Iedereen moet eraan geloven

De minst bekende en begrepen maar meest verguisde roman van Willem Frederik Hermans, De God Denkbaar Denkbaar de God (1956), zit in het pas verschenen Volledige werken 2 ingeklemd tussen het beruchte Ik heb altijd gelijk (1951) en twee melodrama’s.

Hermans zelf noemde zijn afgekraakte boek ‘de eerste consequent surrealistische roman’ in Nederland, wetend dat het surrealisme in Nederland nooit echt wortel had geschoten. Bordewijks fantastische vertellingen, Belcampo’s oeuvre, Vestdijks De kelner en de levenden en Mörings Dis zijn boeiende incidenten in het traditiegetrouwe, antimodernistische Hollandse proza. Liever het realisme van de vierkante millimeter dan het onbegrensde surrealisme.

Veel oppervlakkige Hermans-lezers zagen De God Denkbaar Denkbaar de God als een grappige, speelse en vrijblijvende uitzondering binnen zijn literaire werk. Maar wie verhalenbundels als Paranoia en Moedwil en misverstand kent, weet dat het surreële en freudiaans-dromerige vast onderdeel van zijn literaire wereld uitmaakt. Zelf vond hij het zijn ernstigste en beste boek, met een novelleachtige verteltechniek, ‘zonder details, er wordt zelfs niet in beschreven of de hoofdpersoon blond, zwart of helemaal geen haar heeft’.

Hij heeft wel een naam, Denkbaar, en hij groeit uit tot een dubieuze God, die uiteindelijk toch sterft. Hoewel hij vanaf de eerste zin in het bezit is van de ‘stukken van overtuiging’, ontbreken hem de essentiële geheime papieren die alles onthullend zijn. De God Denkbaar Denkbaar de God beschrijft de woedende en wonderbaarlijke queeste over, boven en in de aarde naar die geheimen. ‘Niet bang zijn dat is juist het geheim!’ roept Denkbaar uit, vlak nadat hij voor de tweede keer uit een hoog raam is gesprongen en welhaast ongedeerd op de grond is terechtgekomen. Menselijk, al te menselijk, is Hermans’ God, die zich niet buiten het bestaande ophoudt (anders zou hij alle geheimen kennen) en gebonden blijft aan de aarde. Hij graaft diep en zweeft hoog en vermomt zich zo nu en dan, maar ondanks het bewegen van hemel en aarde weet hij de ultieme geheimen niet te pakken te krijgen. Het helpt niet echt dat hij bij zijn hopeloze zoektocht (denk aan Alfred Issendorf in Nooit meer slapen, op zoek naar een meteoriet, en aan Osewoudt in De donkere kamer van Damokles, op zoek naar Dorbeck) wordt bijgestaan door fantastische personages als professor Suleika Aramiris, Dr. Mirabella Bom (de esthetica die als Nijhoff alle woorden kan loszingen van hun betekenissen), spinoziste Monique Santiago, de ultrageheim agent met zustercomplex Kassaar of de cherubijn O. Dapper Dapper uit Volendam. Vroeg of laat overheersen de ‘klaagzangen voor de weerloze kleine bedrogenen’ in Hermans’ bedrieglijke universum vol blinden, doofstommen en andere gehandicapten. Bovendien wordt Denkbaar dwarsgezeten door vijanden, zoals de nieuwe generatie van Afschuwelijke Baby en door de verrader O. Dapper Dapper, die als een Lou de Palingboer voor zichzelf begint (lees Het evangelie van O. Dapper Dapper, 1973).

Denkbaars zoektocht is in wezen een vrije val. Hij eindigt waar hij begint, in de aarde. Zijn tocht blijkt een cirkelgang, zoals de titel van de roman in een kringetje ronddraait. Ook zijn drie ‘weningen’ om al het levende in de geschiedenis dat zomaar, zonder spoor en stilzwijgend is verdwenen, baten niet. Zijn talisman, een stukje stenen stengel van een boomvaren dat hij gebruikt om papieren te stempelen en dat hij aan het slot van de vertelling tijdens een hoestbui uitspuugt, biedt geen soelaas. Geen enkel geheim wordt ontsluierd, hoewel Denkbaar een paar keer mensen uit de dood weet op te wekken (in taal kan ‘alles’ gebeuren). Wel lopen concentratiekampen vol en katapulteren martelwerktuigen mensen de lucht en de dood in. De God Denkbaar Denkbaar de God is een anti-utopische roman, een ontmaskering van welk denkstelsel ook dat vooruitgang propageert. Om het bijbels en tegelijkertijd aards te formuleren: wij zijn stof en we zullen tot stof wederkeren.

