Verschillendheid en cultuur

Iedereen is Jonas

Voor de Algerijnse schrijver Kamel Daoud is de grote vraag van deze tijd: wat doen we met de Ander? Wat doet bijvoorbeeld het Westen met de zuidelijke immigrant? Maar ook: wat doet het Zuiden zelf met een vreemdeling? Kan literatuur de wereld redden?

Medium anp 57557369
Een Syrische vader voedt zijn zoon voordat ze de overtocht gaan maken vanuit Turkije naar het Griekse eiland Lesbos, 2016 © Bullent Kilic / AFP / ANP

Een jaar geleden stelde een Franse journaliste me een vraag die me sindsdien achtervolgt: ‘Wat is de meest urgente filosofische kwestie van deze tijd?’ Ik ben geen filosoof, maar schrijver en journalist: dat wil zeggen iemand die zich bezighoudt met duiding, actualiteit en de korte termijn, en met wat in de buurt zou kunnen komen van eeuwigheid. Maar ik ben ook een mens, ongerust, bezorgd over de tijd waarin ik leef en op zoek naar manieren om het raadsel van mijn aanwezigheid op aarde op te lossen. Lange tijd was ik van mening dat de dood een mysterie is waarover je moet nadenken. Sinds kort weet ik dat dat een misvatting is: juist het leven is het raadsel. De combinatie van mijn doodnormale aard, mijn toevallige geboorte en de absolute uniciteit van mijn leven is een enorm mysterie voor me. Een soort detectiveroman waarin het er niet om gaat wie er vermoord is maar wie er leeft, en waarom.

Op de vraag van de Franse journaliste antwoordde ik bijna spontaan: verschillendheid. Volgens mij is de grote vraag van deze tijd: ‘Wat doen we met de Ander?’ In tijden van vrede en macht wordt die beantwoord met nieuwsgierigheid en exotisme, met oriëntalisme, safari’s en reizen, met gemengd-zijn en compassie. In tijden van crisis wordt die beantwoord met afwijzing, moord, onverschilligheid of angst.

Toen ik deze tekst voorbereidde, wilde ik het gaan hebben over identiteit en alle valkuilen en wonderen die daarbij horen. Het woord ‘identiteit’ omvat de noodzaak om anders te zijn en te blijven zodat het iedere ontmoeting met een ander kan verrijken, maar er zit ook een element van egoïsme in, een afwijzing van de ander, een consensus die radicaal en suïcidaal kan worden. Identiteit is wat ik ben zodat ik dat kan delen, maar ook wat ik ben als ik verschillendheid afkeur. In mijn kunst is het dat wat ik tot uitdrukking probeer te brengen, maar in mijn angst dat waarin ik schuil. Identiteit kan iets zijn om te delen, maar ook conservatisme. Het is dus een schat met twee gezichten. Een wereld van paradoxen. In mijn land wordt het als excuus gebruikt om je niet te hoeven openstellen naar de wereld. Elders, in het Westen, wordt het door sommige mensen gebruikt als reden om de diversiteit van de wereld af te wijzen. Het woord draagt tegelijkertijd conservatisme en uniciteit in zich.

Als je teruggrijpt op mythes en verhalen kun je verschillendheid met bekende verhalen illustreren: Abel en zijn broer Kaïn, Meursault en de Arabier die hij vermoordde, Vrijdag en Robinson, André Gide en zijn aanbeden ‘jonge Arabier’. Er bestaan duizend varianten van het verhaal van de ontmoeting. Soms is het een vrolijk verhaal, af en toe is het pijnlijk en onverdraaglijk door het wantrouwen en de neerbuigendheid. Het kolonialisme is een geschiedenis van verschillendheid, maar de liefde is dat ook, iedere dag opnieuw. De Ander is een vervormd spiegelbeeld van jezelf en dus kun je de spiegel breken, de weerspiegeling afwijzen, een geretoucheerd portret van je narcisme maken of je eigen geheimen ontwaren. In het prachtige Vrijdag of het andere eiland verkent de Franse schrijver Michel Tournier daar de diepste erotische en filosofische wortels van.

