Booming Angola

‘Iedereen is hier voor de centen’

Aangetrokken door de sterke economische groei emigreren jonge hoogopgeleide Portugezen massaal naar Angola, de voormalige kolonie waaruit hun voorouders veertig jaar geleden halsoverkop vertrokken. Alleen de grote tegenstelling tussen arm en rijk bedreigt hun tropisch paradijs.

Medium ango

Het is vrijdagavond in de Angolese hoofdstad Luanda en het terras van de Clube Naval op het Ilha do Cabo zit vol. Zo’n honderd Portugezen zijn vanavond samengekomen om zoals elk weekend veel te eten, te drinken en muziek te maken. João Marques, een jong uitziende veertiger met een hip getrimde baard, draagt een strakzittend wit shirt en doet zich te goed aan grote glazen whisky terwijl hij mee neuriet met Portugese volksliedjes: ‘Dit is hoe wij Portugezen leven in Luanda. Door de week werken we hard en in het weekend feesten we hard. Angola is heel lang een deel van Portugal geweest. De taal is hetzelfde als thuis en de cultuur grotendeels ook. Luanda is voor ons een makkelijke plek om te wonen en te werken.’

De aangename temperatuur en de koele zeewind geven de stad in het droge seizoen een bijna Europese sfeer. Marques wijst naar de felle lichtjes aan de overkant van de baai: ‘Die skyline is het symbool voor het nieuwe Luanda. Dat is het zakengedeelte van de stad, waar wij wonen en werken, en waar het geld verdiend wordt. Achter die mooie gebouwen begint de chaos. Er moet nog veel gebeuren in dit land en daarom zijn wij hier: om het land te helpen opbouwen.’

Vier eeuwen lang werd Angola beheerst door Portugese kolonisten, plantagehouders en slavenhandelaars. Sinds ontdekkingsreiziger Paulo Dias de Novais in 1575 voor het eerst voet aan land zette op de smalle strook zand voor de kust van Luanda die tegenwoordig bekendstaat als het Ilha do Cabo was Angola eigenlijk een integraal deel van Portugal. Toen het land na een bloedige strijd in 1975 eindelijk onafhankelijk werd, verliet nagenoeg de volledige Portugese populatie halsoverkop het land. Wat volgde waren 27 lange jaren van burgeroorlog waarin verschillende voormalige onafhankelijkheidsbewegingen, bewapend door de toenmalige machtsblokken uit de Koude Oorlog, tegenover elkaar stonden. De zichzelf marxistisch noemende regering in Luanda en de door Zuid-Afrika gesteunde rebellen in het zuiden van het land financierden de oorlog door de verkoop van olie en diamanten en konden de strijd hierdoor lang voortzetten.

Na de vrede van 2002 ontwikkelde Angola zich tot een van de spectaculairste groeilanden van Afrika. Van 2005 tot 2013 groeide de Angolese economie jaarlijks gemiddeld met tien procent. Na Nigeria is Angola tegenwoordig de grootste Afrikaanse exporteur van ruwe olie. De regering werkt nauw samen met China om het land op te bouwen en er begint langzaam maar zeker een kleine middenklasse te ontstaan. Met haar vruchtbare grond, grote zoetwatervoorraden en vele andere ruwe grondstoffen is de republiek in potentie een van de rijkste landen van het Afrikaanse continent.

Angola staat volgens velen symbool voor het nieuwe Afrika: een jong en snel groeiend werelddeel dat de ketens van kolonialisme, burgeroorlogen, hongersnood en geweld eindelijk heeft weten af te werpen. De vervallen koloniale architectuur in het centrum van Luanda staat inmiddels in de schaduw van hoge kantoorflats, dure hotels en het in 2007 opgeleverde hoofdkantoor van staatsoliebedrijf Sonangol. Aan de kust van de baai van Luanda is de Avenue 4 de Fevereiro, in de volksmond simpelweg de Marginal genoemd, verbreed tot drie rijbanen. Het is relatief veilig om een wandeling te maken op het naastliggende trottoir.

