Mannen en moeders

«Iedereen is eenzijdig»

In haar vorige week verschenen boek ‹Mannen en moeders› breekt psycho analytica Iki Freud met het oedipuscomplex van Sigmund Freud. Ze ontdekte bij Marcel Proust dat niet de rivaliserende vader maar de verleidende moeder aanleiding kan zijn voor homoseksualiteit en perversie bij jongens. «Het Oedipus-verhaal van Freud is meer een mannenconcept en Proust — een feminiene man — vulde het perfect aan.»

Iki Freud staat voor haar statige herenhuis wat te rommelen met een fiets. Haar grijze bos haar wordt door de lage lentezon verlicht, waardoor de 65-jarige vrouw er in een flits uitziet als een meisje. Ook zonder de felle zon oogt ze even later, in haar werkkamer op een Charles Eames-stoel, opvallend jong. Maar met haar deftige, dwingende stem praat ze als een grand old lady die kan bogen op grote ervaring als psychoanalytica. Op de klassieke divan, die achter haar voor een enorme wand boeken staat, hebben de afgelopen decennia vele tientallen mensen hun onbewuste fantasieën en zielenroerselen de vrije loop gegeven. Na ruim veertig jaar heeft de in Amsterdam geboren Iki Freud (heel ver weg familie van de Weense psychiater Sigmund Freud) besloten het wat rustiger aan te gaan doen. «Ik wil nu meer tijd vrijmaken voor andere dingen. In mijn kast liggen nog veel boeken te wachten waar ik nooit aan toekwam. Al zal ik blijven werken tot, bij wijze spreken, aan mijn dood.»

Wel zet ze een punt achter het schrijven over het vak, liever eens wat persoonlijkers. Ze ervaart het proces van gedachten omzetten in het geschreven woord als «een ontzettend geploeter». Het vergt veel van haar. Desondanks schreef ze twee zwaarwichtige boeken; het eerste, Electra versus Oedipus, verscheen vorige week in een vijfde herziende druk tegelijk met haar nieuwe boek Mannen en moeders. Beide gaan over de vroege relatie van een kind met de moeder die zich voortzet in het liefdesleven van het volwassen geworden kind. In tegenstelling tot Sigmund Freuds overtuiging dat de vader de belangrijkste plek in het leven van een kind inneemt, ervoer Iki Freud dat kinderen vaker worstelen met het moederbeeld.

Haar bevindingen gelden als tamelijk nieuw en derhalve als omstreden binnen het kleine wereldje van elkaar nauwgezet in de gaten houdende psychoanalytici. «Maar van vakbroeders hoor je zelden iets. Ik ben een beetje een buitenbeentje in de club. Het ligt in mijn aard om autonoom te zijn.»

Voor haar onderzoeksmethode — die zich in 1979 voor het eerst openbaarde bij haar proefschrift over dit onderwerp — putte Iki Freud behalve uit vakliteratuur en ervaringen met haar eigen cliënten, ook uit de literaire werken van de Franse twintigste-eeuwse schrijver Marcel Proust. Proust beschouwt zij als een essentiële aanvulling op Freuds model van het oedipuscomplex. Voor haar geldt hij als een ervaringsdeskundige: een homoseksueel die zijn eigen broeierige relatie met zijn moeder heeft vertaald naar lijvige romans waarin ingewikkelde seksuele relaties en perverse spelletjes voorkomen. Terwijl Freud de «patricide» — de symbolische vadermoord vanuit een rivaliteit voor de liefde van de moeder — ontwikkelde, legde Proust in zijn romans de «matricide» bloot: zonen die een pact sluiten met de moeder en daar hun hele leven mee blijven worstelen. Ze kwam tot de conclusie dat perversies vaak zijn terug te voeren op een oneigenlijke en knellende band met het moederimago, een valse idylle die maar niet tot een oplossing wil komen.

