Iedereen rijk

De financiële crisis begon tien jaar geleden met het faillissement van de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers – de kranten keken er recentelijk uitgebreid op terug. Daarbij ging het vooral over het vuile spel van de bank, niet over de brothers die dat spel ruim anderhalve eeuw met grote vindingrijkheid speelden. Maar al in 2012 vond in Italië de première plaats van een kolossaal toneelstuk, De Lehman trilogie, waarin de heren bankiers op de pijnbank werden gelegd. Zonder pardon, en met groot succes bij het publiek dat, mogen we aannemen, gekweld door de bezuinigingen uit was op genoegdoening. Het stuk werd, opnieuw met groot succes, geëxporteerd naar Duitsland, Frankrijk en Engeland en straks wellicht Nederland.

Nu heeft de auteur, toneelschrijver Stefano Massini, in Italië een grootheid, zijn trilogie bewerkt tot roman en kunnen we, ook zonder het toneelstuk te hebben gezien, beoordelen of dat internationale succes op meer berust dan alleen de wraaklust van een bijna doodbezuinigd publiek. Allereerst: het is een vreemde roman, alleen al typografisch. De bladspiegel oogt als bij poëzie: regels worden nooit volgemaakt, zinnen staan tussen veel wit, geïsoleerd of gegroepeerd als strofen. Aanvankelijk dacht ik: aanstellerij, al die in mootjes gehakte zinnen verloren weinig of niets aan betekenis als je ze gewoon als proza zou behandelen.

Maar daar moest ik van terugkomen. Het boek maakt in razend tempo grote sprongen, tijd is geld, ‘twintigste eeuw=stress, stress=genot’, dus wordt de lezer van de ene scène naar de andere gejaagd, alleen in het vele wit kan hij even ademhalen. Sommige fragmenten ogen als visuele of concrete poëzie, vaak wordt de tekst gelardeerd met citaten, de joodse traditie en de bijbel zijn belangrijke leveranciers; opsommingen, liedteksten, wetten en spelregels worden in extenso uitgeschreven; er is een hoofdstuk dat als scenario wordt gepresenteerd en een ander als stripverhaal. Aldus volgt Massini de Lehmans drie generaties lang bij hun onvermoeibare escapades in alle uithoeken van de wereld – tot het bittere eind in 2008.

Massini is geen econoom en dat is allerminst een bezwaar. Door zich met groot ironisch talent en dito speculatief inzicht te verdiepen in karakters en drijfveren van de Lehman-broers legt hij een pijnlijk lege binnenwereld bloot, die niet veel zal verschillen van die van het gros van hun wereldwijde slachtoffers. Zijn geschiedenis begint in 1844 als Heyum Lehmann (met dubbel n), zoon van een Beierse veehandelaar, de jood Abraham Lehmann, in de haven van New York aan wal stapt en al snel besluit de band met het vaderland, inclusief de schapen, koeien en stieren van zijn vader alsook zijn Beierse Süsser te laten voor wat ze zijn.

Als Henry Lehman (met één n) vestigt hij zich als stoffenkoopman in Alabama. Verrassend is de manier waarop hij klanten werft: niet met de ingemetselde tandpastaglimlach van de latere reclame, maar intimiderend, alsof ze blij mogen zijn z’n spullen te kopen. Illustratief is de scène waarin een vrouwelijke klant met te veel kracht een onwillige deurklink bewerkt en zich als gevolg daarvan snijdt in gebroken glas – Henry kijkt onbewogen ‘van achter zijn toonbank toe hoe ze bloedde, zonder een vinger uit te steken, zelfs niet toen ze op verontwaardigde toon om een zakdoek vroeg, alstublieft’. Die zakdoek kan ze krijgen – voor twee, tweeënhalve of vier dollar. Dan verbaast het niet dat hij zijn werk niet kan onderbreken om de geboorte van zijn kinderen bij te wonen, de inventarisatie van het magazijn heeft uiteraard voorrang. Pas ‘bij de vierde blijde gebeurtenis bereikte mevrouw Lehman het gewenste resultaat, en liepen de tijden van de weeën in de pas met de eisen van het bedrijf’.

Als Henry sterft gaat de winkel na tien jaar voor het eerst drie dagen dicht. Dan wordt de zaak voortgezet door twee inmiddels overgekomen broers, Mendel (wordt Emanuel) en Mayer (blijft Mayer). De omzet stijgt enorm, het Lehman-imperium groeit razendsnel, ondanks – of liever dankzij – de Burgeroorlog en de afschaffing van de slavernij. Na de ontdekking van katoen als handel gaan ze verder in de koffie en, ‘om het feestmaal van de industrie van brood te voorzien’, in de steenkolenmijnen en de olie. Ze beginnen een bank in New York en constateren opgelucht: ‘Toen we in de handel zaten gaven de mensen ons geld en gaven wij er iets voor in ruil. Nu we een bank zijn geven de mensen ons evengoed geld maar geven wij niets in ruil. Althans op dit moment niet. Daarna zien we wel.’

Gezegend met hybris en cynisme – vermomd als rationaliteit, soms ook als filantropie, de Lehmans zien zichzelf als weldoeners van de mensheid – veroveren zij de wereld. Massini volgt alle tot de verbeelding sprekende fasen in de geschiedenis van het kapitalisme en de bijbehorende grote namen. We ontmoeten Walt Disney, Henry Ford, Charles Lindbergh, King Kong, Jesse Owens, president Roosevelt, de Heren van de Pers, Greta Garbo, Superman en Nixon. In het naoorlogse consumptieparadijs, aangezwengeld door het casinokapitalisme, bereikt het cynisme van de Lehmans – en dus dat van de schrijver – een hoogtepunt: ‘I have a dream’, galmt het repeterend, we doen alsof ‘iedereen alles kan kopen, luxe voor iedereen is, er geen armen bestaan, niets een prijs heeft, en zo wel, dat die betaalbaar is’. Een catastrofaal misverstand, maar een hilarisch boek. Ik kijk uit naar de theaterversie.