Kostuumdrama scoort hoge kijkcijfers

Iedereen tevreden

In het populaire Downton Abbey is cynisme ver te zoeken. De bediende huilt om een manchetknoop, de graaf is vergevingsgezind. Een rehabilitatie van het klassenbewustzijn?

MET BIJPASSEND klaroengeschal maakte de Britse tv-zender ITV eind vorig jaar bekend dat haar nieuwe dramaserie Downton Abbey niet alleen lyrische recensies had ontvangen, maar ook wekelijks meer dan elf miljoen kijkers in Groot-Brittannië trok en meer dan zes miljoen in de Verenigde Staten - een evenaring van het record voor een kostuumdrama van het inmiddels legendarische Brideshead Revisited (1981).

Juist die vergelijking met Brideshead moet voldoening hebben gegeven aan Julian Fellowes, bedenker en schrijver van Downton. Het hele oeuvre van Fellowes (1949, voluit: Julian Alexander Kitchener-Fellowes, Baron Fellowes of West Stafford), dat romans en filmscripts omvat, kun je zien als een poging in de buurt van Brideshead te komen en het drama van de teloorgang van de Britse landadel te vatten. Sinds twee weken is Downton ook in Nederland te zien, bij de NCRV, zaterdagavond half negen. Net als het door Robert Altman geregisseerde Gosford Park, waarvoor Fellowes een Oscar kreeg (beste script, 2002), is Downton Abbey een klassiek upstairs-downstairs-verhaal, waarin de heersende en de bedienende klasse worden belicht door de komst van een buitenstaander. De serie begint als de aristocratische familie Crawley het bericht krijgt dat de Titanic is gezonken, 15 april 1912. Voor graaf Robert (Hugh Bonneville) is het bericht desastreus op verschillende fronten: zijn enige volle neef zat aan boord, die bovendien verloofd was met zijn oudste dochter Mary. Met zijn neefs dood komt de erfenis in het geding; Robert heeft alleen dochters, wat volgens erfrechten betekent dat Dowton Abbey en de omliggende landerijen bij zijn overlijden in handen komen van verre, onbekende, niet-adellijke familie. Tot het grote ongenoegen van de rest van zijn gezin besluit graaf Robert zijn onbekende achter-achterneef, de jonge advocaat Matthew, naar Downton toe te halen in een poging hem, tot haar aanvankelijke afgrijzen, aan Mary te koppelen.

‘Downstairs’ raakt de strikte hiërarchie van de bedienende staf overhoop wanneer een nieuwe eerste kamerdienaar verschijnt, de enigmatische John Bates (Brendan Coyle) die in de Boerenoorlog zij aan zij met graaf Robert heeft gevochten. Verschillende ambitieuze bedienden zien Bates als sta-in-de-weg voor promotie en proberen hem in kwaad daglicht te stellen.

Het eerste dat je treft is hoe kundig het allemaal is: de kostuums en het decor zijn prachtig, de acteurs zijn stuk voor stuk perfect gecast, meestal vaag bekende gezichten die allemaal bij de Royal Shakespeare Company of ander Brits topdrama vandaan blijken te komen. De glansrollen zijn weggelegd voor de dames, voor Elizabeth McGovern als goedwillende maar altijd teleurgestelde Amerikaanse echtgenote van de graaf (dat stemmetje!), maar vooral voor Maggie Smith, die als conservatieve douairière een reden op zich is om naar de serie te kijken. Ze schmiert in haar permanente staat van verontwaardiging en kissebist vol overgave over de meest tuttige zaakjes, als een volleerd P.G. Wodehouse-personage. Misschien verbeeldt zij de wereldvreemdheid van de landadel het meest expliciet, wanneer Matthew voorstelt in het weekend het landgoed beter te leren kennen, en ze vraagt: 'Weekend? What is “week-end”?’

Eigenlijk is de vergelijking met de satirische romans van Wodehouse, rond de know-it-all-butler Jeeves en verstrooide gentleman Wooster, meer op z'n plaats dan die met het hoogliteraire drama van Evelyn Waughs Brideshead Revisited. In Downton staat sociale klasse de liefde in de weg, in Brideshead het geloof. De stijl verschilt fundamenteel. De plot van Downton Abbey is tjokvol: naast de doorlopende rode draden bevat elke aflevering allerlei op zichzelf staande zijsprongetjes (een kokkin heeft een oogoperatie nodig, een kamermeisje wil secretaresse worden, de douairière wil een rozenkweekwedstrijd winnen), waar de regie vlug en behendig doorheen gaat opdat de kijker zich nooit verveelt. Brideshead daarentegen laat zich wonderlijk traag vertellen, met een melancholische landerigheid die zo bij de lege dagen van aristocratie past. De shots gaan langzaam door het decor en zuigen verlangend alle weelde op, nog versterkt door de nostalgische voice-over in het gedragen upperclass-accent van Jeremy Irons.

Maar meer nog verschillen Brideshead en Downton in hun behandeling van het verleden. Waugh publiceerde zijn roman in 1945, zijn nostalgie is niet die naar een ver verleden, maar naar de actualiteit. De op het paleis Brideshead residerende familie Marchmain heeft een intrinsieke nostalgie naar zichzelf, omdat ze weet dat ze, te midden van alle modernisering in het interbellum, leeft in geleende tijd.

