Ernst Toller, Een jeugd in Duitsland

Iedereen krijgt ervan langs

In Een jeugd in Duitsland blikt Ernst Toller (1893-1939) terug: op zijn eigen leven, de politiek in de roerige Republiek van Weimar en het mislukken van de revolutionaire beweging. Toller groeide op in een joods gezin in Samotschin (ook wel: Fritzenstadt) in de Pruisische provincie Posen. Met scherp oog voor detail roept hij zijn kinderjaren in herinnering. Chocolade in wikkels met plaatjes van Wilhelm II. Een kindermeisje met koralen om haar hals. Als hij vraagt: ‘Waarom werkt u altijd, moeder?’, antwoordt zij: ‘Omdat je wilt eten, kind.’

Ernst Toller, Een jeugd in Duitsland, € 22,90
Eine Jugend in Deutschland, € 34,50

Medium een jeugd in duitsland

Zijn memoires lezen als een coming of age-_roman: van een Duitser met nationalistische gevoelens en een oorlogsroes à la Ernst Jünger verandert Toller in een overtuigd socialist en pacifist. Eerst zingt hij als Duits soldaat in Parijs nog _Deutschland Deutschland über alles in der Welt. Aan het front volgt zijn bekering. ‘Volgens de feuilletons van de kranten zijn de Fransen een gedegenereerd ras, de Engelsen laffe kruidenierszieltjes, de Russen varkens; de behoefte om de vijand te vernederen, uit te schelden, te bezoedelen is zo misselijkmakend.’ Zijn humane protest kan in de Heimat echter niet op begrip rekenen.

Toller wil de reactionaire krachten vernietigen. Nooit meer mag het de heren kapitalisten lukken oorlogen te ontketenen en de arbeiders te verblinden. Hij gelooft hartstochtelijk in de revolutie: ‘De volkeren zijn geen volgzame horden meer, ze zijn ontwaakt en zullen de broedermoord verhinderen.’ Toller blijft overtuigd van zijn idealen, ook als hij na terugkeer van de loopgraven – met stilzwijgende toestemming van de sociaal-democraten – wordt opgesloten in een psychiatrische inrichting: ‘Ik constateer dat er twee soorten zieken bestaan: de ongevaarlijke liggen in getraliede, klinkloze kamers en heten gek, de gevaarlijke propageren dat honger een volk opvoedt, richten een bond op om Engeland te vernietigen en mogen de ongevaarlijke gekken opsluiten.’

Toller was actief in de upsd, een pacifistische partij die zich van de spd had afgescheiden. De sociaal-democraten van de spd versleet hij voor halve kapitalisten. Evenmin had hij het begrepen op de communisten, die geloofden de zaken in Duitsland hetzelfde te kunnen aanpakken als in Rusland. Zij wilden het land en de melk van de Beierse boeren confisceren. Republikeinen en revolutionairen, pragmatische politici en ‘fetisjisten van de economie’, bureaucraten en schrijvers: bij Toller krijgen ze er allemaal van langs, ze hebben allemaal ‘het volk aan het lijntje gehouden’, en de jeugd getroost met ‘de roes van leegte’. Als revolutionaire socialist minacht Toller gematigde sociaal-democraten als Friedrich Ebert en Philipp Scheidemann. Hij zet ze weg als reactionaire militaristen en verraders van de arbeidersklasse. Toller beklaagt de verdeeldheid op links, maar zijn uitspraken vormen er evengoed een illustratie van. Het was mede die verdeeldheid op links die de Republiek van Weimar, de eerste Duitse democratie, een wankele basis gaf.

Daartegenover staat de moed van een man die zich niet door gevangenis en vervolging uit het veld laat slaan. Een man die ervan overtuigd is dat Duitsland vanaf de grond nieuw moet worden opgebouwd, en gloedvol zijn boodschap van vrede, rechtvaardigheid en protest tegen misdaden verkondigt. Dat doet hij in een stormachtige tijd. Wie de ene dag de macht heeft, wordt de volgende dag beschuldigd van hoogverraad. In het ene hoofdstuk rekruteert Toller (als pacifist!) soldaten voor de rode garde, in het volgende zit hij in een cel vol wandluizen.

Toller beschrijft dit alles hautnah, bevlogen en met veel historische details. Wat opvalt, zijn de levendige portretten van tijdgenoten als Kurt Eisner en Thomas Mann. Eisner, de man die aan de wieg stond van de revolutionaire Beierse Radenrepubliek, wordt door Toller beschreven als een verlegen, bescheiden man – maar wel een met een voorbeeldige moed. In München liep ik eens langs het monument voor Eisner, met daarop de haast bijbelse tekst ‘Jedes Menschenleben soll heilig sein’. Nu, door Tollers memoires, zie ik hem voor me. En Thomas Mann, aan wie Toller zijn gedichten voorleest, komt allesbehalve afstandelijk over. ‘Hij laat zich de manuscripten geven, hij leest met mij elke strofe, prijst de ene en zegt waarom een andere ontoereikend is, bewonderenswaardig is zijn geduld, gepast en vaderlijk zijn raad (…) twee dagen later schrijft hij mij een lange brief, hij heeft ze nogmaals kritisch gelezen en onderricht de jonge man, die dit mooie gebaar nooit zal vergeten.’

Een jeugd in Duitsland verscheen in december 1933 bij de Amsterdamse uitgeverij Querido. Menno ter Braak noemde Toller in Het Vaderland ‘een schrijver van groot formaat, maar dan wel dat van een getourmenteerd mensch, die op hartstochtelijke wijze verknocht was aan een ideaal en daarvan dikwijls op schril-pathetische wijze kon getuigen’. Voor ons, in 2013, is Een jeugd in Duitsland vooral een document van een gepassioneerd revolutionair die in krachtige beelden zijn eigen leven en de Europese geschiedenis tot leven wekt.


Ernst Toller
Een jeugd in Duitsland: Memoires 1893-1924
Uit het Duits vertaald door John Luteijs. Met een nawoord van Ewout van der Knaap. Schokland, 192 blz., € 22,90