Jonge hoogopgeleide Portugezen verruilen de laatste jaren massaal crisisland Portugal voor de razendsnel opkomende Afrikaanse ex-kolonie. Volgens schattingen van de Portugese ambassade is het aantal in Angola wonende Portugezen gestegen van ruim dertigduizend in 2006 tot bijna 116.000 in 2013.

‘Dertig jaar burgeroorlog heeft Angola getekend. Het duurt nog wel een paar decennia voor dit een normaal land is’

João Marques woont inmiddels zes jaar in Luanda. Hij wil in Angola de kansen pakken die zijn Europese vaderland niet meer kan bieden. ‘Angola heeft een groot gebrek aan gekwalificeerd personeel omdat het onderwijs erg slecht is. Dat is het gat waarin wij Portugezen springen, want in Portugal zijn veel jonge mensen met een goede opleiding toch werkloos.’ Het leven in Luanda is intens, vindt hij. ‘Dertig jaar burgeroorlog heeft dit land en de mensen getekend. Het duurt nog wel een paar decennia voor dit een normaal land is, maar de veranderingen gaan zo snel dat je ze bijna kunt voelen.’

Miguel Grangeia zit druk te roken en te bellen in zijn kleine kantoor in het centrum van Luanda. Buiten wordt volop gebouwd terwijl het drukke verkeer kriskras om de soms centimeters diepe gaten in het wegdek heen scheurt. Ongeveer zeven jaar geleden koos Grangeia voor een bestaan in Angola. Het salaris dat hij in Luanda verdient als managing director bij het kleine bedrijfje Peterman Technology Solutions is veel hoger dan hij in Portugal ooit zou kunnen krijgen. En er speelt nog een andere, zakelijke factor mee: ‘Angola still needs stuff. Europa is voor een groot deel af. Natuurlijk speelt geluk altijd een rol bij ondernemen. Maar geluk dwing je ook af door op de juiste tijd op de juiste plek te zijn. Angola is niet alleen een nieuwe economie, het is een volledig nieuw land. De grote Europese en Amerikaanse multinationals zijn hier nog niet, dus kun je als kleiner bedrijf je kansen pakken als je goed bent in wat je doet.’

Peterman begon een paar jaar geleden met de verkoop van pinapparatuur en bankpapier in Angola, zaken die na de burgeroorlog simpelweg niet voorhanden waren. Bankautomaten zijn anno 2014 zelfs nog maar moeilijk te vinden in Luanda, waardoor mensen soms met grote sommen contant geld over straat moeten. Zijn bedrijf zit in een groeimarkt vol mogelijkheden, zegt Grangeia. Hij ziet zichzelf dan ook niet snel terugkeren naar Portugal. ‘Ik ben sceptisch over de toekomst van Europa. Er zijn te veel wetten die de productie van goederen onnodig duur maken en de Portugese regering doet er niks aan om ondernemerschap te stimuleren. In Angola heb je veel meer vrijheid als entrepreneur.’

Toch is het leven in Angola voor Europeanen niet alleen rozengeur en maneschijn. Zo durven de meesten zich na zonsondergang niet meer op de straten van de hoofdstad te begeven uit angst overvallen te worden. En in het werk hebben velen te maken met corruptie. Volgens de Corruption Perception Index die de ngo Transparancy International jaarlijks publiceert scoorde Angola in 2013 plaats 153 op een totaal van 177 landen. President José Eduardo dos Santos is al sinds 1979 onafgebroken aan de macht. Zijn persoonlijke vermogen wordt geschat op twintig miljard dollar, alhoewel dat moeilijk te verifiëren is. Zijn oudste dochter Isabel is door slimme investeringen in Angola en Portugal de rijkste vrouw van Afrika geworden. ‘Als je iets gedaan wilt krijgen moet je daar iemand voor betalen. Dat is hoe het werkt hier’, weet Grangeia. ‘Maar hoe erg is dat? Kijk eens naar Portugal, of naar Brussel. Daar worden ook dealtjes onder de tafel gesloten. Wij moeten als Europeanen over onze neokoloniale arrogantie heen stappen en de Afrikanen zelf laten uitmaken hoe ze hun landen willen organiseren.’

