Iedereen leest

Heeft Laurent Binet een hommage willen brengen aan de Grote Franse Intellectuelen uit de twintigste eeuw, of heeft hij ze voorgoed weggezet als een bende praatjesmakers?

In zijn essay uit 1964 over de Eiffeltoren onthult Roland Barthes achteloos de droom van de moderne cultuur. Het vogelperspectief dat de toren aanbiedt, zo schrijft hij, ‘stelt de wereld voor als een leesbare en niet enkel zichtbare werkelijkheid.’ Staand op de Toren kan om het even wie naar Parijs kijken en de stad begrijpen en ontcijferen, door verbanden en ordeningen aan te brengen. Dat is het wat Barthes samen met een naoorlogse generatie filosofen en schrijvers ontdekt heeft: dat we de wereld lezen, en dat niet alleen boeken teksten zijn, maar dat alles wat mensen doen of maken een vorm van taal is die op interpretatie wacht. Leven is lezen. Daarom bezit het denken van Barthes een utopische lading: hij noemt de Eiffeltoren een gebouw dat elke bezoeker tot structuralist maakt. Iedereen leest: zelfs sightseeing zet mensen aan tot genietend lezen, maar ook tot kritisch ontcijferen en ordenend interpreteren. Het is de egalitaire kern van alles wat Barthes heeft geschreven: zie hoe ik lees, nadenk en geniet – dat kan toch iedereen!

Medium hh 13512132

De zevende functie van de taal, de tweede roman van de Franse auteur Laurent Binet (1972) en de opvolger van HhhH uit 2010, heeft daar veel mee te maken. Het vertrekpunt is briljant. Op 25 februari 1980 wordt Barthes in Parijs aangereden door een bestelwagen. Een maand later overlijdt hij. Tot zo ver de feiten. Binet fantaseert dat Barthes is vermoord, en politiecommissaris Bayard onderzoekt de zaak. Hij beschouwt zichzelf niet als semioticus of structuralist, en vordert Simon Herzog op, een jonge literatuurwetenschapper. Bad cop Bayard zegt eenvoudig: ‘Ik schakel u in. U lijkt me iets minder afgestompt dan de gewone langharigen en ik heb een vertaler nodig voor al dat gelul.’

Zo beginnen hun avonturen. Het blijkt dat Barthes voor zijn dood het bestaan had ontdekt van een vooralsnog onbekende of onbeschreven functie van de taal. In 1960 onderscheidde de Russische formalist Roman Jakobson zes taalfuncties, waaronder de referentiële functie (informatie uitwisselen), de emotieve (gevoelens uitdrukken) of de poëtische (talige schoonheid weergeven). Barthes is in het bezit gekomen van een ongepubliceerd handgeschreven fragment van Jakobson, waarin hij een zevende capaciteit definieert. Het is om wille van dit papiertje dat hij door spionnen is aangereden, en het is dit papiertje dat Bayard en Herzog – en ze zijn lang niet de enigen – in 1980 willen bemachtigen.

Uiteindelijk is het niemand minder dan Umberto Eco die hen in het treinstation van Bologna duidelijk maakt wat deze zevende functie van de taal kan zijn. ‘Laten we ons eens een functie van taal voorstellen’, zo doceert de Italiaanse schrijver, ‘waarmee we op veel grotere schaal willekeurig wie kunnen overhalen willekeurig wat in willekeurig welke situatie te doen. Iemand die een dergelijke functie kent en beheerst, zou virtueel meester over de hele wereld zijn. Zijn macht zou onbegrensd zijn.’

Alles is een spelletje, alles verwijst naar iets anders, niets is echt waar en de lezer heeft altijd gelijk

Daarom moest Barthes sterven: ‘Als iemand zich de zevende functie exclusief wil toe-eigenen, moet hij er zeker van zijn dat er geen kopieën van bestaan.’ Na deze onthulling neemt Eco om 10.17 uur de trein naar Milaan. Om 10.25 uur explodeert het station van Bologna: een terroristische aanslag, vermoedelijk door een groepering die de zevende taalfunctie al bezit, maar de verspreiding ervan wil beletten. Simon is bij de overlevenden: ‘En dan ziet hij de Franse smeris ineens uit de puinhopen opduiken, Bayard, onder het stof en stevig als altijd, er gaat kracht en een doffe, dogmatische woede van hem uit, op zijn rug draagt hij een bewusteloze jongeman en zijn spookachtige verschijning in deze oorlogsscène maakt indruk op Simon, het doet hem aan Jean Valjean denken.’

