Essay De teloorgang van de waardigheid

Iedereen is weledelgestreng

Velen zien in Job Cohen de waardige staatsman waar Nederland al zo lang op wacht. Maar wat is waardigheid nog anno nu? We hoeven de koning niet meer zijn nachthemd aan te reiken en niemand neemt nog zijn pet af voor een hoge hoed.

In verkiezingstijd, als lijsttrekkers zich als ideale politici presenteren, blijkt hoe precair de waardigheid geworden is. Waardigheid wordt als een groot ideaal gezien, maar is ook een probleem voor politici geworden.
Sinds Job Cohen gelanceerd is als lijsttrekker van de pvda wordt hij in de media voorgesteld, zelfs toegejuicht, als de personificatie van de waardige staatsman waar het land nu al zo lang op wacht. Maar direct daarna, vaak nog in één adem, wordt het voetstuk weer onder hem vandaan gesleurd door de vraag te stellen of hij dit wel waar kan maken. Op het eerste gezicht een spannende vraag, maar bij nader inzien wijst de retoriek op iets wat in feite niets met Job Cohen te maken heeft.
Met de attributen van de politieke waardigheid kan een museum van vele verdiepingen worden gevuld: zilveren ambtsketens, ebbenhouten voorzittershamers, staven, scepters en schilden. Vele soorten uitdossingen van stamhoofden en koningen zoals verentooien en luipaardvellen, diamanten tulbandspelden, kronen, pruiken en hoge hoeden. Er zouden zalen zijn vol tronen van zilver en goud al of niet met baldakijnen, fijn bewerkte houten krukjes van Afrikaanse koningen en fluwelen zetels van moderne staatshoofden en ministers. Vitrines vol curiosa, zoals de lange nagel van een Chinese keizer, de snor en knevel van een negentiende-eeuwse dignitaris en honderden insignes, lintjes, medailles en sjerpen.
Waardigheid kent over de hele wereld oneindig veel verschijningen, maar het uiterlijk vertoon van autoriteiten is niet de essentie ervan. Kijk bijvoorbeeld naar een van die negentiende-eeuwse foto’s uit de koloniale tijd waarop een Europese bestuursambtenaar naast een inlandse magistraat is geportretteerd. De Europeaan in een smetteloos wit tropenpak en een zwarte overjas versierd met goudgalon. De inlandse magistraat in een gebatikte omslagdoek, een kunstig gevouwen muts op zijn hoofd en muiltjes met gekrulde neuzen aan zijn voeten. Beide mannen zijn waardig terwijl ze van elkaar verschillen als dag en nacht. Op geen enkele manier proberen ze op elkaar te lijken, want in hun houding, kleding en gedrag tonen ze zich zoals hun volk dat graag wil zien. Er is een wisselwerking tussen volk en hoogwaardigheidsbekleders. De twee mannen op de foto zijn waardig omdat ze beiden, elk op hun eigen manier, het beste vertegenwoordigen van wat hun volk kan zijn. De cultuur van een volk is samengebald in de waardigheid van koningen en magistraten.
Het paleis van Versailles is waarschijnlijk wel het indrukwekkendste overblijfsel van de vroegere Europese monarchieën. Het werd in de zeventiende eeuw gebouwd om de enorme hofhouding van de zonnekoning in onder te brengen, zo'n zesduizend hovelingen die met elkaar in een strikte hiërarchie moesten zien te leven. Posities aan het hof en het leger werden door patronage verkregen, de hoogste patroon van het land was de koning. Om op te klimmen moest een hoveling in de gunst staan van de koning, waardoor alle hovelingen probeerden steeds zo dicht mogelijk in zijn buurt te komen. Hieruit ontstond een enorm gedrang om de koning heen dat in banen moest worden geleid. Niet iedereen mocht zomaar in alle zalen komen. Wie laag in aanzien stond, kwam niet verder dan de eerste zaal. Terwijl de hoogsten in de hiërarchie het voorrecht hadden de ceremoniële dagsluiting in de koninklijke slaapkamer te mogen bijwonen. Het was de allergrootste eer de koning zijn nachthemd te mogen aanreiken onder het oog van een zaal vol jaloerse hovelingen. Iedere avond opnieuw werd de koning publiekelijk in zijn bed geholpen en iedere ochtend stond hij omringd door zijn hovelingen weer op. De koning kende bijna geen privacy, maar daaronder leed zijn waardigheid niet. Want al zijn bediendes kwamen uit de hoogste adellijke families en wie zich door verheven personen kan laten bedienen, kan zelf alleen nog maar verhevener zijn. Bovendien valt er voor dienaren niets te lachen als hun heer in zijn nachthemd voor hen staat. Zij zijn nederige cliënten die buigen voor hun patroon en hem in alles gehoorzamen. Het dienen van de koning was een gewichtige en serieuze aangelegenheid.