De economische groei heeft aan de enorme verschillen tussen arm en rijk geen einde gemaakt. ‘Er zijn twee Luanda’s’, weet Alexandre Solombe. ‘De rijke kuststrook rond de Marginal en de rest.’ De Angolese radiomaker woont en werkt zelf in de redelijk welgestelde wijk Maianga net buiten het stadscentrum. Maar het merendeel van de naar schatting zes tot acht miljoen inwoners van de hoofdstad woont in de musseques: de sloppenwijken die zich bijna uitstrekken tot aan de legendarische rivier Kwanza ten zuiden van de stad. Vandaag heeft Solombe zijn sportieve bmw en nette bloes ingeruild voor een oudere auto en een vaal shirt: ‘Elk gezin in de musseque heeft nog wel een AK47 uit de burgeroorlog onder het bed liggen. De mensen zijn hartstikke aardig hier. Ze moeten alleen niet zien dat je geld hebt, snap je?’

In een sloppenwijk met de luisterrijke naam Dangereux zijn twee jongens van begin twintig druk in de weer met oud ijzer en houten palen. Een van hen staat op een stapel hout naast een stinkende afvalberg en wijst naar de in de verte zichtbare nieuwbouwwijk waar veel Portugese expats wonen: ‘Het leven is hard hier. Maar ooit zal ik daar wonen. Dat weet ik zeker.’ Het tweetal is bezig een winkeltje te bouwen. Het geld dat ze daarmee hopen te verdienen willen ze investeren in bouwmaterialen om zo uiteindelijk een huis van steen te kunnen bouwen. Hun buurvrouw heeft hetzelfde plan en verkoopt maniokmeel aan buurtbewoners, die er hun dagelijkse pap van bereiden. Een eind verder staan aan de stoffige hoofdweg zes vrachtwagens met steengruis opgesteld. Afrikanen hangen om de Chinese chauffeurs heen om te onderhandelen over de prijs van het bouwmateriaal. Toiletpotten worden los te koop aangeboden op straat. Solombe is verrast over de positieve energie die in de straatarme wijk hangt: ‘Deze mensen zijn al jaren geleden door de regering in de steek gelaten. Toch zijn ze in staat om een informele economie te laten functioneren. Een economie die losstaat van de internationale handel die in het rijke stadscentrum wordt bedreven.’

‘Ik ben sceptisch over de toekomst van Europa. In Angola heb je veel meer vrijheid als entrepreneur’

Tijdens de burgeroorlog die van 1975 tot 2002 woedde is het inwoneraantal van Luanda door een niet-aflatende stroom vluchtelingen enorm toegenomen. Investeren in plattelandsontwikkelingen zou volgens Solombe de druk op de hoofdstad kunnen verlichten. Maar de regering besteedt maar een heel klein deel van het nationale budget aan het platteland. ‘Alles draait om Luanda. Deze stad is veel te snel veel te groot geworden. In het verleden exporteerde Angola koffie en verbouwden we genoeg eten. Nu wordt het grootste deel van wat in de supermarkt ligt uit Brazilië geïmporteerd. De baai van Luanda ligt vol met vrachtschepen die door de slome bureaucratie dagen moeten wachten voordat ze mogen lossen in de haven. Een tijd geleden ging het havenpersoneel in staking, waardoor de broodprijzen meteen omhoog schoten.’

Ruim twintig kilometer buiten het stadscentrum van Luanda hangen in het stadsdeel Viana groepen werkloze jongens met brommers rond. Straatverkopers laveren op elk kruispunt langs het verkeer om telefoonkaarten, toiletborstels of zakjes pinda’s te verkopen. Blauwe candongueiros (collectieve taxi-busjes) stoppen op willekeurige plekken aan de rand van de drukke weg om mensen op te pikken. Oversteekplekken voor voetgangers zijn er niet en her en der liggen autowrakken langs de weg. Solombe is ondanks de hoopgevende economische groeicijfers van zijn land dan ook niet gerust op de toekomst: ‘De regering probeert de armen zo veel mogelijk buiten de stad te houden. Kijk naar al die mensen hier die niet meeprofiteren van de olierijkdom. Als deze verschillen tussen arm en rijk blijven groeien gaat het in de toekomst weer fout in Angola. De welvaart moet eerlijker verdeeld worden, anders is nieuw geweld onvermijdelijk.’

