Het ‘wetenschappelijk’ ontginnen van de ware mens

Iedereen psycholoog

Psychologie is razend populair. Maar op de onderzoeksmethoden klinkt kritiek: er wordt gevonden wat men wil vinden. Is de zoektocht naar het ‘ware ik’ gebaseerd op wetenschappelijke schijnzekerheden?

Medium psychologie

KUNT U, eenmaal thuisgekomen van het werk, de beroepsbeslommeringen vaak maar moeilijk loslaten? Blijft u denken aan dat rapport dat nog af moet? Dat heeft te maken met het zogenaamde Zeigarnik-effect, vernoemd naar de Russische psychologe Bluma Zeigarnik, die in een café merkte dat obers niet-betaalde bestellingen beter konden onthouden dan reeds afgerekende. Zeigarnik deed vervolgens geheugenexperimenten en publiceerde een artikel in Psychologische Forschung waarin ze stelde dat niet-afgemaakte taken beter in het geheugen blijven hangen dan voltooid werk. Vandaar het bekende advies dat een rustige vakantie begint met het afronden van het werk.

Is dat even een open deur. Maar er is meer mee aan de hand. Het Zeigarnik-onderzoek stamt uit 1927 en werd door haarzelf later flink genuanceerd. Eind jaren zestig promoveerde de Nederlandse psychologe Annie van Bergen op een onderzoek dat aantoonde dat het Zeigarnik-effect zelfs niet bestond. En tóch duikt de theorie nog steeds met regelmaat op in managementhandboeken, in cursussen ‘oplossingsgericht werken’ en in populair-wetenschappelijke tijdschriften. Onlangs nog noemde Psychologie magazine het Zeigarnik-effect als reden voor werkstress.

De Zeigarnik-geschiedenis illustreert een probleem binnen het modern sociaal-psychologisch onderzoek dat werd blootgelegd door de affaire rondom Diederik Stapel. De gerenommeerde sociaal psycholoog, als hoogleraar cognitieve en sociale psychologie verbonden aan de Universiteit van Tilburg, viel door de mand als datavervalser. Zo ontstond er twijfel over zijn onderzoek naar vleesetende hufters en vredelievende vegetariërs. Even los van het vervalsen van data - een absolute doodzonde in de wetenschap - gaat het hierom: een onderzoek met een uitslag met een hoog 'nogal wiedes’-gehalte wordt enthousiast opgepikt door zowel vakbladen als sommige publieksmedia. Want als iets 'uit onderzoek blijkt’ moeten we het serieus nemen. Wetenschappelijke publicaties gelden als nieuwe waarheid over de aard van de mens - zelfs als het methodisch fundament later, zoals bij Zeigarnik, als wankel wordt aangemerkt. Het vleesonderzoek zal waarschijnlijk simpelweg richting prullenbak verdwijnen, toch heeft de affaire een grote vraag naar boven gebracht: hoe serieus moeten we sociaal-psychologische experimenten nemen als onweerlegbare bron van kennis over wat de mens drijft?

Die vraag is extra pregnant omdat de sociale psychologie, de tak van de psychologie die zich bezighoudt met de mentale en sociale wereld waarin mensen verkeren, de laatste twintig jaar flink aan populariteit heeft gewonnen. Er is een ware psycho-industrie opgekomen waar de sociale psychologie een belangrijke pijler van vormt. Het loopt van zelfhulpboeken en populair wetenschappelijke bestsellers tot talrijke trainingen en workshops. 'Binnen de psychologie is de aandacht voor het onbewuste helemaal terug’, aldus Reinout Wiers, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. 'Traditioneel was dit het terrein van freudiaanse theorie over de “eigenlijke drijfveren” van de mens.’

Alfred Lange, hoogleraar klinische psychologie aan dezelfde universiteit, constateert dat sociale psychologie een steeds groter publiek bereikt: 'Dit specialisme ligt aan de basis van een industrie van trainers en coaches die sociaal-psychologische inzichten via workshops aan de man brengen. Dat gaat niet altijd even zorgvuldig. Er is al snel sprake van shop-gedrag. Een goed onderzoek eindigt dan in een Viva-vertaling met een leuk testje erbij voor de lezer.’