Fellowes, prominent lid van de Conservatieve partij in Engeland, deed er slim aan zijn verhaal te laten beginnen met de ondergang van de Titanic. De gerenommeerde Britse historicus A.N. Wilson noemt het in zijn mentaliteitsgeschiedenis After the Victorians (2005) het equivalent van wat 9/11 was voor het afgelopen decennium. Conservatieven, liberalen, marxisten en anarchisten draaiden het drama om naar een metafoor die binnen hun wereldbeeld paste. Overal werden inzamelingsacties georganiseerd en in het Royal Opera House Covent Garden las de eeuwig pessimistische Thomas Hardy een fatalistisch gedicht voor waarin hij schetste hoe het lot van het schip al vastlag, toen het nog gebouwd werd:

In stature grace, and hue,

In shadowy silent distance grew the Iceberg too

Toch toonde de paniek over de Titanic slechts het topje van de ijsberg (huh-huh) van sociale onrust die toen leefde. Er zit geen enkele waarheid in de gevleugelde uitspraak dat 1914 een einde maakte aan een 'seemingly endless, sunlit afternoon with Britain prosperous, peaceful, innocent’, schrijft Wilson. Het verschil tussen arm en rijk was groter dan ooit, uit een wijdverspreide xenofobie werden allerlei maatregelen afgekondigd tegen immigranten, toppolitici waren betrokken bij corruptieschandalen en de nouvaux riches kochten adellijke titels en landhuizen op - om die weer zonder enig gevoel voor de historische en sociale waarde te verknippen en door te verkopen als de winstcijfers tegenvielen. Tot op zekere hoogte stak de landadel haar kop in het zand, of wist zich er anders wel van te overtuigen dat die modernisering niet veel voorstelde. Ze greep als mantra terug op de beroemde woorden van voormalig premier Benjamin Disraeli dat Engeland niet geregeerd wordt door een aristocratie, maar door 'an aristocratic principle. The aristocracy of England absorbs all aristocracies, and receives every man in every order en every class who defers to the principle of our society, which is to aspire and excel.’ Iedere historicus weet dat dit uiteindelijk loze woorden waren, schrijft A.N. Wilson.

Behalve Julian Fellowes. In Downton Abbey is de tijd statisch, er is niets te merken van dreigende veranderingen. In tegenstelling tot Brideshead draait Downton om de nostalgie van de kijker, waar Fellowes opvallend opportunistisch op inspeelt. Het historisch besef dat zijn beste werken, zoals Gosford Park, zo sterk maakt heeft hij afgevlakt, dumbing down, zo zeer dat je hem zelfs her en der op anachronismen kunt betrappen (als Frans Ferdinand in Sarajevo vermoord is roept de bediening, over de krant gebogen: 'Dat wordt oorlog!’ In werkelijkheid gingen er enkele weken overheen voordat de aanslag enige betekenis kreeg.) In Gosford Park komt de afkeer die de elite heeft van het volk nog het best tot zijn recht wanneer een politierechercheur (Stephen Fry) arriveert om de moord op de heer des huizes te onderzoeken - en die ze vervolgens geen blik waardig gunnen. Ze hebben niet door, zegt de rechercheur tegen zijn assistent, hoe zeer ze van hun bediendes afhankelijk zijn.

Dat cynisme zit nergens in Downton. De serie is op z'n best anglofiel en op z'n ergst nationalistisch. Iedereen is volledig tevreden met zijn of haar positie, of die nu up- of downstairs is. Typisch is de scène waarin een kamerbediende doodongelukkig toekijkt, bijna met natte ogen, hoe Matthew zichzelf aankleedt. Ik stond daar maar wat te staan, als een idioot, zegt de bediende onthutst tegen zijn collega’s. Graaf Crawley spreekt Matthew hem er later op aan. Natuurlijk kun je jezelf aankleden, zegt de graaf, maar we hebben allemaal een rol te spelen en je kunt niet zomaar iemand zijn functie ontnemen.

De dag daarna vraagt Matthew zijn kamerbediende zijn manchetknopen dicht te maken, wat hij doet, met trillende onderlip van vreugde.

Fellowes’ personages bevinden zich dus nog steeds in die 'sunlit afternoon’ waarin Disraeli’s woorden golden - de bediendes roddelen weliswaar over hun werkgevers, maar bewonderen ze als het erop aankomt onverbloemd. Wanneer de nieuwe chauffeur een socialist blijkt te zijn, is dat weinig meer dan iets exotisch. Ja, sociale klassen zijn vervelend, zegt hij monter. Maar dat geldt niet voor lord Crawley, want dat is zo'n vriendelijke man. Juist in het personage van de vrijdenkende, belachelijke liberale lord Crawley zit iets gek ongeloofwaardigs. Elk probleem tussen de upperclass en lowerclass blijkt weg te strijken met een goed woordje of een vriendelijk gebaar. (Wat dat betreft doet Downton Abbey associatief denken aan wat George Orwell inbracht tegen het werk van Charles Dickens: Dickens wijst op sociale misstanden en pleit voor een verandering in de harten van de mensen; waar hij op zou moeten wijzen is een verandering in de structuur van de maatschappij.) Zelfs de verwende Crawley-dochters hebben het beste met iedereen voor, de douairière blijkt toch heel open minded en ook de roddelende adel in de hoofdstad is uiteindelijk vergevingsgezind. Misschien is het een hopeloos ouderwets gevoel dat je krijgt van Downton Abbey, maar soms ontkom je niet aan de indruk dat Fellowes een klassenbewustzijn heeft willen rehabiliteren.

Zaterdag 20.20 uur, Nederland 2, NCRV