Stilistisch is De God Denkbaar Denkbaar de God een vrolijk taalspel met ernstige ondertoon. De litanie, de bijbelse woordkeus, de freudiaanse metaforen, de knipoog naar Joyce’ formidabele nachtboek Finnegans Wake, een zin die vijf bladzijden lang doorwoekert, de woordspelingen en de opsommingen; dat alles is geen literair randverschijnsel, maar deel van het thema: spitten in de taal om te kunnen ontdekken of er nog communicatie kan bestaan.
Alles draait om het problematische woord ‘denkbaar’, dat Hermans in Het sadistische universum met zijn lievelingsfilosoof Wittgenstein in verband brengt. Welk taalgebruik is zinrijk? Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus (1921) eindigde met de beroemde zin: ‘Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’

Taaluitingen voor Wittgenstein zijn woorden die functioneren in zogenoemde taalspelen. Maar in de dagelijkse omgangstaal hebben die taalspelen een korter leven dan bijvoorbeeld de spelen met wiskundige symbolen. Filosofie is een bezigheid, geen natuurwetenschap met ware stellingen. ‘De zin van de wereld, en onder wereld verstaat hij alles wat het geval is, alles wat gebeurt zoals het gebeurt, moet buiten de wereld liggen, want als zij in de wereld lag, zou zij geen zin meer hebben.’ Denkbaar in De God Denkbaar Denkbaar de God is uiteindelijk geen God, omdat hij niet buiten het bestaande valt en dus het geheim, dat wil zeggen de zin van het bestaan, niet vindt. De logische noodzakelijkheid maakt een (taal)spel mogelijk, namelijk weten dat iets niet tegelijk bevestiging en ontkenning kan zijn. ‘Alles wat niet logisch is, dat wil zeggen niet in een spel past, is daarom voor Wittgenstein onuitsprekelijk, niet denkbaar.’ (Het sadistische universum). Denkbaar kan niet én God én mens zijn. Hij is sterfelijk, dus mens. Hij is niet hemel (religie), maar aarde (materie). Hij verdwijnt dan ook in Moeder Aarde, die splijt en scheurt, een ‘hemelhoge afgrond’ laat zien en hem weer in haar opneemt. Wat schrijft Hermans in Het sadistische universum? In de taal openen zich voortdurend afgronden. In de roman bevindt Denkbaar zich aan het slot van zijn zinloze queeste ‘bijna aan het middelpunt van de aarde en hemelhoog was de wand over de rand waarvan zich het huis met de hoge ramen boog’. In het profiel van die steilte zitten alle geologische lagen verborgen.

Taal en aarde versmelten in De God Denkbaar Denkbaar de God. Die roman heeft niets te maken met religieuze thema’s. Hermans schreef een zeer aardse vertelling, waarin machines van allerlei aard (martelwerktuigen, koffiezetapparaten, werkbanken voor de klusser, tatoeëerinstrumenten) zich soms tegen de mens keren. De woorden die Denkbaar op zeker moment spreekt zijn van brons, gietstaal en doleriet. ‘Zij waren verankerd in sokkels van overeenkomstige sterkte, waarvan de voetstukken zo diep de bodem in gedreven waren, dat zij de diepe lagen bereikt hadden waar de aardkorst taaivloeibaar is en zodoende waren de voetstukken van Denkbaars woorden tot een geheel versmolten met het innerlijk van onze planeet.’ En die planeet stelt Hermans in zijn roman voor als een mens met spieren, en in Het sadistische universum (in het korte ‘Achter borden Verboden Toegang’) als een onbewoonbare steen of een meteoriet. De aarde is voor de fysisch-geograaf Hermans een volmaakte troostmachine van steen die onverschillig blijft voor welke menselijke inspanning ook. De mens schraapt, graaft en bikt in groeven om bouwmateriaal voor zijn bestaan te verzamelen. ‘Soms kan ik om die afgronden heenlopen zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot…’ Denkbaars aardse einde is vergelijkbaar met dat van dochter Lievstro van mineraloog Fahrenkrog in Hermans’ laatste roman Ruisend gruis (1995): ‘van top tot teen bedekt met een pantser van elkaar verdringende, elkaar geen ruimte gunnende steenharde handplanten’.

