ESSAY: Iedereen ter beschikking van de staatTerrorismebestrijding leidt tot verregaande inbreuk op privacy

Iedereen tbs

Wie het juridische slagveld van vier jaar Nederlandse terrorismebestrijding overziet, komt tot de conclusie dat wij allemaal in beginsel ter beschikking van onze regering staan. Straks kan het lezen van een bibliotheekboek het leven al een fatale wending geven.

Op 27 februari ging de overheidscampagne «Nederland tegen terrorisme» van start. Sindsdien wordt ons dagelijks per tv- of radiospotje ingepeperd dat «meer dan tweehonderdduizend professionals in Nederland samenwerken om de kans op een terroristische aanslag zo klein mogelijk te maken». Die aankondiging is geruststellend bedoeld. Om de indruk te versterken dat hier sprake is van een masterplan legt de campagnewebsite grote nadruk op de maatschappelijke diversiteit van de betrokken diensten en beroepsgroepen. Politieagenten, officieren van justitie, perronopzichters, f16-piloten, douanebeambten, leraren, particuliere bewakers, aivd’ers, treinconducteurs, schoonmakers, belastingdeskundigen «en vele anderen» houden zich 24 uur per dag bezig met onze veiligheid. Ook wetenschappers werken aan de terreurbestrijding mee, meldt de campagnefolder: «Innovaties kunnen ons helpen in de strijd tegen terrorisme. Bij tno werken we aan een apparaat waarmee je door kleding kunt kijken. Je kunt dan zien of iemand bijvoorbeeld een wapen bij zich heeft. Je ziet ook echt de vorm van een pistool of een mes, anders dan bij een metaaldetector.»

Te midden van dit organisatorische geweld (dat de in Nederland onvermijdelijke vraag oproept of de effectiviteit niet is weggepolderd ten bate van de consensus onder al die «professionals») rest ons, gewone Nederlanders, geen andere taak dan het melden van verdachte gedragingen van de medemens aan de dichtstbijzijnde agent, conducteur of vertrouwenspersoon. Dat is niets nieuws vergeleken bij vroeger: politie en justitie waren altijd al aangewezen op tips van het grote publiek en de plicht tot melding van verdachte zaken bestaat ook al heel lang. De website en de folder laten echter buiten beschouwing wat er met die aanwijzingen tegenwoordig gebeurt. In dat opzicht is er in korte tijd veel veranderd.

Politie en justitie hebben sinds kort het recht om veel eerder een strafrechtelijk onderzoek te starten dan voorheen. Dankzij nieuwe wetgeving hebben ze meer bevoegdheden en dankzij nieuwe opsporingstechnieken hebben ze ook een groter bereik bij de uitvoering van dat onderzoek. En ten slotte kunnen ze dankzij de vrees voor grootscheepse aanslagen rekenen op meer begrip van datzelfde publiek, dat geleidelijk zijn schroom overwint om gebruik te maken van anonieme kliklijnen of om de post of vuilnisbak van zijn buurman te openen. In de toekomst zal «de burger die argwaan wekt» (een term van minister Donner) steeds vaker in sleepnetonderzoeken blijven haken en op grond van «aanwijzingen» als verdachte kunnen worden aangemerkt. Als het resterende pakket terrorismewetgeving van het kabinet-Balkenende in de loop van dit kalenderjaar door de Tweede Kamer wordt aanvaard, is zo’n aanwijzing uit het publiek, mits vergezeld van een verklaring van een afgeschermde aivd-medewerker, straks zelfs voldoende om iemand veroordeeld te krijgen wegens terrorisme.

De aantasting van de opsporingsrechtelijke normen is onwaarschijnlijk snel gegaan. Deze aantasting laat zich traceren aan de hand van een serie processen waarin telkens de vraag naar de ontvankelijkheid en bewijskracht van aivd-materiaal centraal stond. Het eerste proces werd gevoerd tegen vier mannen die op 13 september 2001 in Rotterdam waren gearresteerd op verdenking van het beramen van een terroristische aanslag. Zij werden in december 2002 vrijgesproken omdat de officier hen louter op grond van een aivd-ambtsbericht had aangemerkt als verdachten terwijl «enig resultaat van strafrechtelijk onderzoek ontbrak», aldus de rechter. Politiek Den Haag stond op zijn kop en er klonk een roep om nieuwe wetgeving die het makkelijker moest maken aivd-materiaal in de rechtszaal te gebruiken.