Maar na ruim een eeuw werden de formaliteiten aan het hof vermoeiend gevonden. Ze dienden geen duidelijk doel meer, vooral niet toen de schatkist bijna leeg was en de koning weinig te verdelen had. Praktijken die aanvankelijk de waardigheid van de koning onderstreepten werden nu potsierlijk. Velen geloofden niet meer in de koninklijke waardigheid en de ontevreden bourgeoisie greep haar kans om de machtsverhoudingen radicaal te wijzigen. ‘Vandaag hebben we onszelf ervan kunnen overtuigen dat een koning gewoon maar een mens is en geen enkel mens staat boven de wet’, zo jubelde een Parijse krant de dag na de terechtstelling van de Franse koning Lodewijk XVI. Hoewel dit nu een voor de hand liggende constatering is, was in 1793 vooral het eerste deel van de zin, dat de koning ook maar een mens was, reden voor triomf. Sinds eeuwen kwam de legitimatie van de koninklijke macht van God en werden aan de koning bovenmenselijke kwaliteiten toegeschreven. Met de executie van de koning was gedemonstreerd dat men niet hoefde te geloven dat zijn waardigheid, of die van welke andere autoriteit dan ook, vanzelfsprekend aan werkelijke macht gekoppeld was. Waardigheid was slechts een idee dat even makkelijk kon worden ontkend. En het publiek op de Place de la Révolution, twintigduizend toeschouwers en tachtigduizend ordebewakers, keek toe hoe de koning het schavot betrad en hoe de bijl van de guillotine een einde maakte aan zijn leven.
Sinds de revolutie zou niet afkomst maar talent bepalend moeten zijn voor benoemingen in overheids- en legerfuncties. Dat was het ideaal. Maar de gelijkheid waar men tijdens de revolutie op straat om riep, was nog lang niet gerealiseerd.
In de herfst van 1794 kwam het Franse Republikeinse leger de grens over van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden om, naar men beweerde, ook hier een politieke omwenteling tot stand te brengen. Gevluchte Nederlandse patriotten hadden, na hun bijna gelukte revolutie in 1787, zelf bij de Fransen erop aangedrongen Nederland te veroveren en de stadhouder te verdrijven. Militair gezien zou het nog niet meevallen de waterlinie te passeren, maar in de winter ging het zo hard vriezen dat het hele Franse leger onverwacht snel over de bevroren rivieren naar het noorden kon doormarcheren. Meteen toen de Fransen zich in Nederland installeerden met de bedoeling een democratisch regime te stichten, lieten ze lijsten opstellen van Nederlanders die in voorlopige besturen zitting konden nemen. Niet de elite, maar de mannen met de meest patriottische denkbeelden werden hiervoor uitverkoren, mannen met beroepen als procureur, chirurgijn en wijnkoper, die er zelfs niet van hadden kunnen dromen ooit zo'n positie te bereiken.
Het uiterlijk van een waardig man onderging na de revolutie een ware metamorfose. Van een koning of stadhouder met kleurige kuitbroek, zijden kousen en hoge hakken met zilveren gespen naar een burgerman met een sober lakens pak, een knellend strakke boord en een hoge hoed, alles zwart. De nieuwe machtsverhoudingen werden zichtbaar in een nieuwe vorm van waardigheid: soberheid, rationaliteit en zelfbeheersing, de normen van de burgerij.