Medium ango2

Het is zaterdagavond in het stadscentrum en de stemming is uitgelaten, zorgeloos zelfs. Toch is de scherpe tegenstelling tussen arm en rijk in Angola ook een punt van zorg onder de Portugese expats. Zelfs op het hippe Ilha do Cabo, waar de Angolese nouveaux riches in de weekenden tienduizenden dollars aan dure champagne en exquise kreeften besteden, liggen armoedige shantytowns tussen de goed beveiligde strandclubs in. De meeste blanke expats wagen zich dan ook niet aan verkenningstochten door de stad, zegt Paulo. De dertiger werkt voor een Portugees bouwbedrijf en woont sinds 2007 in Luanda: ‘Waar jij deze week geweest bent, daar komen de meeste Portugezen nooit. Waarom zouden ze? In zo’n musseque is het als blanke hartstikke onveilig en veel arme Angolezen stellen zich nog steeds erg racistisch op tegen ons Portugezen.’

Paulo en zijn vrienden zijn vanavond samengekomen om voor een entreeprijs van zeventig dollar de beschermheilige van zijn geboortestad Porto te herdenken in een luxe etablissement onder de rook van het Portugese fort uit de koloniale tijd. De gegrilde sardientjes worden aangesleept en het Portugese bier ligt koud. Maar ondanks de deels vrijwillig verkozen en deels noodzakelijke waterscheiding tussen de verschillende realiteiten in Luanda laat de wereld buiten de muren van de luxe club Paulo niet koud: ‘Natuurlijk is al dat onrecht moeilijk om te zien en mee te maken. Zoveel mensen in Angola zijn zo ontzettend arm terwijl ik hopen met geld binnensleep. Maar dat is de realiteit als je ervoor kiest om in Luanda te gaan wonen en werken. Het is niet onze tijd, plek of verantwoordelijkheid om daar iets aan te doen.’

De 36-jarige Nuño Gonçalves neemt een slok wijn en steekt zijn zoveelste sigaret op. Sinds twee jaar werkt hij, net als een groot deel van zijn vrienden, bij Peterman Technology Solutions. Hij maakt lange dagen op kantoor, waarna hij de auto in springt om zijn doordeweekse avonden thuis achter altijd gesloten gordijnen te spenderen. Zijn vrouw woont nog in Portugal en hijzelf in de toekomst ook weer. ‘Wonen in Luanda is zwaar, je moet een groot deel van je vrijheid opgeven. In Portugal kan ik ’s avonds gewoon de straat op voor een kopje koffie. Hier zit ik in een zelfverkozen isolement binnen. Mijn huis beschouw ik als een veilig toevluchtsoord voor mij en mijn vrienden. Door de gordijnen dicht te houden kunnen we de harde realiteit van Luanda een beetje buiten houden. Daarbij is het ook niet zo handig als iedereen op straat kan zien dat wij een breedbeeldtelevisie aan de muur hebben hangen.’

‘Het is niet zo handig als iedereen op straat kan zien dat wij een breedbeeldtelevisie aan de muur hebben hangen’

De vraag is wat de Angolese politieke elite doet met de immense olierijkdom van het land. Met de opbrengst hoeft nu immers geen oorlog meer te worden gefinancierd. In 2002 becijferde het imf dat bijna een kwart van het nationale budget van Angola tussen 1996 en 2001 op onverklaarbare wijze verdwenen was. En tussen 2007 en 2010 bleek ruim dertig miljard aan olieopbrengsten maar moeilijk terug te traceren. Volgens critici is de politieke top van het land vooral bezig zichzelf te verrijken. Toch beloofde president José Eduardo dos Santos voor zijn herverkiezing in 2008 plechtig werk te zullen gaan maken van adequate huisvesting voor de inwoners van de hoofdstad en zette hij vervolgens een aantal ambitieuze bouwprojecten in gang.