Een half jaar later werd opnieuw een groep verdachten vrijgesproken, ditmaal omdat de aivd weigerde in de rechtszaal te getuigen, zodat de rechter niet in staat was de deugdelijkheid en rechtmatige verkrijging van de aivd-aanwijzingen vast te stellen. Ditmaal mengde ook het OM zich in de wetgevingsdiscussie. Procureur-generaal De Wijckersloot vroeg om invoering van een nieuw procesrecht waarin aivd-materiaal zonder meer werd toegelaten: «Terrorisme is een nieuw fenomeen waarop ons strafrecht niet is toegesneden. Voor vervolging zou je een apart strafstelsel moeten hebben, waarin die informatie wel kan worden gebruikt.»

Minister Donner van Justitie reageerde op de commotie door twee soorten wetgeving te initiëren. Ten eerste werd het toegestaan dat zogenaamde «afgeschermde aivd-getuigen» in een proces optraden, zodat de aivd-inbreng voortaan integraal deel uitmaakt van de bewijsvoering. Ten tweede werden de bevoegdheden van de reguliere opsporingsdiensten zodanig vergroot dat ze eigenlijk dezelfde bevoegdheden kregen als aivd-ambtenaren. Het symbool van deze vervloeiing van grenzen was de zogenoemde CT-Infobox, een verzameling data over circa 150 moslimradicalen waarvoor aivd, politie, justitie en de ind gegevens leverden, terwijl ze er tegelijk ook uit konden putten ten behoeve van hun eigen onderzoeken. Het ging hierbij volgens minister Donner niet om verdachten, maar om «personen tegen wie argwaan is gerezen».

Parallel aan deze nieuwe wetgeving loopt een ander traject: dat van de technische innovatie waaraan de campagnefolder zo onschuldig refereert. Opsporing wordt steeds meer een kwestie van dataverwerkingstechnieken en elektronische gadgets, van IP-registratie bij internetproviders tot en met onderhuidse chips die zowel kunnen dienen voor de lokalisering van de drager als voor de registratie van zijn lichaamsprocessen. Tezamen hebben ze de opsporing en vervolging van terrorismeverdachten een geheel nieuwe dynamiek gegeven, waarbij de kans op fouten en de onterechte aanmerking van burgers als verdachten navenant is toegenomen. In dat licht is het getal van tweehonderdduizend professionals die zich om onze veiligheid bekommeren ineens een stuk minder geruststellend.

Professionele bankiers, schoonmakers en tramconducteurs zijn namelijk allesbehalve professionele opsporingsambtenaren. Hun «argwaan» kan resulteren in een «aanwijzing» die in tal van databanken wordt geregistreerd voordat zij goed en wel geëvalueerd is. Zo ontstaat het risico van «schijndossiers» tegen mogelijke verdachten, samengesteld uit elektronische registraties en uit hun verband gerukte fragmenten van telefoongesprekken en beelden van gesloten tv-circuits, waarbij een verdachte juist door de wetenschap dat hij of zij wordt geobserveerd tot strafbare feiten kan worden aangezet.

Dit principe van de vrijwillige zelfveroordeling is meeslepend beschreven in Heinrich Bölls roman Die verlorene Ehre der Katharina Blum (1974). Zulke schijndossiers kunnen door de schijnbare «hardheid» van de erin verzamelde elektronische data in de toekomst een reële bedreiging voor de individuele vrijheid vormen.

Maar justitie en Binnenlandse Zaken trekken een wissel op de vox populi, die zegt dat wie «niets te verbergen heeft» ook geen bezwaar kan maken tegen verregaande registratie en koppeling van persoonsgegevens. Het bericht van enkele weken terug dat justitie bezig is met het aanleggen van een databank met biometrische gegevens van alle Nederlandse paspoorthouders, hoewel een wetsvoorstel van die strekking nog niet eens is ingediend, wekte voornamelijk de verontwaardiging van enkele kamerleden op. Niet die van het grote publiek, dat zich in meerderheid eerder zorgen maakt om de onbevredigende hoogte van de gevangenisstraffen voor zware misdrijven, inclusief terrorisme, en over het kennelijke falen van justitie om terrorismeverdachten veroordeeld te krijgen. Schijnveiligheid is de evenknie van het schijndossier.