De pen van de schrijver die zin zoekt in zijn zinnen, breekt, net als een tatoeëernaald, af op ‘het graniet van de geschiedenis’ (De God Denkbaar Denkbaar de God). En als het geen pen is, dan een schrijfmachine. Een ook een fototoestel (Hermans was graag als een camera ter wereld gekomen) werpt geen verhelderend licht op onze existentie.

Een interessante recente bijdrage aan de Hermans-receptie die indirect iets zegt over De God Denkbaar Denkbaar de God komt van Klaas van Berkel, hoogleraar geschiedenis van na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Groningen (!). Zijn analyse van de rol van techniek en machines in het werk van Hermans is te vinden in het WHF-nummer van De Gids (2005). Hij betrekt bij zijn leesonderzoek een ander boek van Hermans dat nauwelijks wordt gelezen: Erosie (1960), een fysisch-geografische studie naar erosieverschijnselen op aarde. Erosie vergelijkt Van Berkel, in navolging van mijnwerkerszoon en dichter Wiel Kusters, met entropie, ‘die volgens de tweede hoofdwet van de thermodynamica alleen maar toeneemt en uiteindelijk resulteert in perfecte chaos’. En het woord chaos staat centraal in het wereldbeeld van Hermans. In wezen is er maar één enkel wezenlijk woord: chaos. De God Denkbaar Denkbaar de God is vergeven van de ordehandhavers en andere dienaren van de wet, maar zij zorgen er ieder voor zich voor dat de chaos vergroot wordt. Erosie heeft een inleiding waarin Hermans Descartes en Leibniz aanhaalt. Die hebben het universum vergeleken met een goed geoliede machine. Ook de aarde is zo’n machine, dat wil zeggen een klassiek uurwerk dat dankzij het zich ontgrendelende slagwerk elk half uur een teken van leven geeft. Van Berkel vergelijkt de werking van het heelal met die van de klok. De aarde zal zich weer vroeg of laat, net als in het oerbegin, ‘ontgrendelen’, waarop het einde wordt ingeluid. ‘Er is nu eenmaal geen enkele reden om te veronderstellen dat het geologisch tijdperk, dat door het gidsfossiel “mens” gekarakteriseerd wordt, eeuwig zal duren.’ (Erosie)

Het gidsfossiel mens is in De God Denkbaar Denkbaar de God geen gids die de lezer naar de ontsluiering van het geheim voert. De graal is wel denkbaar, maar niet vindbaar. De mens blijft een fossiel en Moeder Aarde een keiharde kannibale. Hoe vreemd het ook klinkt, dit pikzwarte hermansiaanse wereldbeeld bevat iets troostrijks. Het is de ultieme democratie: iedereen en alles moet eraan geloven, tussen nu en ergens in de verre toekomst. Daar steekt geen enkele denkbare pseudo-god een stokje voor. Niemand en niets kan ons uit de tijd en van de aardklomp bevrijden. We zitten eraan vast, en het zal de tijd of de aarde een zorg zijn.

Willem Frederik Hermans heeft zijn surrealistische zoektocht De God Denkbaar Denkbaar de God geschreven om ons niet alleen over onze benarde positie in te lichten maar ook om ons op te beuren en aan het lachen te maken. Lees hoe Hermans de vijand van Denkbaar introduceert (‘Afschuwelijke Baby zwaaide een rammelaar die van een stel oude locomotiefwielen was gemaakt en zijn speelgoeddieren konden niet piepen maar wel bijten’) en u proeft de absurd-speelse humor die de roman tot een uitzonderlijke leeservaring maakt. Wie een verhaal van A naar B verwacht zonder dubbele bodems of taaldrijfzand, zonder filosofische denkdraaikolken en zonder onverhoedse gedaanteverwisselingen heeft een geest die niet avontuurlijk genoeg is voor De God Denkbaar Denkbaar de God.


WILLEM FREDERIK HERMANS
VOLLEDIGE WERKEN 2 (ROMANS: IK HEB ALTIJD GELIJK, DE GOD DENKBAAR DENKBAAR DE GOD. MELODRAMA’S: DE LEPROOS VAN MOLOKAÏ, HERMANS IS HIER GEWEEST)
De Bezige Bij, 763 blz., € 35,- (luxe editie € 75,-)