Het is slechts een van de spectaculaire en tegelijkertijd licht onnozele episodes in dit boek – bewust onwerkelijk, indrukwekkend maar ook ironisch, en paradoxaal verwijzend naar zowel populaire als klassieke cultuurproducten. Politieman Bayard deelt bijvoorbeeld zijn familienaam met de auteur van het zelfhulpboek Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen; Jean Valjean is de held uit Les misérables van Victor Hugo, en niet zozeer een politie-inspecteur als wel een ex-bajesklant. In andere scènes speelt Binet niet met fictieve personages, maar met historische figuren: beroemde schrijvers en hoofdrolspelers in de French Theory uit de jaren tachtig en negentig. Enkelen onder hen – Lacan, Bernard Henry-Levy, Philip Sollers – hebben een gezellig dinertje achter de rug. ‘De avond loopt ten einde. Lacans maîtresse zal met bhl naar huis gaan. De Bulgaarse linguïst zal de Canadese feministe naar huis brengen. De Chinese zal alleen naar haar delegatie gaan. Sollers zal als hij inslaapt, dromen van een orgie die niet heeft plaatsgevonden. Opeens maakt Lacan een uiterst ontmoedigende opmerking: “Merkwaardig hoe een vrouw, als ze eenmaal geen vrouw meer is, de man die ze tot haar beschikking heeft, kan vermorzelen… Vermorzelen, ja, voor zijn eigen bestwil, natuurlijk.” Gegeneerde stilte bij de andere gasten. Sollers verklaart: “Koning is hij die de heftigste castratie-ervaring met zich meedraagt.”’

In Frankrijk is vorig jaar na het verschijnen van La septième fonction du langage vooral gediscussieerd over het satirische gehalte van Binets roman. Heeft hij een oprechte hommage willen brengen aan de Grote Franse Intellectuelen uit de twintigste eeuw, of heeft hij ze voorgoed weggezet als een bende praatjesmakers zonder duidelijke ideeën, en met slechts genot en status voor ogen? Het is een onmogelijke vraag, want het een sluit het ander niet uit. Binet respecteert de semiotiek en het structuralisme in die mate dat zijn boek de consequenties ervan tot in het absurde uitvergroot. Als Barthes ons leerde dat leven altijd een vorm van onbeslist en individueel lezen is, dan creëert Binet een fictioneel universum waarin die overtuiging op elke moment wet is geworden, met alle gevolgen vandien. Alles is een spelletje, alles verwijst naar iets anders, alles kan op meerdere manieren worden geïnterpreteerd, niets is echt waar, alles is altijd een klein beetje ironisch, de lezer heeft altijd gelijk, iedereen stelt zijn eigen boek samen en niet één lectuur is identiek – schrijven, spreken en lezen doen we enkel om weerstand te bieden aan het grote gelijk.

Later in het boek zal Philip Sollers trouwens echt gecastreerd worden omdat hij een wedstrijdje retoriek heeft verloren. Die woordenstrijd vindt plaats tijdens een bijeenkomst van de Logos Club, een geheime vennootschap die avondjes organiseert waarop een stelling door één spreker wordt verdedigd en door een andere wordt weerlegd. De uitkomst staat nooit vast, en is ook niet zo belangrijk: of iets waar is hangt immers enkel af van de manier waarop die waarheid wordt gepresenteerd. De zevende functie van de taal wordt er nog angstaanjagender door, ook op politiek vlak: uitspraken hoeven geen band te hebben met de werkelijkheid om mensen toch tot daden aan te zetten.

Dit alles maakt van De zevende functie van de taal een spannend, intelligent, humoristisch en haast perfect geconstrueerd boek. De tweede roman van Binet is echter ook een weergave van wat je een actuele postmoderne hel zou kunnen noemen – een wereld waarin niet alleen iedereen leest maar voortdurend ook spreekt en schrijft, zonder dat er ergens nog iets bestaat zonder dubbele bodem, zonder ironische knipoog en relativering. Het is een wereld waarin iedereen, zoals Barthes hoopte, op de Eiffeltoren mag gaan staan om Parijs naar hartenlust te ontcijferen – maar die ontcijfering heeft slechts een totaal versnipperde spraakverwarring tot gevolg, en een haast ondraaglijke voorlopigheid en relativiteit van inzichten en ideeën.


Beeld: In De zevende functie van de taal fantaseert Laurent Binet dat Roland Barthes is vermoord (Louis Monier / Rue des Archives / HH)