Ook de boekverkoop weerspiegelt die groeimarkt. Succesauteur Malcolm Gladwell bereikte een miljoenenpubliek met vuistdikke werken over gedragswetenschappen en besluitvorming zoals Blink: The Power of Thinking Without Thinking. Beleidsmakers overal ter wereld hebben het boek Nudge van Richard Thaler en Cass Sunstein op hun nachtkastje liggen. Daarin staat een lijst slimme trucs, voor een belangrijk deel geënt op sociaal-pyschologische experimenten, die mensen rijker, gelukkiger en gezonder moeten maken. Dé sociaal-psychologische bestseller van het afgelopen jaar was The Social Animal van David Brooks. In dat boek jubelt de Amerikaanse journalist dat de gedragswetenschappen, waar de sociale psychologie een belangrijk onderdeel van is, het nieuwe humanisme vormen. In tegenstelling tot filosofisch en theologisch gespeculeer stoelt gedragswetenschappelijke kennis op onderzoek en biedt daarom ware inzichten in het diepste wezen van de mens, meent hij.

Over 'ware inzichten’ spugen onderzoekers dan ook het ene na het andere onderzoek uit, vaak aangekondigd met een ronkend persbericht naar de media. 'Mensen kiezen beroepen, woonplaatsen en partners waarvan de letters overeenkomen met hun naam omdat ze daar een positief gevoel bij hebben’ (dus Rob trouwt met Roberta, Hugo verhuist naar Heerhugowaard en Dennis wordt dentist) - op die stelling promoveerde onlangs een sociaal psycholoog aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Uit onderzoek van de Universiteit van Bretange-Sud blijkt dat als een man een brandweeruniform aan heeft hij op straat meer succes heeft bij de vrouwen dan zijn seksegenoten in hun gewone kloffie. De Universiteit Twente concludeerde dat mensen met een volle blaas betere keuzes maken dan mensen die net geplast hebben. Het is slechts een greep uit de onophoudelijke stroom van wetenschappelijke publicaties die er ingaan als koek, maar ook grote vraagtekens oproepen.

OVER HOE stevig dit soort onderzoeken is, is nu naar aanleiding van de Stapel-kwestie binnen de vakgroepen sociale psychologie aan Nederlandse universiteiten een discussie losgebarsten, blijkt uit gesprekken met (sociaal) psychologen en wetenschappers uit andere disciplines. Ze steken de hand in eigen boezem: hoe goed doen we zelf eigenlijk onderzoek en hoe betrouwbaar zijn onze experimenten? Wat betreft Stapel vindt dit zoekproces formeel nog plaats achter de coulissen, want eerst wordt gewacht op de uitslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie-Levelt (eind deze maand) die het hele oeuvre van de gevallen wetenschapper onder de loep neemt. Maar uit de gesprekken met (sociaal) psychologen en wetenschappers uit andere disciplines blijkt dat er brede kritiek bestaat op het vakgebied.

Bekend is de klacht dat binnen de 'ondernemende universiteit’ de publicatiedruk groot is om bekendheid te krijgen en daarmee eenvoudiger (persoonsgebonden) fondsen te kunnen werven. Hoewel publish or perish geldt voor de hele academische wereld gaat dit bij de sociale psychologie hand in hand met specifieke wetenschappelijke manco’s.

Een van de belangrijkste kritiekpunten: deze tak van wetenschap focust te veel op het vinden van statistische significantie. Is er ergens nog een correlatie te ontdekken, of een causaal verband? Met discutabele resultaten als gevolg, menen de critici. Zo publiceerde het Journal of Personality and Social Psychology onlangs een artikel waarin werd aangetoond dat mensen in de toekomst kunnen kijken. Een conclusie die indruist tegen elk gezond verstand, maar die volgens statistische methodes van de sociale psychologie wel degelijk is bevestigd.