***

Die verschillendheid kun je ook bespreken door de actualiteit van het Middellandse-Zeegebied erbij te halen. De huidige migratie is een tragische variant op de grote vraag van deze tijd: wat doen we met de Ander? Je kunt migranten bij de grens beschieten, je kunt zonnebaden terwijl ze verdrinken, je kunt ze helpen ten nadele van het toch al wankele evenwicht in de landen van herkomst, je kunt zeggen dat er met hun beeld op je schuldgevoel wordt gewerkt, je kunt ze beschouwen als een tragedie waarvoor je niet verantwoordelijk bent of als deel van een dreiging die je aangename leventje zal verpletteren onder het gewicht van de wereld. Immigratie en ‘Wat moeten we met migranten aan?’ zijn kwesties waarnaar mij het meest wordt gevraagd, naast ‘Wat willen islamisten bereiken?’ en ‘Waarom schrijft u?’

Als we teruggrijpen op de bijbelse mythologie vinden we het fascinerende verhaal van Jonas, de beroemde profeet die bekend is vanwege zijn lot, zijn schipbreuk en zijn fantastische boetedoening. Maar wat me in dat verhaal vaak van mijn stuk heeft gebracht is de reden waarom hij weigerde zijn god te gehoorzamen – het vertrekpunt van de mythe dus. Waarom zou ik een stad redden die bewoond wordt door mensen die anders zijn dan ik en tegenover wie ik onverschillig sta? Die van mij verschillen qua huidskleur en ras? Waarom moet het vraagstuk van redding worden opgerekt tot een vreemdeling met wie ik op geen enkele manier ben verbonden? Jonas vluchtte en maakte lange omzwervingen om ten slotte terug te keren naar de plaats van zijn lafheid en onverschilligheid. Tijdens zijn zwerftocht tussen Ninive, de stad vol vreemdelingen, en Tarsis, de stad van zijn ballingschap, manifesteerde zijn god zich in de gedaanten van een gebiedende stem, een noodlottige loting, een reusachtige vis, een storm en een wonderboom. Uiteindelijk keert Jonas terug naar Ninive, dat dan al door de god is gered.

In het laatste deel illustreert de bijbelse God nog een les die me nog steeds intrigeert: de begrenzing van het geweten van de intellectueel of de profeet, die geëmotioneerd kan raken door het sterven van een boom – een natuurkwestie – maar niet door een stad die ten prooi dreigt te vallen aan vlammen en toorn. Jonas huilt over de dood van een boom, een Wonderboom die zijn God heeft laten groeien en sterven en waaronder hij schaduw vond. De mens Jonas bleek niet gevoelig voor de mogelijkheid dat onder zijn ogen duizenden mensen zouden sterven, maar wel voor de dood van een heester.

De Ander is een vervormd spiegelbeeld van jezelf en dus kun je de spiegel breken, de weerspiegeling afwijzen

Tegenwoordig wordt het Westen er vaak van beschuldigd dat het zijn geweten – soms te goeder trouw – begrenst. Er wordt gezegd dat het Westen door zijn koloniale verleden schuldig is omdat het grond, rijkdom en waardigheid gestolen heeft. Tot op de dag van vandaag wordt het Westen aangeklaagd vanwege dat verleden en ook vanwege de geavanceerde onverschilligheid die ertoe leidt dat men huilt om een film als Titanic en niet om honderden drenkelingen in de Middellandse Zee. Dat is ook zo. Het Westen is ook schuldig. Maar ik zelf net zo goed. Dit is misschien de duidelijkste manier om mijn verontwaardiging jegens mijn omgeving uit te drukken: dat ze in staat zijn het Westen van van alles te beschuldigen en tegelijk iedere dag, bij iedere mislukking, de eigen verantwoordelijkheid af te wijzen.