Het vlaggenschip van het huisvestingsbeleid van de regering is het in de zomer van 2012 opgeleverde nieuwbouwproject Kilamba Kiaxi. De splinternieuwe satellietstad ligt een dikke twintig kilometer buiten het centrum van Luanda en telt op dit moment twintigduizend appartementen verspreid over 710 gebouwen. De tweede bouwfase moet nog eens vijfduizend nieuwe woonunits gaan opleveren. Het 3,5 miljard dollar kostende bouwproject wordt gerealiseerd door het Chinese bedrijf Citic Construction en gefinancierd met Chinese leningen. Na voltooiing moet Nova Cidade do Kilamba, zoals het project officieel heet, onderdak gaan bieden aan zo’n half miljoen mensen. De keurig aangeharkte straten en pastelkleurige torenflats zijn een oase van rust in het hectische Luanda.

Kilamba is echter niet vrij van controverse. In eerste instantie bleven de nieuwe woontorens angstvallig leegstaan. Criticasters concludeerden al snel dat er iets niet in de haak was. Makelaarsbedrijf Delta Imobiliária, dat nauwe banden onderhoudt met de Angolese politieke elite, bleek de huizen voor veel te veel geld in de markt te zetten waardoor de middenklasse de huizen helemaal niet kon betalen. Na een persoonlijke interventie door de president werden de prijzen alsnog verlaagd. De straten van Kilamba Kiaxi blijven vooralsnog spookachtig leeg.

De president lijkt echter daadwerkelijk werk te maken van zijn belofte om huizen te bouwen. De Chinese bouwexplosie is overal in Luanda zichtbaar. Borden met Chinese karakters staan langs de straten en Chinese arbeiders duiken overal op. De innige relatie tussen beide landen is nog vrij recent. De eerste kredietlijn uit China kwam tot stand in 2004. Toen leende China maar liefst twee miljard dollar aan Angola’s staatsoliebedrijf Sonangol dat in samenwerking met de China Petrochemical Corporation (Sinopec) binnen een jaar de olie-export van Angola naar China verdubbelde. Vanaf 2006 helpt Beijing de Angolezen om via Chinese, door olie afgedekte leningen de infrastructuur in het land weer op te bouwen. In de praktijk is de Chinees-Angolese samenwerking dan ook grotendeels gebaseerd op een uitruil van olie- en bouwbelangen, zo blijkt uit onderzoek van het in Johannesburg gevestigde South African Institute of International Affairs.

Niet iedereen is overigens even enthousiast over de groots uitgesproken ambities van de regering. Augustino Makova leunt tegen de muur van zijn houten hutje op een stuk braakliggend terrein aan de rand van de nieuwe middenklassewijk Nova Vida. Verderop staan zeven Chinese vrachtwagens dreigend te wachten om te beginnen met de aanleg van een nieuwe asfaltweg, een paar meter verwijderd van het provisorische huisje van Makova. Hij is al sinds 2004 verwikkeld in een gevecht met de autoriteiten over zijn landrechten. ‘De regering wil ons van dit land af hebben zodat zij verder kan bouwen aan haar stadsvernieuwing. Ik had hier een mooi stenen huis gebouwd, maar dat hebben ze gesloopt. Maar wij gaan hier niet weg voordat we vervangende woonruimte of in elk geval financiële compensatie krijgen van de overheid.’

Makova is bang dat hij uiteindelijk gewoonweg de stad uitgejaagd zal worden. Deel van het huisvestingsbeleid van de overheid is namelijk de verplaatsing van arme gezinnen naar de uiterste randen van de stad, waar onder de naam Zango 0-6 reeksen uniforme driekamerappartementjes uit de grond gestampt worden door Chinese bouwbedrijven. Makova werkt als taxichauffeur en verwacht inkomsten mis te lopen als hij opeens aan de rand van Luanda woont. Human Rights Watch publiceerde in mei 2007 in samenwerking met de Angolese organisatie SOS Habitat een 99 pagina’s tellend rapport over de gedwongen huisuitzettingen, en deelt de zorgen van Makova. Volgens dit rapport hebben sinds het einde van de burgeroorlog in 2002 met regelmaat massale huisuitzettingen plaatsgevonden, waarbij mensen onaangekondigd en veelal zonder compensatie of opgaaf van reden hun huis uit werden gezet.