Johan Rudolph Thorbecke heeft als schrijver van de grondwet van 1848 de toon gezet voor het Nederlandse parlement. Geboren in een patriottisch gezinde familie had hij een uitgesproken visie op hoe de Nederlandse politiek moest functioneren. Thorbecke, afstandelijk en formeel, hield zijn collega’s voor wat al dan niet parlementair gedrag was. In zijn verzamelde brieven gebruikt hij het woord waardigheid in combinatie met begrippen als rust en bedachtzaamheid. Hij prijst het kabinet dat dit veel kalmte en waardigheid aan de dag legt in een netelige buitenlandse politieke situatie. En hij noemt de Belgische politiek 'een onbesuisd geschreeuw zonder waardigheid noch samenhang’. Zijn collega Groen van Prinsterer schrijft over 'bedaardheid en waardigheid met standvastigheid en eenheid van doel’.
De formaliteit van de negentiende-eeuwse notabelen vereiste zelfbeheersing en contrasteerde met de volkse cultuur van de kleine burgerij en de ongeschoolde armen. Ze leken in verschillende werelden te leven. De armoede was toen werkelijk schrijnend, maar in het parlement werd dit afstandelijk besproken als 'het arbeidersvraagstuk’. Op een bevolking van drie miljoen waren aanvankelijk maar 75.000 mannen kiesgerechtigd. Maar de druk vanuit de lagere klassen nam toe en in de loop van de negentiende eeuw werd geleidelijk het kiesrecht verruimd.
Om hun achterban te mobiliseren spraken leiders als Domela Nieuwenhuis, Troelstra en Abraham Kuyper hun aanhangers aan in hun eigen taal en met veel meer emotie en retoriek dan men tot dan toe in het parlement gewend was. Er werd schande van gesproken. Toen het kabinet-Kuyper in 1901 aantrad, gruwden de oudere politici van zijn manier van doen. Jonkheer meester W.H. de Beaufort, afkomstig uit een adellijke familie met een lange traditie van bestuurders, beklaagde zich in zijn dagboeken over het optreden van Kuyper. Hij citeerde in 1902 met instemming het commentaar van een bevriende advocaat: 'Ik mag wel een beetje sans gene in regeeringspersonen, maar dit is beneden alles, de gansche waardigheid van de regeering is te grabbel gegooid.’ Jonkheer de Beaufort nam het Kuyper kwalijk dat hij een verkeerd buitenlands beleid had gevoerd, dat hij op te goede voet met journalisten stond en na bijna een jaar minister te zijn geweest nog geen enkele belangrijke wet had ingediend. Hij verbaasde zich er met name over hoe Kuyper hiermee wegkwam: 'Wanneer een vroeger minister het vierde part van dit alles had gedaan, dan zou de verontwaardiging de spuigaten zijn uitgeloopen.’ Hij probeerde te begrijpen hoe dit kon, zocht naar allerlei verklaringen, maar moest uiteindelijk machteloos concluderen dat de publieke opinie in de ban geraakt was van 'een zeker onbestemd gevoelen dat Kuyper een zoo buitengewoon groot man is, dat men van hem niet dan groote dingen kan verwachten, en dat wat hij doet of niet doet, ook al schijnt het verkeerd, toch in den grond zeker wijs en goed zal zijn’.
Kuyper, de voorman van de Anti-Revolutionairen, was gedreven om de belangen van de orthodoxe protestantse kleine burgerij, de middenstanders, en boeren te behartigen. Hij was behoudend en keerde zich tegen veel waarden waar in de Franse Revolutie voor was gestreden, al was dat al weer een eeuw geleden. Kuyper was een begenadigd spreker, vaak theatraal en daarom uit de pas met de gebruiken in de Kamer. In 1921 in een artikel in De Gids werd zijn optreden beschreven: 'Levend als de leider zijner “kleyne luyden” (…) beluistert hij de volkstaal op de markt des levens.’ 'Zwaar dondert z'n verwijt tegen de onverlaat en het is, als wil hij z'n tegenstander bedwelmen onder het gewicht der machtige mokerslagen van z'n dof beukend betoog - zoo klinken die zinnen met stage herhaling aan het alles beheerschende woord.’ Ook zijn tijdgenoot Troelstra, voorman van de arbeidersbeweging, paste niet in de bezadigde stijl van de negentiende-eeuwse politiek. Hij kon driftig worden, klom zelfs eens op zijn Kamerbankje om zijn woorden kracht bij te zetten.