***

In het land waar ik woon wordt me verweten dat ik me grof uitdruk, dat ik het recht opeis om klare taal te spreken. Ten onrechte wordt dat als zelfhaat gezien, terwijl het er eigenlijk op neerkomt dat ik veeleisend ben jegens mezelf en mijn omgeving. Voor mij is het Westen niet rechtvaardig en niet onrechtvaardig. Ik hou er niet van om rechtvaardigheid te beschouwen als een gunst van een ander, als een geschenk. Ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn wereld, en die verantwoordelijkheid kan niet worden versluierd met een postkoloniaal discours, dat eerst een pleidooi was voor herstelbetalingen en erkenning en nu een ideologische gewoonte is geworden. Die veeleisendheid strekt zich uit tot alles en iedereen. Ik ben het moe om te horen dat wij slachtoffers zijn en het Westen onze beul, die verantwoordelijk is voor onze huidige situatie. Zo vaak als ik kan heb ik opgeroepen dat we het gewicht van de wereld op onze schouders moeten nemen en dat we ons geweten, dat door achterhaald militantisme is verhard, moeten doorspoelen.

Hoe kan ik duidelijk maken wat ik bedoel? Ik word vaak gevraagd te spreken over de tragiek van de migranten, en een deel van degenen die me bij jullie interviewen verwacht van mij een rechtszitting of een aanklacht. Men is – terecht – verontwaardigd over het gebrek aan solidariteit met rampen elders in de wereld. Ik word gevraagd te beschuldigen en te veroordelen en dat doe ik dan ook. Maar als ik dat doe, probeer ik dat zo veelomvattend en onpartijdig mogelijk te doen, zodat het iedereen omvat en we tot een oplossing kunnen komen die gezamenlijk tot stand wordt gebracht.

Ik herinner me een gesprek op de Frankfurter Buchmesse waar men er zo ongeveer van uitging dat ik de problemen rondom de migratie zou bespreken als een misdaad begaan door het Westen. In mijn antwoord leek ik haast onverschillig over de behandeling die migranten bij aankomst ten deel valt. Het belangrijkste, zei ik, inwoner van het Zuiden, zijn niet de omstandigheden van de ontvangst, maar de redenen van vertrek. Hoe we die kunnen wegnemen, repareren, ontkrachten. Zoiets valt verkeerd in de lange postkoloniale intellectuele traditie, maar het is wel de waarheid: de – terechte – pleidooien voor een menselijke ontvangst laat ik aan anderen over, en ik behoud me het recht voor om de onmenselijke redenen van vertrek te veroordelen. Ik weiger mijn geweten af te sluiten en er het instrument van te maken voor een rechtszaak tegen het Westen, zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de onmenselijkheden die in mijn eigen land tegen migranten worden begaan.

***

Natuurlijk pleit ik het Westen niet vrij om het een plezier te doen: ik woon er niet en ik hou er niet van om dingen te ontkennen of te schipperen met mijn geweten. De kolonisatie was een misdaad, maar ons huidige falen is dat ook. De elites uit het ‘Zuiden’ moeten verantwoordelijkheid nemen en ophouden hun falen te ontkennen en degenen die daar anders over denken als verraders af te doen. Die afwijzing van verantwoordelijkheid heeft ons in het Zuiden ertoe gebracht om een begrenzing van het geweten te verdedigen die even rampzalig is als medeplichtigheid aan het misdrijf. Dagelijks lees ik in mijn land in conservatieve of islamistische kranten steeds nieuwe artikelen waarin Sub-Saharaanse migranten ‘Afrikanen’ worden genoemd, alsof wij Maghrebijnen Japanners zijn. Die migranten worden beschuldigd van misdrijven, geweld, ziekte, bedreigingen. Dat wil zeggen dezelfde misdaden waarvan illegale Maghrebijnen in Europa worden beschuldigd. Die begrenzing van het geweten, die ertoe leidt dat mensen in het Westen liever zonnebaden dan drenkelingen redden, hanteren wij in het Zuiden voor de Sub-Saharaanse migrantenstromen.