«In een normale situatie heeft een moeder haar kind niet nodig om te overleven. Het verwerken van deze waarheid is voor het kind noodzakelijk om volwassen te worden. Als de moeder echter het kind wel nodig heeft om psychisch te overleven, ontstaat een symbiotische illusie tussen moeder en zoon die kan leiden tot pervers gedrag. Bij perversie gaat het om gestolde fantasieën, die eenduidig, ritueel en dwangmatig van karakter zijn. Deze stereotype scenario’s van het seksuele spel bieden bescherming tegen de grote angst voor versmelting met de partner, en kanaliseert de onbewuste woede tegen het moederimago. Liefde en haat vinden vermomd als spelletjes een veilige uitweg. In mijn praktijk heb ik gemerkt dat mensen niet binnenkomen bij een therapeut met de klacht perversie, of parafilie, zoals het ook wel wordt genoemd, als probleem. Hun klachten kunnen over van alles en nog wat gaan. Perversie is geen probleem zolang het over variatie gaat, het wordt pas lastig als het dwangmatig gebeurt. Het heeft dan als functie om het emotionele evenwicht te bewaren. Het gaat er bij een therapie om dat mensen keuzevrijheid hebben en weer een beetje plezier in hun leven krijgen. Het is eigenlijk een ontdekkingsreis tussen therapeut en cliënt. Je moet geduld hebben: iemand moet het zélf vinden. Ik denk mee, en leg verbanden tussen bewuste en onbewuste zaken.»

Toch is het boek van Iki Freud niet angstaanjagend voor jonge moeders die bij het lezen over al die onbewuste gevoelens van haat, liefde en rivaliteit zouden kunnen denken: «Hemeltje, hoe kan ik het als moeder goed doen met mijn kinderen?» Haar boek toont dat een normale seksuele ontwikkeling afhangt van basisveiligheid. «Ik hoop dat mensen in mijn boek iets kunnen herkennen, want behalve over extreme seksuele uitingen gaat het boek over patronen die universeel zijn.»

Het valt allemaal dus best mee?

Iki Freud lacht er heel hartelijk om. «Ja, natúúrlijk. Het hoeft allemaal niet mis te gaan en te leiden tot trauma’s en kwetsuren. Ik vind die innerlijke wereld heel boeiend en denk dat moeders geïnteresseerd zijn in de manier waarop ze omgaan met hun zoons, de invloed die ze hebben, en níet hebben. En voor volwassen zoons die met dit soort problemen worstelen, kan het inzicht geven in hun binnenwereld en hoe die gevormd is. De vormen die de liefde aanneemt, leren we immers voor het grootste deel vanaf de wieg. Het boek gaat over allerlei manieren van affectieve interacties vormgeven. Over hoe verhoudingen geraffineerd in elkaar kunnen steken, en heel gelaagd zijn. Het beeld van de ruziënde echtparen die elkaar het leven zuur maken, vind ik ook een vorm van perversie. Maar het kan ook een niet-seksuele uiting krijgen, zoals masochistische plaagrelaties: jezelf door een bepaalde partnerkeuze telkens ongelukkig maken en je slachtoffer voelen. De paradox van de onweerstaanbare aantrekkingskracht die het lijden heeft, het anticiperen op de onvermijdelijke teleurstelling.»

De matricide is volgens Iki Freud altijd een taboe geweest. «Maar taboes vragen om doorbroken te worden», schrijft ze in de inleiding van het boek.

Iki Freud: «De moeder is onaantastbaar, een sjabloon waar je niet aan mag komen. Ook al mopper je op je eigen moeder, iemand anders mag dat nooit doen. Trouwens, ook voor therapeuten is dat een valkuil, als je de moeder afvalt, raak je het kind. De vrouw waar je uit geboren bent, is immers een stuk van jezelf. Op wie anders moeten we lijken dan op onze ouders? Omgekeerd is het voor de moeder eng om te moeten onderkennen dat het niet alleen van een kind houdt, maar het ook kan haten. Als je een baby krijgt, is het niet onmiddellijk, automatisch zo dat je ervan houdt. Maar ook kun je als moeder aanvankelijk een gevoel missen, of een gevoel hebben dat je er eigenlijk niet aan wil en dat het kind je leven zal inperken. Een liefdesband moet groeien. Je moet gevoel de tijd geven.

Ook maatschappelijk ligt moederhaat zwaar. Het is niet voor niks dat de katholieke kerk de heilige maagd Maria als ideaal heeft opgevoerd. Iedereen verlangt ernaar om een fantastische, altijd gevende moeder te hebben. Het is een cultuurbeeld dat mensen niet graag aantasten. In de islamitische samenleving leeft het nog sterker: de vrouw is een voetveeg, maar de moeder is een heilige.