De basis voor de nieuwe opsporingspraktijk is de Wet Terroristische Misdrijven die in augustus 2004 in werking trad. In deze wet zijn twee zaken apart strafbaar gesteld: werving voor de jihad en samenspanning met als doel het plegen van een ernstig terroristisch misdrijf. De wet verhoogt ook de maximale gevangenisstraffen voor misdrijven als doodslag, zware mishandeling, kaping of ontvoering indien deze met een «terroristisch oogmerk» worden gepleegd. Het werven voor de jihad is op zichzelf strafbaar, dus ook als het niet tot aanwijsbaar resultaat leidt. Ook samenspanning tot het begaan van terroristische misdrijven is op zichzelf strafbaar, dat wil zeggen de intentie is voldoende grond voor veroordeling, ook al is er geen sprake van zogenaamde voorbereidingshandelingen. Als afdoende bewijs kunnen (anonieme) getuigenverklaringen en door de aivd aangeleverde telefoontaps dienen, al zal een enkele rechter daar vooralsnog misschien anders over denken.

Het vaststellen van intenties in plaats van feiten geeft een veel ruimere invulling aan het begrip opsporing. Tot nog toe kon een strafrechtelijk onderzoek pas worden ingezet indien er sprake was van een «redelijk vermoeden» van strafbare feiten. Het wetsvoorstel «uitbreiding bevoegdheden politie in terrorismezaken» van minister Donner van Justitie brengt ook daarin verandering: het stelt dat «aanwijzingen» al voldoende zijn om een «verkennend onderzoek» in te stellen en dat daarbij gebruik gemaakt mag worden van bijzondere opsporingsmethoden als het koppelen van databanken, (criminele) burgerinfiltratie en telefoontaps. Zo’n «aanwijzing» zal dan ook voldoende zijn om een sleepnetonderzoek te mogen uitvoeren. Het sleepnetonderzoek is namelijk ook al toegestaan; het mag alleen nog niet zo heten, want de term ligt zeer gevoelig in kringen van burgerrechtenactivisten.

Sinds 1 januari 2006 is de Wet Bevoegdheden Vorderen Gegevens in werking getreden, die politie en justitie het recht geeft in één keer grote hoeveelheden persoonsgegevens op te vragen bij tal van instellingen: winkels (klantgegevens), bedrijven (orders, klantgegevens, personeelsadministratie), internetproviders en webhosts (logfiles), bibliotheekadministraties, banken, reisbureaus, taxifirma’s en openbaarvervoerbedrijven, verhuurders, nutsbedrijven, enzovoort. Bovendien kan de politie ook toekomstige gegevens opeisen, oftewel bedrijven en particulieren verplichten tot toekomstige registratie en melding van klant- en gebruikersgegevens. Als toppunt van ironie werd enkele weken na het in werking treden van deze wet bekend dat de Nijmeegse politie een logfile met de IP-adressen van 25.000 bezoekers aan de website www.louisseveke.nl in handen heeft gekregen.

Die website werd opgezet door vrienden van de vermoorde activist Louis Sévèke, die politie en inlichtingendiensten decennialang hinderlijk volgde. In de (openbare) database van Ripe kan de politie nu moeiteloos de namen van alle bezoekers van de site achterhalen en vervolgens bij de internetproviders hun namen en adressen opvragen. Dit alles zonder tussenkomst van een officier van justitie of rechter-commissaris.

De bedoeling van de Nijmeegse driehoek is wellicht goed, namelijk nagaan of zich onder de bezoekers een mogelijke verdachte van de moord op Sévèke bevindt. Dat neemt niet weg dat het gegevensbestand tot in lengte van dagen kan worden gebruikt tegen Sévèkes voormalige medestanders.

Binnen afzienbare tijd zal het ook mogelijk zijn om met behulp van zulke opgevraagde gegevens verdachten aan de hand van hun bezittingen te lokaliseren. De rfid_-tag_ is namelijk in opmars. rfid staat voor radio frequency identification oftewel identificatie door middel van radiogolven, een methode om van afstand informatie op te slaan en te lezen van zogeheten tags die in producten worden aangebracht.