In een en dezelfde krant kun je een verontwaardigd artikel lezen over de gewelddadige uitzetting van Algerijnse immigranten uit Frankrijk, terwijl de deportatie van vijfhonderd Sub-Saharaanse migranten uit een Algerijnse stad, enkel en alleen omdat een van hen van een misdrijf wordt beschuldigd, nauwelijks aandacht krijgt. Wanneer het over wereldwijde rampen gaat, is het intellectuele en morele geweten van het Zuiden geen haar beter dan de rechtszaak die het heeft aangespannen tegen het westerse geweten. Dat moet uitgesproken en veroordeeld worden, zodat we in onszelf het leven en de wereld beter kunnen herstellen. Aan de weigering vreemdelingen te redden waar Jonas zich schuldig aan maakte, maken ideologische stromingen en kiezers in Europa zich evengoed schuldig, en de intellectuelen en volkeren in het Zuiden eveneens. Om het Westen de schuld te kunnen geven moet je schone handen hebben en mijn handen zijn niet schoon. Dat zeg ik niet om vergeving te krijgen, maar zodat het vraagstuk van schuld en verantwoordelijkheid kan worden aangepast.

Op bepaalde momenten is ieder van ons Jonas. Het idee dat we de vreemdeling moeten redden en de noodzaak om een ethiek van solidariteit te construeren die verder gaat dan het opmerken van verschillen, zijn belangrijk voor mij.

Je kunt eindeloos praten over identiteit, kolonisatie, het Westen en het Zuiden. Maar dat gesprek is pas zinvol als je het kwaad en het leed in jezelf erkent. Voordat ik hier, naar u, toe kwam, had ik dit optreden bijna afgezegd. Ik heb een kind van zes maanden dat ernstig ziek is geweest. Plotseling speelde van buiten de grens van mijn ideeën, mijn boeken en mijn eigen gedachten, de kwestie van ballingschap op, maar ditmaal ballingschap vanwege bloed. Het pijnlijke bloed: om mijn zoon te redden was en ben ik bereid in ballingschap te gaan, terwijl ik het idee van een vertrek altijd heb afgewezen. De reden spreekt voor zich: mijn kind redden. Dat is een recht. Een plicht. Een vereiste dat verder gaat dan mijn ideeën en dat aan de wortels raakt van zuiver instinct. Dat is een noodzaak die wordt gevoeld door duizenden mensen die hun leven of dat van hun kinderen willen redden.

Aan de andere kant ben ik een Algerijn uit Oran: de aanblik van de Sub-Saharaanse migranten op een paar honderd meter afstand van mijn huis verontrust mij ook. Ik weet niet hoe ik een evenwicht moet vinden tussen mijn angst, mijn onverschilligheid, mijn menselijkheid en mijn gulheid. Ik vrees voor het aangename bestaan dat ik in de loop der jaren heb opgebouwd. Ik vrees voor mijn veiligheid. Ik ben zowel u als de migrant, de westerling als de Sub-Saharaan. Zo is de wereld, de huidige, voor iedereen. Ik weet niet hoe ik moet beslissen en soms heb ik de moed om er zomaar over na te denken. Ik begrijp de redenen van degenen die niet willen ontvangen en ook van degenen die de woestijn en de zee oversteken om het reddende land te bereiken.

Je kunt niet duizenden kilometers lopen omdat je vrij wilt zijn en dan die vrijheid ontzeggen aan je echtgenote die achter je aan heeft gelopen!

Er is een fascinerende Griekse mythe: Heracles vecht langdurig met het monster Antaios. Iedere keer dat hij het monster vloert en het de grond raakt, staat het weer op. Telkens wanneer het de aarde raakt, die zijn moeder is, komt hij weer tot leven. Heracles wint als hij begrijpt dat hij hem op zijn rug moet tillen en hem daar moet wurgen. Dat betekent dat wij het Kwaad, de radicale denkbeelden, moeten optillen en ze op onze rug moeten nemen om ze te kunnen verstikken. Alle radicale ideeën hebben gemeen dat ze weer tot leven komen als ze op de grond worden gegooid in plaats van te worden opgetild of aangehoord zodat ze, inclusief hun bijbehorende discours, ontmanteld kunnen worden en de kracht verliezen om beter over onze angsten te spreken dan wij zelf. Je kunt Antaios niet verslaan door zijn bestaan te ontkennen, maar door verantwoordelijkheid te nemen.