Veel discussie is er over de manier waarop sommige onderzoekers met hun data omgaan. Mathematisch psycholoog Eric-Jan Wagenmakers vindt dat er te veel gebruik wordt gemaakt van zogenaamd 'exploratief onderzoek’: 'Veel experimenten worden gedaan met wat vage ideeën van tevoren. Je schrijft niet eerst op wat je onderzoekt en denkt te kunnen vinden. Onderzoekers verzamelen een heleboel gegevens en kijken vervolgens of ze ergens iets van statistische significantie kunnen vinden. Dit leidt tot een valse schijn van wetenschappelijke accuratesse. Vergelijk het met een reeks apen achter typemachines. Als je heel veel apen heel lang laat typen, zal er ooit een aap zijn die de eerste regel van een werk van Shakespeare produceert. Maar dat impliceert niet dat apen dichters zijn. Het betekent simpelweg dat de onderzoeker veel apen had. Maar als je vervolgens aan de buitenwereld alleen die ene aap en die ene zin presenteert, lijkt het heel indrukwekkend.’

Daniel Wigboldus, voorzitter van ASPO, de Nederlandse vereniging voor sociale psychologie, meent dat dergelijk exploratief onderzoek op zich geen probleem is, zolang resultaten maar opnieuw experimenteel worden getoetst: 'Als een onderzoek je verwachting niet bevestigt, kun je zeggen “jammer dan”, maar dat zou ik oneerlijk vinden gezien de moeite die je hebt gedaan en de moeite die proefpersonen hebben genomen om mee te doen. Dan kun je ook kijken of er ergens anders een effect zit. Vanaf dat moment moet je heel erg uitkijken als wetenschapper. Je loopt het risico op zogenaamde “kanskapitalisatie”: waarde hechten aan bij toeval verkregen resultaten. Je moet dan eigenlijk een nieuw experiment opzetten om dat te controleren.’
Juist dat graven in grote hoeveelheden verzamelde data wordt door critici als 'onwetenschappelijk’ aangemerkt. Het is al snel verleidelijk toevalstreffers te presenteren als zorgvuldig verkregen onderzoeksresultaten. Wagenmakers omschrijft het als 'krenten uit de pap vissen’. 'Alleen: de lezers van een artikel weten niet hoeveel pap er was, of hoeveel krenten daarin ronddreven’, aldus de mathematisch psycholoog.

Draait het onderzoek niet te veel om het doen van ontdekkingen, en te weinig om het kritisch toetsen van andermans bevindingen? Uit een onderzoek van Daniele Franelli, verbonden aan de Universiteit van Edinburgh, bleek dat dit probleem de gehele sociale wetenschappen betreft. Pogingen tot het repliceren van eerdere onderzoeken - en daarmee het eruit pikken van rotte appels - worden zeldzamer. Maar vooral in de sociale psychologie bleek deze trend gaande. 'Een schadelijke ontwikkeling’, meent de onderzoeker. 'De fundamentele wetenschappelijke vragen verdwijnen daarmee naar de achtergrond.’

Ook Reinout Wiers constateert die trend: 'Uit het toetsen van andermans bevindingen of met het ontkrachten van een hypothese valt voor sociaal psychologen nauwelijks een publicatie te halen. Dat versterkt een trend om vooral bevindingen naar buiten te brengen die de eigen ideeën bevestigen, een praktijk waartegen Karl Popper terecht krachtig waarschuwde. In mijn onderzoeksvelden, de psychopathologie en de genetica, is het ook de gewoonte om te publiceren als experimenten geen resultaten hebben opgeleverd. Voor sociaal psychologen is die mogelijkheid er nauwelijks. De tijdschriften vragen om leuke, nieuwe ideeën. Wat ook niet helpt: soms breken subsidiegevers de financiering op in twee delen. De tweede helft van het geld wordt alleen verstrekt in geval van positieve resultaten.’