«Zelf vind ik het een fascinerende gedachte dat in de Volksrepubliek China niet alleen een half miljoen treinwagons, maar ook alle 163 in dierentuinen levende reuzenpanda’s van een chip zijn voorzien», zei voorzitter Brouwer van het College van Procureurs-Generaal eind vorig jaar in een toespraak: «We groeien onmiskenbaar naar de situatie toe waarin het een uitzondering wordt als een bedrijf of een organisatie helemaal geen gebruik maakt van rfid’s. Sherlock Holmes kon aan de hand van een voetafdruk allerlei conclusies trekken over de mens boven de voet: wat voor bepakking hij droeg, of hij oud was of jong, hoe rijk hij was, enzovoort. Dankzij rfid’s hebben we daar geen Sherlock Holmes meer voor nodig. Althans in theorie is het mogelijk dat winkelvloeren worden uitgerust met rfid-lezers. Als nu de klant van een warenhuis zijn voet op zo’n vloer neerzet, kan de winkel aan de hand van een chip in zijn schoen vaststellen om welke schoen het gaat. Vervolgens kan men op basis van die informatie zien wanneer de schoen gekocht is, met welke klantenkaart daarvoor betaald is, wat voor aankopen deze klant nog meer heeft gedaan, of hij airmiles spaart, waar hij woont en wat zijn maten zijn. Dit alles op basis van één voetstap in een winkel.»

Omdat de dataverwerkingstechniek achterloopt bij de wetgeving is het in veel gevallen nog niet mogelijk om gegevens van verschillende databanken zodanig te stroomlijnen dat een coherent beeld van een groep kan worden verkregen. Maar dat is slechts een kwestie van tijd. In een verkennend onderzoek van de Universiteit van Tilburg – Veiligheid en privacy in 2030: Twee toekomstscenario’s – wordt gesteld dat de ontwikkeling van de techniek een exponentiële groei doormaakt. Dat komt deels doordat vakgebieden in elkaar overvloeien, deels doordat de commercie het tempo van innovatie harder aanjaagt dan ooit tevoren. Een blijk van dat laatste is de lobby van de in juni 2004 opgerichte Stichting RFID, die de streepjescode op producten op termijn wil vervangen door rfid-labels. Rotterdam experimenteert reeds met een OV-kaart met rfid-chip die de strippenkaart moet vervangen en zwartrijden onmogelijk moet maken.

Dit hoge tempo leidt volgens de Tilburgse verkenners tot een paradox op hun eigen vakgebied: toekomstscenario’s zijn realistischer naarmate ze meer science fiction bevatten. Daarbij geldt overigens dat de «fictie» vaak al de tekentafel van de ontwerpers heeft bereikt en enkel nog wacht op het commerciële nil obstat van de opdrachtgever. De onderzoekers verwachten tussen nu en het jaar 2030 dan ook een stormachtige ontwikkeling in de opslag en verwerking van persoonsgebonden data. Enerzijds zullen steeds meer instituties en particuliere bedrijven steeds meer persoonsgebonden data opslaan, variërend van dna-profielen van individuele burgers ten behoeve van hun gezondheidszorg tot jaargegevens van klantgedrag, verkregen uit chip- en andere betaalpassen. Anderzijds zullen burgers steeds meer consumptief gebruik maken van zulke data-opslag, bijvoorbeeld in de vorm van celgebaseerde (en dus altijd traceerbare) communicatie of van sensoren voorziene «slimme» kleding, auto’s et cetera.

Eigenlijk zijn de vereiste gegevens voor een panoptische controle van burgers al aanwezig. In de woorden van procureur-generaal Brouwer: «Het is voor de gemiddelde westerse mens al bijna onmogelijk geworden om een dag aan het maatschappelijk leven deel te nemen zonder dat hij ergens een spoor achterlaat in een bestand of een logje.» Die gegevens zijn alleen nog niet technisch koppelbaar. Maar omdat het commercieel aantrekkelijk is om ze in zo veel mogelijk samenstellingen te kunnen koppelen en analyseren, zit ook de zogeheten datamining volgens de Tilburgse auteurs in een stroomversnelling: «Door middel van kunstmatige-intelligentietechnieken wordt het steeds beter mogelijk om ‹vervuilde› bestanden aan elkaar te koppelen en problemen die ontstaan door verschillende gegevensdefinities in bestanden op te lossen. Deze ontwikkeling wordt voor een belangrijk deel vanuit de commerciële sector gestuurd, waarbij de overheid gretig aanhaakt. Er vindt een sterke consolidatie plaats van aanbieders van informatie die behoefte hebben aan een gedegen inzicht in hun klanten. Advertentieaanbieders, zoals DoubleClick, spelen een centrale rol in dezen.»

Een groot deel van de toekomstige databestanden zal worden aangelegd in ons «eigen belang». In het jaar 2030 zal onze persoonlijke leefomgeving naar verwachting zijn gevuld met «slimme» en «intuïtieve» technologie. Deze zogenaamde ambient intelligence is ingebed in objecten en stelt die objecten in staat te anticiperen of reageren op onze gedragingen en wensen.