In een artikel over de ‘gebeurtenissen in Keulen’ van twee jaar geleden kwam ik tot de conclusie dat het noodzakelijk is om mensen te helpen, maar dat de vluchteling tegelijkertijd de plicht heeft om de vrijheid en de veiligheid waarvoor hij naar het noorden van de wereld komt te bewaren en beschermen. Je kunt niet duizenden kilometers lopen omdat je vrij wilt zijn en vervolgens diezelfde vrijheid ontzeggen aan je echtgenote die al die tijd achter je aan heeft gelopen! Ik dacht en denk dat je niet tegelijkertijd van vrijheid kunt dromen en die kunt vernietigen. Dat je vrijheid bouwt met je verschillen maar ook met je instemming, dat je offert en geeft, dat je accepteert maar ook in stand houdt. Wortels en oogst. Weggaan omdat je medische hulp voor je kind zoekt is een plicht, maar het veroordelen van hoe het er in de ziekenhuizen in Algerije aan toe gaat, de smerigheid, de demotivatie, de ontluistering, de klinkende mislukkingen, zijn een ethische plicht. Het was een van de weinige keren in mijn leven dat ik over ballingschap heb nagedacht. Om mijn bloedlijn te redden, leven dat verder gaat dan dat van mij.

Sinds die week van intens verdriet kijk ik met andere ogen naar ieder Sub-Saharaans kind dat door zijn moeder wordt vastgehouden bij de rode verkeerslichten op de kruisingen van Oran. In ieder leven zie ik mijn plicht, mijn verantwoordelijkheid, mijn lafheid en mijn recht op leven. Het ontkennen van de ander beschouw ik eerst in duizend anekdotes in mijn eigen land; pas daarna kijk ik naar andere plaatsen. Het is het tekort van de nabijheid, van de grenzen van mijn blikveld. Toen ik in een buitenwijk van Oran stond te wachten op groen licht zag ik op de paal van het verkeerslicht een affiche hangen: ‘Maak gebruik van dit moment om Allah om vergiffenis te vragen.’ Zulke affiches hadden vlijtige gelovigen overal opgehangen. Het stoorde me enorm: bij hetzelfde rode licht waar een Sub-Saharaanse vrouw met haar baby wacht, vindt dat religieuze geweten, begrensd door afwijzing, een manier om me aan te spreken op mijn zogenaamde schuld jegens een god en niet jegens een menselijk wezen. Over die afwijzing wil ik de rest van mijn levensjaren spreken. Ook hierin ben ik Jonas: is een god mijn eigendom, kan die niet worden uitgebreid om de menselijkheid van een ander te omvatten? Is de stad Ninive, die Jonas weigerde te redden, de Ander die tegenover ons staat, die we ontvluchten en ontkennen, waarvan we weggaan om er dan terug te keren?

Ik droom van een verantwoordelijkheidsgevoel dat niet geconditioneerd is door postkolonialisme, door geklaag, door het afwijzen van duidelijkheid, door een gemakkelijk leven, door oost of west, door de ene godsdienst of juist door de andere. Maar wat is het moeilijk om zo’n stellingname te verdedigen die de angst van de een probeert te begrijpen en het recht op leven van de ander wil erkennen. Ik droom van een soort Jonas die geen tijd verspilt met vluchten, verdrinken, terugkeren op vaste grond en huilen om een boom. Ik zou willen dat hij niet beloond wordt voor die dode, dodelijke tijd. Ik pleit voor verantwoordelijkheid. Op het eiland waar Robinson Crusoe schipbreuk leed volgde de onvermijdelijke ontmoeting met Vrijdag. Er zijn duizend keuzes en iedere keuze heeft duizend redenen. Het is even oneindig als vrijheid.