Perversie is sowieso een taboe, alhoewel de grenzen de laatste jaren flink zijn opgerekt. Zodra een fantasie realiteitswaarde krijgt, wordt het bedreigend en raakt het aan het Kwaad. Buiten de private sfeer worden sommige vormen zelfs strafbaar. Maar daar houd ik me verder niet mee bezig. Voor therapeuten zelf kan dit onderwerp ook moeizaam zijn. Sommigen willen er liever niet aan beginnen. Het geldt als eng, en als toch niet te genezen. In mijn ogen is het vergelijkbaar met het aanhoren van een droom. Pas als je het leven eromheen hebt uitgeplozen, snap je waarom iemand een individuele masturbatiefantasie kiest of zijn seksuele scenario op een bepaalde manier opbouwt. Ja, soms is het heel bizar wat je hoort, maar ik luister er professioneel naar. Als iemand droomt dat hij door de poep loopt te waden, dan denk ik niet: hè bah, maar: waar gaat dit over? Gaat het soms over schaamte? Perverse fantasieën hebben een duidelijke functie: ze dienen als steun bij een zwak zelfgevoel of als steun bij onzekerheid rond de eigen seksuele identiteit. In een megalomane voorstellingswereld waarin iedere beperking even is opgeheven, kan de vraag of je een jongen of een meisje bent worden ontweken.»

Het taboe is geboren in de klassieke mythe. In haar boek schrijft Iki Freud daarover: «Oedipus, ontwetend van zijn afkomst, vermoordde in blinde woede zijn vader die hem op een kruising zijn weg versperde. Maar Freud had weinig oog voor de rol van Jocaste, de moeder van Oedipus, die hem verleidde, met hem trouwde en kinderen met hem kreeg. Toch was zij het instrument van zijn gruwelijke lot. Toen het orakel Oedipus’ schuld had verkondigd was hij wanhopig van woede, schuld en schaamte. Hij wilde zijn moeder/vrouw doden, alvorens de hand aan zichzelf te slaan. Jocaste was hem echter voor en pleegde zelfmoord, waarop Oedipus zich met haar gesp de ogen uitstak. Deze mythe heeft voor Sigmund Freud gediend als illustratie van zijn theorie: de liefde voor de ouder van het andere geslacht als centrale motor van het menselijk bestaan: de al of niet gelukte ontknoping van het noodlottige kinderlijke oedipuscomplex als kern van alle latere emotionele problemen. Volgens Freud wijken sommige jongens terug voor het oedipuscomplex vanwege een te grote castratieangst. Wat zou leiden tot perversie en/of homoseksualiteit. Bij hem gaat het uitsluitend om de haat jegens de vader en de liefde voor de moeder.»

Iki Freud: «Toen ik veertig jaar geleden met dit onderwerp begon, was iedereen nog volledig in de ban van Freuds versie van het Oedipus-verhaal. Daar werd niet aan getwijfeld. Mijn inbreng van Prousts werken gold toen als nieuw, ook in Frankrijk. Pas drie jaar geleden ben ik gevraagd om een stuk hierover te schrijven voor het tijdschrift Revue Française de Psychanalyse. Eerder was de tijd kennelijk nog niet rijp.»

Hoe bent u op Proust gekomen?

«Ik herinner me dat ik een jaar of 27 was — ik was met mijn psychoanalytische opleiding bezig — en op vakantie in Zuid-Frankrijk een deeltje van Proust ’s avonds voor mijn tentje las. Opeens ontdekte ik dat hij dingen beschreef waar ik in mijn werk mee te maken had. Het ging over mademoiselle Vinteuil die met haar vriendin een seksueel spelletje opvoert, waarbij ze spuugt op de foto van haar vader. Het verhaal is dat die vader juist overbezorgd en overmatig lief en aardig is; dat moest zij beantwoorden met volgzaamheid en ingetogenheid. Ze kon met haar agressie geen kant op. Proust heeft hier een transpositie toegepast: hij is het eigenlijk zelf met zijn overbezorgde moeder die geen ruimte laat hem zijn eigen gang te laten gaan en verzet te uiten. Daar draait het allemaal om: geen ruimte bieden tot verzet. Hij is uitsluitend in staat om seksuele opwinding te beleven als hij iets doet wat van de moeder niet mag, waardoor hij even uit die machtssfeer ontsnapt. Hij adoreerde haar maar in een stiekem uithoekje van zijn innerlijk persoonlijkheid haatte hij haar tegelijk ook. Zijn vrijheid is enorm schuldbeladen, en alleen als hij zich seksueel uitleeft, is hij zijn volledige ‹zelf› en heeft hij de beschikking over zijn eigen lichaam. Proust zegt over zijn hoofdpersoon dat niet slechtheid hem opwindt, maar dat het opwindende door hem als slecht beleefd wordt. Ik zag opeens in dat Proust deze dingen snapte, en Freud niet. De romanschrijver heeft vaak een voorsprong op de wetenschapper als het over de menselijke ziel gaat.