‘Ik ben een optimist. Als Angola deze lijn vast weet te houden gaat dit land een mooie toekomst tegemoet’

Makova weet zich gesterkt door de internationale aandacht voor het probleem. Toch is hij sceptisch over de toekomst: ‘We leven nu in een musseque en straks wonen we nog steeds in een musseque. Maar dan verder weg. Dat kun je moeilijk een verbetering noemen.’

Een van de gebieden waar volgens Human Rights Watch grootscheepse huisuitzettingen hebben plaatsgevonden is het zuidelijk in Luanda gelegen stadsdeel Talatona. Filipe Reis woont met zijn vrouw Joanna in een drieduizend dollar per maand kostend appartement in het bewaakte appartementencomplex American Plaza in Talatona. Onbekende gasten dienen zich te melden, identificeren en registreren en mogen alleen naar binnen met achterlating van hun paspoort. Niet ver van zijn huis ligt het moderne Belas-winkelcentrum dat in 2007 werd opgeleverd en waar welgestelde Angolezen en Europese expats shotjes espresso drinken voor ze naar hun werk gaan verderop in de stad.

Reis werkt bij televisiebedrijf Zap, dat, zoals zoveel in Angola, eigendom is van de dochter van de president. Hij heeft dubbele gevoelens over de economische vooruitgang die Angola gedurende het laatste decennium geboekt heeft: ‘Er zijn onmiskenbaar grote stappen vooruit gezet. Internet had je hier een paar jaar geleden niet en er wordt langzaam een fatsoenlijk wegennetwerk aangelegd. Ik ben een optimist. Als Angola deze lijn vast weet te houden gaat dit land een mooie toekomst tegemoet.’

Wonen in Luanda is heel andere koek dan wonen in Lissabon, zegt de 31-jarige consultant: ‘Ik leid een redelijk normaal leven hier, behalve dat ik in de avonduren beter niet over straat kan lopen. Maar er zijn grenzen. Als mijn vrouw en ik ooit bedreigd worden met een vuurwapen, dan vertrek ik direct.’ Ondanks zijn optimisme heeft zelfs Reis een noodplan in zijn achterhoofd: ‘Mocht het ooit misgaan in dit land, dan pak ik de auto en rijd ik met Joanna naar het zuiden, richting Namibië. Wist je dat de Amerikaanse rapper 50 Cent tijdens een optreden in Luanda beroofd is? Iemand klom het podium op en jatte zijn gouden ketting. Dat krijg je als je komt rappen over wapens en gangsters in een land waar het merendeel van de jongeren ook echt werkloos is en in een sloppenwijk woont.’

Zijn vriend Paulo heeft ondertussen een paar flessen bier gehaald. De zaterdagavond is koel in Luanda. De reden waarom Portugezen voor het eerst sinds jaren weer massaal naar Angola trekken is simpel volgens hem: ‘Geld. Iedereen is hier voor de centen. Natuurlijk zullen mensen je vertellen dat ze willen meebouwen aan de toekomst van Angola, enzovoort. Maar het salaris dat ik hier in Luanda krijg is veel hoger dan ik thuis ooit zou durven dromen.’

Portugal heeft op dit moment niet veel te bieden aan jonge professionals, vinden beide expats. Toch twijfelen ze, ondanks alle mogelijkheden die groeiland Angola in petto heeft voor ambitieuze Europeanen, aan een toekomst op de lange termijn in het uitgestrekte Afrikaanse land: ‘Ik ben eerlijk gezegd erg sceptisch over Angola. Ik blijf hier zolang ik goed geld kan verdienen en dat in Portugal niet kan. Op dit moment is het leven goed, maar er is te veel ongelijkheid en te veel armoede. Mocht de huidige president overlijden, dan kan het land makkelijk weer exploderen. Niemand weet wat er dan gebeurt. Ik zit dan in ieder geval in het eerste het beste vliegtuig terug naar Portugal.’


Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.


Beeld: (1) Luanda - huizen gebouwd voor de gezinnen van buitenlandse medewerkers van oliebedrijven (Ami Vitale / Panos / HH). (2) Luanda ‘De welvaart moet eerlijker verdeeld worden’ (Dieter Telemans / HH).