Medium hh 15535988
In de stad Ghardaia in Algerije wonen Afrikaanse migranten met elkaar in een half afgebouwd gebouw. 2013 © Piet den Blanken / HH
***

Het komt erop neer dat ik wil pleiten voor het recht om te vechten voor menselijke, waardige ziekenhuizen in mijn land en voor ieders plicht om voor het leven van zijn kinderen te vechten. Dat is de basiswet van onze geschiedenis: reizen, hopen, ontstijgen en vechten. Sterven en tot leven wekken.

Mijn visie is een Zuiden dat verantwoordelijkheid neemt en een Noorden dat betrokken is. De migrant arriveert niet zonder cultuur en hij kan besluiten die cultuur te delen in plaats van zich erin terug te trekken. Het land dat hem ontvangt zal van zijn cultuur een menselijke waarde maken, geen excuus om zich naar binnen te keren. De aarde is rond en niet plat, wat complotdenkers ook mogen beweren. Dat betekent dat wanneer je eromheen reist, je terugkeert bij jezelf. Welke kant je ook op gaat.

Als je gebruik maakt van het koloniale schuldgevoel om concessies te krijgen over menselijke en modernistische waarden kun je verstrikt raken. Net als wanneer een godsdienst een gemeenschap gijzelt en zich tot haar enige zegsman maakt, het enige onderscheidende, de enige spreekbuis en cultuur. Dan raak je verzeild in vreemde situaties waarin radicalisme wordt verdedigd vanuit schuldgevoel, naastenliefde of solidariteit met de slachtoffers van de koloniale geschiedenis. En goede bedoelingen komen in gevaar, want wie de radicalisering bestrijdt om de gemeenschap te bevrijden die erdoor wordt gegijzeld, wordt beschuldigd van een aanval op die gemeenschap.

Aangezien een godsdienst niet het eigendom is van een bepaalde gemeenschap of van een bepaalde persoon in het bijzonder ben ik van mening dat die open moet staan voor overwegingen en universele kritiek en niet mag dienen om uit te sluiten, te stigmatiseren, en ook niet om zichzelf af te zonderen en verantwoordelijkheid uit de weg te gaan, zowel in mijn land als in het uwe. Ofwel de islam is een universele godsdienst, en dan moet je accepteren dat hij in beweging is door mensen met twijfels en ideeën, ofwel de islam is dat niet en dan moet hij beperkt blijven tot de privésfeer en mag hij niet als reden worden gebruikt om je af te sluiten of overal op de wereld te roepen dat men slachtoffer is en door heel de wereld wordt afgewezen.

Aangezien je een mens kunt doden uit naam van een boek mag ik graag denken dat je met andere boeken levens kunt redden
***

Het oriëntalisme is op sterven na dood. Al een halve eeuw lang. Het heeft tot reusachtige misverstanden geleid, terwijl het de vreedzame, chaotische of beperkte mogelijkheid in zich droeg van wederzijds begrip. Er is niets van over. Het discours over het zelf is gegijzeld door radicale en raciale verschillendheid, en het discours over de Ander gaat meer over angst dan over nieuwsgierigheid. Men zondert zich af. Hier zie ik een soort droombaan voor mezelf: ‘occidentalist’ worden. Nadenken over het Westen en mijn ideeën, mijn tegenstrijdigheden, mijn verwarring erover afpellen. Mijn omgeving vertellen over mijn reizen en ze confronteren met verschillen.

In het Zuiden is het Westen een gedroomde, maar tweeslachtige plaats. Men droomt ervan het te bezoeken, maar ook het te vernietigen. Men wil er wonen en het ook omverwerpen. Men wil het bekeren maar ook genieten van de vrijheid die er mogelijk is. Het Westen is een geslachtsdeel, een lichaam, vrijheid, een verhaal, maar ook de herinnering aan geweld, de plaats van onze tegenstrijdigheden, een grens en een plaats die wordt afgekeurd. De migrant droomt ervan er te wonen, maar wil er wel zijn verschillendheid behouden. De islamist die onderdrukt wordt door het repressieve bewind zoekt er onderdak terwijl hij het afwijst, afkeurt en verwerpt. Het bewind gebruikt de herinnering aan het kolonialisme om zijn legitimering bij de ontgoochelde bevolking te masseren – postkoloniaal populisme – en toch stuurt het zijn kinderen naar het Westen, koopt het er zijn spullen en vlucht het er in geval van onrust en opstand naartoe. Het Westen is zowel het beeld van de voortdurende kruistocht, van de kolonisatie waaraan men de herinnering wil bewaren, als een plaats van redding en van verlies, van het lichaam en van licentie, een gebied dat een verhaal is en een verhaal dat wordt omzeild om van het gebied te profiteren. In het Zuiden is het een eigen grondgebied.