Proust begreep begin twintigste eeuw wat nu pas duidelijk is geworden: hoe de rol van de moeder in elkaar steekt als zij haar zoon voor haar eigen bevrediging gebruikt, hem als deel van zichzelf beschouwt, en hem niet ziet als apart mens met een eigen aard en eigen wensen. Het Oedipus-verhaal van Freud is meer een mannenconcept en Proust — een feminiene man — vulde het perfect aan. Zo vormde ik uit een combinatie van beide mijn eigen visie.»

Het idee geldt volgens Iki Freud nog steeds voor deze tijd, ook al is de maatschappij drastisch gewijzigd ten opzichte van de wereld van Freud en Proust.

Iki Freud: «We praten in het openbaar over ons seksleven en praten over sm of het niks is. We hebben het homohuwelijk. De rolverhoudingen zijn veranderd: vrouwen storten zich niet meer eenzijdig op het gezin, de mannen zorgen ook voor hun kinderen — en dat is héél belangrijk, dat de vader tussenbeide komt. De relatie tussen verschillende generaties zijn minder autoritair. En kinderen gaan massaal naar de crèche, iets wat — gelet op de discussie die daarover nu gaande is — overigens niet slecht hoeft te zijn. Het hangt van de kwaliteit van het dagverblijf af, alhoewel ik in het algemeen wel bedenkingen heb over de wisselende gezichten en de jonge meisjes die soms met een half oog aandacht voor de baby’s hebben. Ik denk dat de hele kleintjes veel te weinig stimulans krijgen. De mentale ontwikkeling gaat hand in hand met de emotionele. Een kind heeft bijvoorbeeld goed oogcontact nodig.

Maar — en daar komt het grote maar — van alle tijden blijft toch dat ouders macht hebben om met hun kinderen te doen wat zij willen of niet willen. Ook hoor ik bij cliënten vaak dat de vader een altijd afwezige vage figuur op de achtergrond is en de moeder nog steeds de spil van het gezin. Vrouwen maken nu, naast hun baan, tropenjaren. Trauma’s worden bovenal van de ene op de andere generatie overgedragen. Dat werkt soms tot drie generaties verder door. Dat is eigenlijk pas ontdekt na de Tweede Wereldoorlog, toen kinderen last kregen van de trauma’s van hun ouders.»

De laatste zonnestralen van deze dag beschijnen de ruimte waarin door de klassieke inrichting een negentiende-eeuwse sfeer hangt. De stilte van het Vondelpark, beginnend achter de huizen aan de overzijde van de straat, dringt door de ramen naar binnen. Vanaf een grote foto in de boekenkast kijkt Marcel Proust met zijn verfijnde gezicht en vlinderdasje de werkkamer in. Het beroemde beeld van een piekerende Freud met zijn sikje en ronde brilletje ontbreekt evenmin.

Iki Freud: «Freud heeft pas heel laat de rol van de vrouw ontdekt. Hij was natuurlijk een heteroseksuele, recht-op-en-neer familie vader, die wel wat homo-erotische gevoelens had, zoals elke man eigenlijk heeft. Hij had een oude vader die stamde uit het Oost-Europees joodse gettomilieu en niet in staat bleek de kost voor zijn gezin te verdienen. Hij kon zijn zoon die in Wenen ging studeren niet het moderne leven binnenleiden. Zijn vader was voor hem meer een problematische figuur. De moeder was veel jonger, en moderner misschien. Ze ging slechts acht jaar voor hem dood. Hij kon die relatie met die moeder niet beschrijven zolang ze nog leefde. Dat is altijd zo, je gaat heel moeilijk schrijven over mensen die nog leven. Pas in 1931 verkende hij de vrouwelijke seksualiteit, zeven jaar voor zijn eigen dood. De vrouwelijke seksualiteit noemde hij ‹een donker continent› waartoe hij als man onvoldoende toegang had. Hij waagde zich er niet aan. Dat is natuurlijk allemaal onbewust gebeurd. Freud schrijft continu over de vader, meer als een symbolische figuur, als castrator, als versperrer van de weg naar de moeder, als vertegenwoordiger van de ge- en verboden waar je je aan moet houden. Bij Proust zie je het andere beeld. Daar gaat het steeds over de moedermoord, over profanatie. Dat is het ontheiligen van het imago van de moeder en haar beeld, de foto. Dat is een heel andere blik op de perversie. Dat leek mij interessant.»

Eigenlijk zijn ze dus beiden eenzijdig en gemankeerd. Is dat wetenschappelijk gezien niet zwak?

«Iedereen is eenzijdig.»