De leiders van emancipatiebewegingen richtten zich in hun optreden op hun eigen aanhangers, die niet gevoelig waren voor 'burgerdeugden’ en in een poging ze uit hun kring te weren stelde de oude elite deze 'voormannen’ voor als notoire schenders van de waardigheid. 'Kalmte en waardigheid kunnen niet gemist worden bij een leider.’ En het ideaalbeeld van een 'volmaakt en onberispelijk staatsman’ werd daarmee nog sterker, want de normen die ze aan hun tegenstanders hadden opgelegd golden dan natuurlijk ook voor hen.

Als in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen in Nederland is aangenomen en in 1919 het vrouwenkiesrecht is het ideaal van de Franse Revolutie bestuurlijk gezien verwezenlijkt. Iedereen is voor de kieswet gelijk. Maar in de dagelijkse praktijk nog lang niet. Er is een bijna onuitroeibaar klassenbesef. Brieven worden nog altijd gericht aan weledelgestrengen, hoogedelachtbaren en hoogedelzeergeleerden. Ministers laten zich aanspreken met excellentie. Politici houden vast aan hun waardigheid.
De Duitse fotograaf Erich Salomon weet in de jaren twintig met een klein cameraatje en een lichtgevoelige lens heel listig tot achter de schermen door te dringen van de grote internationale conferenties waar de leiders van de westerse wereld in crisistijd proberen een nieuwe oorlog af te wenden. Hij betrapt ze buiten hun officiële decorum in houdingen die veel losser zijn dan men normaal gesproken ziet. Salomon is erbij als in Den Haag in januari 1930 de Tweede Haagse conferentie over de Duitse oorlogsschulden wordt gehouden. Er vindt een nachtelijke vergadering plaats in restaurant Anjema. Duitse en Franse ministers spreken met elkaar zittend om een klein tafeltje, pratend en luisterend, elkaar zichtbaar in de rede vallend. En dan is er een tweede foto, 'dezelfde scène twee uur later’. De één dommelt, de ander leunt achterover en lijkt bijna in slaap te zijn gevallen. Ze hebben de wereldproblemen op hun schouders genomen, maar uiteindelijk worden ook zij door vermoeidheid overmand.
Salomon werd in de jaren dertig vereerd met de titel 'koning van de indiscretie’, maar in zijn foto’s is niets te zien van wat wij nu indiscreties zouden noemen. Hij rukte slechts het beschermende pantser van de burgerlijke waardigheid af. De politicus bleek een gewoon mens te zijn, dat was nieuws en zijn foto’s werden gretig afgenomen.
Stukje bij beetje werden in de twintigste eeuw de autoriteiten van hun voetstuk gehaald. Dit ging gelijk op met de emancipatiebewegingen van arbeiders, vrouwen en studenten. In de VS verscheen The Selling of the President 1968 van Joe McGinniss. Het eerste hoofdstuk beschrijft tot in de kleinste details hoe Nixon, als presidentskandidaat, tot zes keer toe een tv-spotje overdoet en aanwijzingen krijgt hoe hij zijn hoofd moet houden, hoe hij op tijd, om zweet te voorkomen, uit het lamplicht moet lopen en hoe hij heel even naar de camera moet kijken en dan pas moet beginnen te spreken. De ogen van velen werden geopend toen bleek dat de presidentskandidaten reclamebureaus voor hun campagnes hadden ingehuurd. De blik achter de schermen gaf weer een nieuw inzicht: een politicus is weliswaar een gewoon mens, maar hij wordt aan de man gebracht alsof hij een pak waspoeder is.