Het Westen kan voor alles dienen, en vooral om geen verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen wereld.

\*\*\*

Als plaats vol tegenstellingen lokt het Westen de vrije intellectueel uit het Zuiden in de val. Momenteel worden wij van Marokko tot Oman beschuldigd van alle mogelijke kwaden omdat we menselijke waarden als vrijheid, orgasme, lichaam, democratie of gelijkheid verdedigen, die geen vaandels van het westerse denken zijn, maar reddende waarden voor iedereen. Aangezien zulke waarden ook westers zijn, worden degenen die ze tot middelpunt van hun leven maken uitgesloten: ze zijn verwesterd, en dus zijn ze verraders. De conservatieven en de religieuzen hebben zich de rol toegeëigend van bewaarders van authenticiteit, traditie en patriottisme door ons naar de marge en de dood te verdrijven.

Bovendien wordt de intellectueel in het Zuiden geconfronteerd met het dilemma van Jonas: moet je blijven en je opofferen voor het heil van je naasten, voor de mogelijkheid dat het over twee of drie generaties goedkomt, of vertrekken en je leven, je lichaam, je kinderen redden? Moet je je inzetten voor het welzijn van een bevolking die misschien onverschillig staat tegenover je argumenten, boeken en artikelen, of moet je naar Tarsis vertrekken? Jonas vertrok en keerde terug. De les van deze fabel – een van de lessen – is dat de reikwijdte van de intellectuele verantwoordelijkheid wordt uitgebreid tot het gebied van de onbekende Ander, de vreemdeling. Dat is een lang antwoord op de vraag ‘Wat moet je voor de Ander doen?’ Wanneer het Westen ons helpt, veroordeelt het ons. Maar wanneer het zich niet bekommert om onze inspanningen veroordeelt het zichzelf tot eenzaamheid en mislukking. Het pad tussen solidariteit en het pleidooi voor verschillendheid is smal. De verbinding is beducht op hindernissen.

De beste weg naar deze solidariteit blijft voor mij Cultuur, het enorme rijk van betekenissen, arbeid, inspanning en aanspraak op de eeuwigheid. Cultuur is datgene waar de cyclische waanzin van fascisme en radicalisme zich als eerste tegen richt. Want cultuur bevestigt de kern – verschillendheid –, ze relativeert overtuigingen, herinnert ons aan de waarde van het individu voorbij de utopie van de staat, maakt reizen en ontmoetingen mogelijk voor degenen die daar de middelen niet voor hebben, stelt de ander open voor het intieme in zichzelf en verkleint de afstanden ten gunste van nieuwsgierigheid. Het gaat er dus om de verspreiding van cultuur te vergroten. In beide richtingen, in alle mogelijke richtingen. Ik neem het graag op voor vertalingen, de reis van boeken en werken, de uitwisseling van talen en verhalen. Ik zie een mogelijkheid om de wereld te redden door middel van vertalingen.

Kan literatuur de wereld redden? Kan een boek leven schenken? Ik antwoord vaak van wel: aangezien je een mens kunt doden uit naam van een boek mag ik graag denken dat je met andere boeken levens kunt redden. Ik heb een geloofsband met de literatuur. Lezen heeft me de wereld gegeven, een allesomvattende nabije bekendheid met tijdperken en streken, ook al woonde ik in een dorpje zonder banden met de buitenwereld. Lezen heeft me laten reizen en in duizend levens laten delen, en heeft me ertoe gebracht om mijn verschillendheid niet te beschouwen als waarheid maar als een onderhandeling vol geluk en vertrouwen. Literatuur helpt; romans hebben geen paspoort en als je ze dat opdringt verworden ze tot propaganda. Schrijven is een prachtige oefening in de gave van het zelf en een bevestiging van je uniciteit. Het is de plaats van de perfecte identiteit, gelukkig en vrijgevig. Met de jaren zijn er nog maar weinig dingen waarin ik geloof, maar hierin geloof ik nog, vol vuur.