Wat Lange vooral stoort is de stelligheid waarmee dergelijke bevindingen naar buiten worden gebracht: 'Daar moet je voorzichtig in zijn. Want de conclusies gaan een eigen leven leiden. Ze worden buiten de persoon om weer geciteerd zonder de nuance en de uitleg van het onderzoek. Te vroeg publiceren heeft eerder te maken met ijdelheid, carrièredrang van de onderzoeker.’ Dat is overigens ook het geval geweest bij het gewraakte vleesonderzoek, met dank aan medeauteur Roos Vonk, die prematuur een krachtig persbericht liet uitgaan en dat achteraf 'heel stom’ van zichzelf vindt.

HET MET SOMS arbitraire methoden doen van hippe onderzoekjes om leuke resultaten te vinden, het masseren van data - dat is toch geen malse kritiek. Het vakgebied worstelt dan ook niet voor niets met erkenning. Volgens Harvard-psycholoog Steven Pinker komt dat omdat de sociale psychologie lijdt aan theoretische oppervlakkigheid. Het onderzoek is vooral beschrijvend, niet verklarend. Ze moet theorieën lenen bij andere wetenschapsgebieden, zoals de economie, evolutionaire biologie of de genetica. Maar in plaats van een verbond aan te gaan met collega’s uit andere disciplines doet ze het tegenovergestelde, stelt hij. Ze belooft door boeken inzicht te bieden in de 'ware’ drijfveren van menselijk gedrag, daarmee suggererend dat andere wetenschappen, zoals de economie of de klassieke psychologie, tekortschieten, aldus Pinker.

Natuurlijk, veel van de onderzoeken bieden verfrissende inzichten in de mens. Zo zijn in de afgelopen decennia wel degelijk baanbrekende studies gedaan naar menselijk gedrag in relatie tot de omgeving, zoals de theorie van cognitieve dissonantie, ontwikkeld door Leon Festinger. Zijn onderzoeken lieten zien dat mensen slecht kunnen omgaan met tegenstrijdigheden. Of het beruchte Stanford Prison-experiment, dat aantoonde dat mensen in een machtspositie snel extreem gedrag kunnen gaan vertonen. Maar tegelijkertijd hebben veel onderzoeken een hoog common sense-gehalte. Niet voor niets spreekt het Handbook of Social Psychology over een 'appearance of frivolity’ waar het vakgebied mee kampt. Zo presenteerde de Universiteit van Michigan onderzoek waaruit bleek dat mensen somberder zijn over hun leven als het slecht weer is. De Leeds Business School kwam met onderzoek op de proppen waaruit bleek dat mensen 'warmere gevoelens’ koesteren voor anderen als ze een warme drank drinken. Het is precies dit soort onderzoek dat geschamper vanuit andere wetenschapsgebieden uitlokt.
Het is te hopen dat deze academische scherpslijperij niet aan dovemansoren is gericht, want twijfel 'aan alles’ is, om René Descartes aan te halen, het uitgangspunt om tot ware kennis te komen. Die fundamentele discussie is urgent ómdat de sociale psychologie grote invloed heeft op de samenleving als geheel.

DE PSYCHOLOGIE-HAUSSE plaatst weten-schapsfilosoof Trudy Dehue (bekend van het boek De depressie-epidemie) in het licht van het voortschrijdend liberalisme: iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk en als dat niet lukt ben je een loser. Mensen moeten aan zichzelf werken, waarbij een coach hen tegen forse tarieven helpt om de boel te ordenen als was hij of zij een goede vriend of een wijze schoonmoeder. Als een nieuw inzicht bovendien op onderzoek is gebaseerd ervaren de zoekende zielen de adviezen als bewezen dus waar. Wetenschap is een dogma zoals de bijbel dat vroeger was. Het gaat wat ver om psychologen tot de dominees en priesters van deze tijd te bombarderen. In de individualistische maatschappij is eerder iedereen psycholoog - bij voorkeur van zichzelf, meent Dehue, die sociale psychologie 'de geïndividualiseerde vorm van sociologie’ noemt. De macht van de sociologie en politicologie in de jaren zestig en zeventig - de tijd van de maakbare samenleving - is overgenomen door de sociale psychologie. Niet voor niks floreert in het tijdperk van het maakbare ik het tijdschrift Psychologie magazine, dat sinds de oprichting dertig jaar geleden is gegroeid tot inmiddels ruim honderdduizend lezers per maand.