In Nederland kwam de tv wat later dan in de VS, maar met hetzelfde effect op de waardigheid van politici. Ze kwamen minder vaak in grote zalen met opgewonden, juichende aanhangers en moesten leren via de tv als gast in de huiskamer te treden. Ze gingen zich daarnaar gedragen: niet te luidruchtig, liefst onderkoeld, bescheiden en zonder grote gebaren. Maar de kiezer heeft inmiddels een nieuwe blik ontwikkeld op alles wat men hem probeert 'aan te smeren’, maakt niet uit wat ’t is: soep, waspoeder of politiek. Op z'n best wordt er kritisch naar gekeken, maar vaker onverschillig. Dat is begrijpelijk, want de burger wordt met hetzelfde cynisme aangesproken door de politiek, hij wordt tenslotte ook behandeld als een consument. Dat is de wisselwerking tussen kiezer en politicus.
De waardigheid komt niet meer, zoals vroeger, automatisch met een functie. In de zeventiende eeuw heette een bestuurlijke functie een 'waardigheid’, een 'eerampt’, een 'aanzienlijk bewind’, of een 'dignité’. Wie een hoge functie kreeg, was 'in waardigheid geplaatst’. Maar in een democratie waarin een politicus zich moet bewijzen voor zijn kiezers hangt zijn waardigheid niet langer samen met zijn positie maar met zijn persoon.
De dag waarvan de Franse revolutionairen in 1787 hadden gedroomd, lijkt nu bijna aangebroken. Wat de waardigheid betreft: iedereen is citoyen geworden. Niemand hoeft meer een pet voor een hoge hoed af te nemen, niemand hoeft nog respect te tonen voor de ouderdom, vrouwen gaan niet langer voor en iedereen moet even beleefd alstublieft en dank u wel en meneer of mevrouw tegen elkaar zeggen. Wie zou het nog in zijn hoofd halen om een ander te verwijten dat hij 'zijn plaats niet kent’? Tot in de Amerikaanse getto’s is de boodschap doorgedrongen, 'respect man’ wordt eindeloos herhaald. Iedereen is aan elkaar gelijk waardoor de een niet waardiger kan zijn dan de ander.
De waardigheid die een gezagsdrager is gegeven, wordt door de machtsverhoudingen in de samenleving bepaald. En mocht de gelijkheid nu bijna zijn bereikt, zozeer zelfs dat men maar begonnen is aan de emancipatie van de dieren, dan moet er nog iets gevonden worden voor de waardigheid van de autoriteit. Want in zo'n ver genivelleerde samenleving is autoriteit onlogisch en daarom moeilijk te accepteren, of dit nu van controleurs en ordehandhavers, ministers of Tweede-Kamerleden komt. Wat maakt hen zo speciaal dat zij van alles over ons vertellen kunnen? Misplaatste waardigheid is ergerlijk en een autoriteit moet daarom steeds omzichtiger handelen.
In de komende verkiezingen voert waardigheid opnieuw de ondertoon, met nostalgie naar de vermeende rechtschapenheid van de negentiende eeuw. Maar het wordt een bijna bovenmenselijke prestatie om de illusie van de waardigheid tot aan de eindstreep overeind te houden. De paradox waarin politici gevangen zijn, is steeds moeilijker te omzeilen. Hoe moeten autoriteiten en burgers zich tot elkaar verhouden in een sociaal genivelleerde samenleving? Ooit zal daarvoor een nieuw politiek bestel ontworpen worden. Dan zal het beeld van de waardigheid weer worden bijgesteld of zelfs helemaal verdwijnen, omdat die even onhoudbaar is geworden als al het andere decorum dat ooit op de wereld heeft bestaan. Want dat politici gewone mensen zijn, daar zijn we nu wel achter.


Caroline Hanken is schrijfster van historische non-fictie. Ze publiceerde onder meer Gekust door de koning, over de koninklijke maîtresses aan het Franse hof (in het Duits, Hongaars en Spaans vertaald), De koning is dood!, een waar gebeurd verhaal dat afkomstig is uit de memoires van de markiezin De la Tour du Pin, en Door een Hollandse winter: De predikant, de hofdame en de revolutie van 1795