***

Ik mag er graag over nadenken wat er met het verhaal van Robinson Crusoe was gebeurd als hij een Vrijdag had ontmoet die een boek onder zijn arm droeg. Of meerdere boeken, verhalen en mythes. Zou de schipbreuk dan niet geëindigd zijn met inspanningen om de ander te bekeren en het ridicule drogbeeld van superioriteit, maar met begrip? Ben ik naïef als ik dat geloof?

Van alle mogelijkheden stel ik me vooral deze voor: wat zou er gebeurd zijn als Jonas de boeken had gelezen die de auteurs van Ninive hadden geschreven, de stad die hem zo volkomen vreemd was? Had hij die stad dan aan zijn lot overgelaten? En hoe was Jonas geweest als hij zelf boeken had geschreven voor de inwoners van Ninive? Zou hij quitte staan, vergeven worden? Zouden de verschillende partijen hebben geprobeerd elkaar tegemoet te komen en te helpen? Ik weet het niet. Maar de literatuur is de enige haast universele dialoog die mogelijk is en die het unieke privilege heeft om gesprekken aan te gaan met vreemden, met mensen van ver weg, met doden, met degenen die nog niet geboren zijn en met mensen die elkaar niet mogen. Lezen is bedaren, niet alleen reizen. Literatuur helpt om identiteit te veranderen in solidariteit en het stelt de mens open voor zijn verontrustende toestand. We zijn er allemaal hetzelfde en verenigd, uniek en apart, we bezetten er om beurten het middelpunt van de wereld, de bewegende navel. Dat is de dialoog door middel van boeken en kunstwerken die we moeten nastreven. Literatuur werkt tegen navelstaren, van het individu en van de groep, en biedt iedereen op de wereld een schouwspel. Literatuur heeft me geholpen te overleven, en soms hou ik ervan om dat overlevingsverhaal te delen, om het te verdedigen en te pleiten voor de mogelijkheid om te schrijven en te lezen. Bij jullie kan dat, maar elders wordt dat steeds hachelijker.

We kennen allemaal die vraag die zo vaak wordt gesteld: ‘Welke boeken zou je meenemen naar een onbewoond eiland?’ Iedereen heeft wel een lijstje. Maar die vraag is niet zozeer fascinerend vanwege de keuzemogelijkheden als wel vanwege de metafoor die erin schuilgaat; hij laat zien dat de enige mogelijkheid om een eiland te ontdoen van eenzaamheid en opsluiting, het enige mogelijke tegenwicht tegen gevangenschap, boeken zijn. Hoe meer boeken je meeneemt naar een onbewoond eiland, hoe bewoonder het er wordt.

Kamel Daoud is een Algerijnse schrijver en journalist. Vanaf 1994 werkte hij voor de krant Le Quotidien d’Oran waar hij ook acht jaar hoofdredacteur was. In 2013 publiceerde hij de roman Meursault, contre-enquête, die in 2015 in Nederlandse vertaling verscheen als Moussa, of de dood van een Arabier. De veelgeprezen roman gaat de dialoog aan met L’Étranger van Albert Camus. Onlangs verscheen zijn tweede roman Zabor.


Deze tekst sprak Daoud uit tijdens Sign of the Times 3: Koloniale identiteit, een programmareeks georganiseerd door De Balie, Stadsschouwburg Amsterdam en Toneelgroep Amsterdam. Op 2 juni om 20.30 uur, tijdens het Forum on European Culture, is de vierde editie. Zie cultureforum.eu.

Vertaling: ManikSarkar