaties (zoals het Britse Christian Aid) riepen op tot een boycot, en dan nog alleen van westerse bedrijven die actief aan de Israëlische bezettingspolitiek bijdragen zoals McDonald’s, dat geld geeft aan het extremistische Jewish United Fund. De enige protestantse kerk die een boycot van Israël serieus heeft overwogen is geen Europese; het is de Amerikaanse presbyteriaanse synode. De welingelichte lezer zal zulke tomeloze overdrijvingen vanzelf doorprikken, maar iemand als Geert Wilders bouwt erop voort.

ONDANKS HET FEIT dat de deelnemers van dit netwerk conferentiegewijs en in boekvorm samenwerken, loopt er dus een scheidingslijn tussen enerzijds de genuanceerde denkers in het gezelschap die reële problemen en oplossingen signaleren en anderzijds de politieke opportunisten, de handelaars in complotten en vijandbeelden die er op uit zijn boeken te verkopen of stemmen te winnen. Helaas heeft de PVV-leider bij de laatsten aansluiting gevonden. ‘Het is heel moeilijk om optimistisch te blijven in het licht van de groeiende islamisering van Europa’, zei hij vorig jaar in een lezing op het Hudson Institute: ‘We hebben het getij volledig tegen. Demografisch is de islam aan de winnende hand. Moslimimmigratie is zelfs een grond voor trots bij de regerende liberale partijen. De academische wereld, de kunsten, de media, de vakbonden, de kerken, het bedrijfsleven en het gehele politieke establishment hebben elkaar gevonden in de suïcidale theorie van het multiculturalisme. Het complete establishment koos de kant van de vijand. Linksen, liberalen en christen-democraten, allemaal liggen ze in bed met de islam.’

Bat Ye’or en de feiten

De wijze waarop Bat Ye’or de Europese reactie op de aanslag op de Twin Towers weergeeft, is typerend voor haar aanpak: ‘Na 11 september 2001 mobiliseerden de EU en haar machtige Commissie alle media tegen de Verenigde Staten en Israël om over alle lagen van de samenleving de taal van Eurabië uit te storten, zoals op het Internationale Forum in Stockholm, in januari en februari 2004, waar een ‘kunstwerk’ eer bewees aan een islamikaze die 21 Israëliërs had opgeblazen. Haar portret hing aan de muren van 26 metrostations.’

De feiten: het Internationale Forum van 2004 was een Zweeds initiatief, geen EU-bijeenkomst. Premier Göran Persson had 58 landen waaronder Israël uitgenodigd voor de eerste conferentie over het Genocideverdrag sinds 1948, het jaar waarin het werd opgesteld. Van de Arabische landen was alleen Egypte uitgenodigd. Op de conferentie werd geen enkele tekst uitgesproken of uitgevaardigd die kritiek op de Verenigde Staten of Israël bevatte. De slotverklaring verwees uitdrukkelijk en respectvol naar de holocaust als inspiratie voor het Genocideverdrag.
De enige controverse ontstond buiten de conferentiezaal, en wel rond de installatie Snow White and the Madness of Truth van het Zweedse kunstenaarsechtpaar Gunilla Sköld Feiler & Dror Feiler. Deze maakte deel uit van een tentoonstelling in het Historisch Museum, bedoeld om de conferentie op te luisteren. De installatie bestond uit een vijver met bloedrode vloeistof waarin een wit bootje dreef. Op het bootje stond een foto van de Palestijnse zelfmoordterroriste Hanadi Jaradat, genomen in betere tijden: zij is mooi opgemaakt en kijkt de toeschouwer lachend aan. Daarbij weerklonk Bachs Cantate BWV 199: ‘Mein Herze schwimmt im Blut/ Weil mich der Sünden Brut/ In Gottes heilgen Augen/ Zum Ungeheuer macht’. De tentoonstelling ging, aldus de catalogus, over de vraag ‘tot welke gruwelen mensen in hun zwakte en isolement in staat zijn’. Er werd aan niemand ‘eer’ betoond. Integendeel: er was een videovertoning van Geraldo Rivera’s interviews met serie- en massamoordenaars, een collage van Zweedse kranten uit 1909 over een aanslag op een postkantoor en een actuele fotoreportage over de vernietiging van de cultuur van de Hmong, een etnische minderheid in Laos.
En zelfs deze installatie had geen opzien gebaard als Jaradat niet ongelukkigerwijs in een brochure van een Zweeds pr-bureau was opgevoerd als ‘bevrijdingsstrijdster’, een stempel waarvan zowel de Zweedse overheid als de kunstenares meteen uitdrukkelijk afstand nam. De brochure werd vernietigd, de verantwoordelijke medewerker gestraft. Kortom, de massieve samenzwering van de ‘machtige Commissie’ en ‘alle media’ die Bat Ye’or meent waar te nemen, is terug te brengen tot een blunder van één medewerker van een Zweeds pr-bureau.

Wilders’ denktank

Arjeh Eldad (1950) is plastisch chirurg en directeur van het brandwondencentrum van het Hadassah Ziekenhuis in Jeruzalem, lid van de Knesset voor de Nationale Unie en aanhanger van de zionistische filosoof Ze’ev Jabotinsky. Eldad sluit elk compromis tussen Israël en de Palestijnen uit.

Bat Ye’or (1937) is publiciste en getrouwd met David Littman. Haar voornaamste boeken zijn Les juifs en Egypte (1971), Islam and Dhimmitude (2001) en Eurabia: The Euro-Arab Axis (2005).

Bernard Lewis (1916) is oriëntalist en geldt als de grand old man van de Angelsaksische Arabisten, mede dankzij zijn baanbrekende onderzoek in Ottomaanse archieven. Hij doceerde onder meer aan Princeton en Cornell. Zijn bekendste werken zijn The Middle East (1995), het essay The Roots of Muslim Rage (The Atlantic, 1990), What Went Wrong? (2001) en The Crisis of Islam (2003).

David Littman (1933) is historicus en woont in Zwitserland, waar hij sinds 1960 werkt als zegsman van educatieve en joodse organisaties bij de Verenigde Naties. Littman publiceerde over de positie van minderheden in Arabische landen. Hij is getrouwd met Bat Ye’or.

Douglas Murray (1969) heeft enige tijd Engels gestudeerd in Oxford en maakte naam als schrijver van historische schetsen en politieke pamfletten. Sinds 2007 is hij directeur van de denktank Centre for Social Cohesion. Voornaamste publicaties: Neoconservatism: Why We Need It (2005), Towards a Grand Strategy for an Uncertain World (2007) en Victims of Intimidation: Freedom of Speech within Muslim Communities (2008).

Daniel Pipes (1949) is historicus, emeritus hoogleraar, columnist en internetactivist tegen de islam. Zijn website is danielpipes.org. Pipes is oprichter van de denktank Middle East Forum en schreef dertien boeken over de islam en de Arabische wereld. De bekendste zijn The Rushdie Affair: The Novel, the Ayatollah, and the West (1990) en Militant Islam Reaches America (2002).

Robert Spencer (1962) is theoloog en blogger.
Hij richtte (mede) de websites JihadWatch en DhimmiWatch op en schreef negen anti-islamboeken. De bekendste: The Politically Incorrect Guide to Islam (and the Crusades) (2005) en The Truth about Mohammad (2006).