Tekenend is de verklaring voor het succes door hoofdredacteur Sterre van Leer: 'Alles is een keuze geworden en daarbij is er behoefte aan richting. Zoals dat vroeger in de kerk gebeurde en door je naasten die je hielpen bij dagelijkse problemen. De verworven openheid en vrijheid hebben ons veel gebracht maar we moeten het wel allemaal zélf invullen. Onze missie is mensen meer inzicht geven in zichzelf en het gedrag van anderen.’
Het blad 'dat antwoord geeft op vragen die iedereen op de lippen heeft’ schrijft vooral over emoties, relaties, persoonlijkheid en over alles wat met het brein te maken heeft. Maar ze geven ook online trainingen, zoals deze maand 'de eerste online cursus in de wetenschappelijke psychologie’. De thuiscursus is keurig wetenschappelijk verantwoord ontwikkeld in samenwerking met psychologen van diverse universiteiten. Maar het wordt wel aangekondigd met: 'Ontdek waarom je altijd moet gapen als een ander gaapt. Of je je persoonlijkheid nog kunt veranderen. Waarom het zo moeilijk is je mening overeind te houden in een groep.’

Uit die bron pikt het werkveld van trainers en coaches weer van alles op. Een van de vele voorbeelden is het Instituut voor Eclectische Psychologie (IEP) dat Psychologie magazine gebruikt als een van de bronnen voor zijn cursussen en workshops. In dit Nijmeegse centrum werken tientallen psychologen om mensen te trainen in communicatie en coaching, onder meer door zogenoemd neurolinguïstisch programmeren (NLP). Was NLP ooit een extra vaardigheid voor psychotherapeuten en behandelaars (een systeem om de innerlijke beleving te veranderen), nu bekwaamt 'iedereen’ zich erin. Cursisten uit alle takken van de samenleving - sport, management, bedrijfsleven, onderwijs, gezondheidszorg, politie, de geheime dienst. En zo is onze samenleving langzamerhand gepsychologiseerd, en dat gaat verder dan de belangstelling voor de thematiek. Mensen praten in psychotherapeutische termen als 'dicht bij jezelf blijven’ of 'dat voelt niet goed’.

Lange moppert erop: 'Ja, de maatschappij is complexer geworden maar ook zijn mensen verwender. Ze willen overal meteen een oplossing voor. Je mag niet meer verlegen zijn, er mogen geen problemen zijn. We kunnen niet meer leven met problemen. Door al die assertiviteitstrainingen krijg je van die aangeleerde assertiviteit bij mensen die het eigenlijk niet zijn.’ Volgens Trudy Dehue hebben de meeste mensen 'diep in hun hart meer behoefte aan een gewoon goed gesprek dan aan een therapie of een zoveelste test’.

IS ER IN deze zoektocht naar de ware mens, die deels gebaseerd is op wetenschappelijk drijfzand, nog nuance aan te brengen?
Wat de sociale psychologie betreft hangt dat af van hoeveel zelfkritiek het vakgebied kan aanboren. De geschiedenis toont aan dat het lastig is. Stevig commentaar binnen de wetenschap sterft soms een vroege dood. In haar proefschrift over het Zeigarnik-effect constateerde Annie van Bergen eind jaren zestig al dat het geloof in valse zekerheden vanwege een gebrek aan replicerend onderzoek en een hang naar positieve resultaten lang overeind kon blijven. Ook constateerde ze met misnoegen dat psychologen elkaar brieven schreven ondertekend met 'best wishes for significant results’. Met instemming citeerde ze de psycholoog Hubertus Duijker, die stelde dat psychologie zonder replicatie het label 'wetenschap’ niet waardig is. Die kritische wind uit de jaren zestig heeft weinig effect gehad. De jacht op spannende, positieve resultaten is sinds Van Bergens proefschrift alleen maar toegenomen.