Dit beginsel is al verwerkt in bijvoorbeeld het koffiezetapparaat met timer of in de schuifdeur-met-sensor die in openbare gebouwen en winkelpanden gemeengoed is. In de toekomst zullen stoplichten op eenzame kruispunten op groen springen zodra onze auto nadert, terwijl reclameboodschappen achter winkelruiten worden aangepast aan het klantprofiel van de voorbijganger. Ambient intelligence heeft onmiskenbaar voordelen in de sfeer van gebruiksvriendelijkheid en user-empowerment, een term die modieus klinkt, maar die reële betekenis krijgt zodra je complexe werkzaamheden moet verrichten of wanneer je in een rolstoel zit en voor je zelfredzaamheid bent aangewezen op allerlei apparatuur.

Tegelijk zal die intelligente omgeving onze aanwezigheid en onze gedragingen soms tot op de seconde en de vierkante meter registreren. Camera’s zullen bijvoorbeeld zijn voorzien van gps-ontvangers zodat de tijd en locatie waarop een foto of video is gemaakt als metadata aan de beelden worden toegevoegd. Een computer die de beelden uitleest is in staat nauwkeurig aan te geven waar en wanneer ze zijn gemaakt. Door de toename van celgebaseerde communicatie (gsm, gprs, wifi, wimax) is een locatiebepaling van de gebruikte apparatuur en dus van gebruikers mogelijk. Zulke informatie zal worden aangewend voor het gebruikersgemak, maar ook voor facturering en niet te vergeten voor vervolging en opsporing. Aangevuld met tal van andere data – van gesloten televisiecircuits met gelaatsherkenningstechniek en verkeersgegevens aangevuld met spraakherkenningssoftware tot en met uitdraaien van betaalautomaten – zal het mogelijk zijn om achteraf dan wel in real time iemands gangen van dag tot dag of zelfs van uur tot uur na te gaan.

«Met behulp van AI-technologie kan een grootschalig, op technologie gebaseerd collectief sociaal geheugen worden gerealiseerd, dat individuen in staat stelt direct commentaar en reacties te krijgen op hun (sociale) handelen», schrijven de Tilburgse onderzoekers. «Een dergelijk gedigitaliseerd collectief geheugen biedt, in combinatie met de sturingsmogelijkheden van de techniek, vele nieuwe mogelijkheden om mensen te controleren, hun gedrag te beïnvloeden en daarop te anticiperen. Dit creëert enerzijds belangwekkende nieuwe mogelijkheden voor opsporing en handhaving en daarmee het optimaliseren van veiligheid: de intelligente omgeving kan immers alle gedragingen van mensen onthouden en langdurig opslaan.»

Een aanzet tot deze panoptische benadering, die pas na de publicatie van het Tilburgse rapport bekend werd, is het plan van de Britse overheid om alle openbare wegen van het land te voorzien van camerabewaking. Het plan wordt gepresenteerd als een «verbetering van het verkeerstoezicht en de veiligheid op de weg». Maar de implementatie ervan zou betekenen dat voortaan niemand zich meer «ongezien» op de Britse openbare weg kan begeven. Zolang de gegevens uit dit gesloten tv-systeem louter worden gebruikt ten behoeve van het verkeerstoezicht zal de openbare veiligheid er wellicht door toenemen, maar zodra ze voor andere doeleinden worden aangewend is de individuele veiligheid allesbehalve gegarandeerd. Per slot van rekening werd de Braziliaan De Menezes op 22 juli vorig jaar in de Londense ondergrondse doodgeschoten nadat hij op videobeelden was «herkend» als verdachte van de mislukte bomaanslag van de dag daarvoor.

Wie het juridische slagveld van vier jaar Nederlandse terrorismebestrijding overziet, komt tot de conclusie dat wij allemaal in beginsel ter beschikking van onze regering staan. Het is alleen nog de vraag welk regime ons in de toekomst zal worden opgelegd. Dat hangt af van technische ontwikkelingen die grotendeels marktgestuurd zijn. De Tilburgse onderzoekers maken daarbij de wrange aantekening dat werkelijke privacy enkel zal zijn voorbehouden aan sterke marktpartijen die hun elektronische integriteit kunnen «kopen». De Katharina Blums zullen meer dan ooit op hun tellen moeten passen. Het is niet meer nodig dat ze zonder het te weten het bed delen met een verdachte; reeds het lezen van een bibliotheekboek kan een «aanwijzing» zijn die hun leven een fatale wending geeft.