Het is toch raar als je naar dergelijke invloedrijke denkbeelden kijkt dat iemand een blinde vlek heeft voor één van de ouders?

«Dat is inderdaad eigenaardig. Maar als je psychoanalyse bedrijft of erover schrijft, dan gebruik je natuurlijk mede jezelf als voorbeeld, dat kan niet anders. Je kunt niet helemaal uit je eigen vel stappen. Dat zie je bij álle psychoanalytici. Anna Freud schreef bijvoorbeeld nooit over vaders. Zij was bij haar eigen vader in analyse, wat op zich al heel eigenaardig is. Ze schreef vooral over moeders.»

Deze tak van wetenschap is dus een vorm van zelfstudie?

«Dat zit er altijd bij. Je kunt blijkbaar niet alles behappen, er zijn altijd blinde vlekken.»

Welke hebt u dan?

«Zeg het maar. Ik weet het niet.»

Dat weet u vast wel, u hebt zelf uren op de divan gelegen, en die sessies zijn er mede op gericht om de blinde vlekken bewust te laten worden.

«Nou ja. Ik heb me eerst vanuit de praktijk beziggehouden met agressie, de oorlog en gezinssituaties. Dat vond ik een boeiend probleem. En vanuit één geval dat mij fascineerde, haakte ik aan bij Proust. Ik ben me pas véél later gaan interesseren voor de rare interacties die ik aantrof bij moeders en dochters. De problemen van moeders en dochters zijn veel algemener dan die tussen moeder en zoon. Ik zag opeens dat de symbiotische dochter-moeder- en zoon-moeder-problemen in principe hetzelfde zijn, maar de gevolgen zijn voor jongens veel noodlottiger. Het is veel minder dramatisch voor een vrouw om niet van haar moeder los te komen, het is zelfs niet eens helemaal nodig, omdat je haar moet volgen, in haar voetsporen moet treden en van haar kan leren. Het heeft geen negatieve invloed op haar seksuele identiteit. Integendeel.»

Met haar eigen dochter Jutka (dertig jaar) en zoon Yuri (veertig jaar) heeft Iki Freud een «buitengewoon prettige relatie, die eigenlijk steeds beter wordt». Beide boeken heeft ze aan haar kinderen opgedragen. «Mijn werk, mijn eigen analyse, mijn kinderen en mijn partners hebben — uiteraard — grote invloed op me gehad. Ik ben evenwichtiger en rustiger geworden, en ben tot mijn eigen verbazing altijd in een goed humeur, wat vroeger niet zo was. Toen was ik veel eerder depressief van stemming. Ik kijk naar het verleden sans rancune, en de prettige herinneringen domineren de nare dingen. Naarmate ik ouder word, voel ik me gelukkiger, en dat verbaast me, want meestal zie ik dat het andersom is. Helemaal begrijpen doe ik dat niet. Ik ben voor mezelf ook deels een raadsel gebleven.»

Ze draagt ondanks de scheiding van haar minstens zo beroemde man Victor Halberstadt (de Leidse econoom die vorig jaar Máxima hielp inburgeren) nog steeds de naam Halberstadt omdat het de naam van haar kinderen is en «omdat de naam ook een historische combinatie met Freud is. Zijn schoonzoon heette ook Halberstadt, en Freuds kleinzoon veranderde zijn naam weer in Freud».

Iki Halberstadt-Freud kijkt met grote liefde terug op haar lange car rière. «Ik heb voor sommige mensen wel iets goeds kunnen verrichten, soms ook niet. Mensen worden van therapie eerder sadder and wiser dan blijer. Ik vind het vooral fijn dat ik heb kunnen voorkomen dat mensen hun narigheid verhalen op een volgende generatie. Dát is goed met therapie te voorkomen.

Het vak is natuurlijk ook erg veranderd. Vaker een combinatie van medicijnen met praten. Zelf ben ik iets anders gaan werken: door ervaring zie ik sneller wat eraan schort en ik ben veel minder stil dan vroeger. Toen leerde je dat je werd betaald voor je zwijgen. Ik vind dat gevaarlijk. Je kunt je niet verschuilen achter zo’n houding. Een therapeut moet met de billen bloot. Hij moet teruggeven wat hij hoort en checken of het wel klopt. Dus geen clichés in de zin van: vertelt u daar nog maar wat meer over. Zonder verder commentaar te geven.»

Iki Freud

Electra versus Oedipus

Uitg. Van Gennep, 272 blz., € 18,00

Mannen en Moeders

Uitg. Van Gennep, 272 blz., € 18,00