Maar mogelijk is er binnen de wetenschap sprake van een Stapel-effect: dat hij het spreekwoordelijke kalf is waarna de put wordt gedempt. Wagenmakers en Lange pleiten er bijvoorbeeld voor om in een vroeg stadium data openbaar te maken via vaktijdschriften en die ook achteraf te publiceren in de archieven van de journals, zodat ze toegankelijk zijn voor derden. Nu is dat absoluut niet het geval. Die geslotenheid maakt het volgens Wagenmakers gemakkelijk om trucs uit te halen. Misschien moeten sommige sociaal psychologen maar 'in therapie’ om te leren in hun werk minder gesloten en minder ijdel te zijn. Hoewel dat geldt voor meer wetenschappers van modieuze studies.
En er gloort hoop. Stapels onderzoek werd dankzij jonge spitse wetenschappers doorgeprikt. Zij hadden twijfel, pikten het niet toen hij niet thuis gaf bij hun vragen, ook al was hij nog zo 'briljant’.


Het onbewuste verkennen
De wortels van de sociale psychologie liggen in het einde van de negentiende eeuw, maar de discipline kwam tot wasdom in de VS in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Duitse psychologen die het naziregime waren ontvlucht – van wie Kurt Lewin de belangrijkste was – zetten aan hun nieuwe almae matres hun verkenningen van de menselijke psyche voort. In tegenstelling tot de geijkte opvatting dat wat mensen doen door hun omgeving wordt gedetermineerd – behaviorisme genoemd – stelden Lewin en anderen dat je in het hoofd van mensen moet kruipen en moet onderzoeken hoe mentale processen verlopen, een ontwikkeling die later de cognitieve revolutie werd gedoopt.
Met studies naar gehoorzaamheid, groepsmoraal, racisme en agressie probeerden sociaal psychologen in de naoorlogse decennia het trauma van de twintigste eeuw te duiden. Zo leidde het autoriteitsonderzoek begin jaren zestig tot de beruchte Milgram-experimenten, waaruit bleek dat bijna tweederde van de proefpersonen bereid was om een fatale schok van 450 volt toe te dienen aan een anonieme derde persoon. Voor velen het bewijs dat onder autoritaire druk ook de gewone man een beul kon blijken.
Ook later bleek de sociale psychologie bevattelijk voor de tijdgeest. Het thema van autoriteit en gehoorzaamheid bleef onverminderd relevant in de rebelse jaren zestig. Het ik-tijdperk van de jaren zeventig gaf een nieuwe impuls aan studies over sociale identiteit. De ontwikkeling van westerse landen tot een multiculturele samenleving was reden om het onderzoek naar culturele stereotypen en racisme te versterken. De laatste jaren was onderzoek naar polarisatie bijzonder in trek. Scheldkanonnades op internet, anonieme dreigbrieven en het succes van populistische demagogen à la Fortuyn en Wilders vormden de aanleiding.
Hoewel de sociale psychologie een direct uitvloeisel was van de grote vragen van de tijd bleef ze lange tijd een wetenschappelijk stiefkindje. Onderzoek naar het onbewuste droeg de geur van onwetenschappelijk freudiaans gespeculeer en was daarom weinig populair onder ‘harde’ wetenschappers. Het keerpunt kwam eind jaren zeventig met de publicatie van het artikel Telling More than We Can Know in Psychological Review. Auteurs Nisbett en Wilson kwamen daarin met empirisch bewijs dat de mentale processen die onze keuzes en emoties bepalen niet altijd bewust kenbaar zijn. Het is nog steeds een van de meest geciteerde artikelen in de sociale psychologie die zich vooral richt op het experimenteel verkennen van onbewuste drijfveren. De Harvard-psycholoog Daniel Gilbert noemde dat ‘liberating the unconscious’ een van de belangrijkste verdiensten van de sociale psychologie.


Beeld: Ada Summer / Corbis