De nieuwe altruïst

‘Iedereen verdient een tweede kans’

Belinda (26, advocaat) begeleidt in haar vrije tijd een zedendelinquent. ‘Tot ik zeker wet dat het goed met hem gaat, wil ik dit blijven doen.‘

Medium rc20151203 belinda thuijs 02 v3

‘Mensen denken vaak dat ik een buddy voor zedendelinquenten ben, maar dat is niet zo. We proberen met dit werk te voorkomen dat er nieuwe slachtoffers vallen. Met een groep vrijwilligers begeleiden we één zedendader, het kernlid noemen we zo iemand. Wekelijks spreken we met hem af – het zijn toevallig allemaal mannen – en bespreken we hoe het met hem gaat. Daarbij zijn we kritisch. Als we risicosignalen opvangen, melden we dat bij Cosa, de reclassering. Zij leiden dit project. Een klassiek voorbeeld van zo’n risicosignaal is als we bij iemand thuis stoepkrijt zien liggen, terwijl diegene helemaal geen kinderen heeft in die leeftijd.

Zedendaders zitten vaak in een sociaal isolement. Hun netwerk heeft hen laten vallen en ze hebben moeite met contact maken. Bij mijn kernlid was dat ook het geval. Wij als begeleiders moedigen hem aan om een nieuwe kennissenkring op te bouwen. Hij is heel gemotiveerd om iets van zijn leven te maken, dat vind ik mooi om te zien. Ook voor ik aan dit project deelnam kreeg ik soms met zedendaders te maken, in mijn werk als advocaat. Ik vind het belangrijk om mensen te verdedigen. Volgens mij verdient iedereen een tweede kans. Mensen die hieraan meedoen moeten open minded zijn, geen pedojagers. Daar heeft zo’n jongen niets aan.

Toen ik mijn ouders en broer vertelde dat ik dit ging doen, schrokken ze wel. Een jonge vrouw, wat moet die in zo’n omgeving? De buitenwereld denkt bij pedoseksuelen altijd meteen aan enge mannen die in de bosjes liggen, maar zo’n homogene groep is het helemaal niet. De jongens in dit traject doen dit vrijwillig en proberen echt opnieuw te beginnen. Bovendien vind ik het helemaal niet zo belastend om te doen. Ik heb dossiers die stukken zwaarder zijn.

De vrijwilligersgroep is heel gevarieerd. Ik werk samen met mensen uit alle lagen van de samenleving. Het is niet een groep met wie ik uit eigen beweging zou optrekken, maar ik leer daardoor juist veel. We zijn laatst met z’n allen gaan bowlen, ook het kernlid ging mee. Toen vroegen we ons af: wat zeggen we als we een bekende tegenkomen? We hebben afgesproken dat we elkaar zouden voorstellen als collega’s van vroeger. Maar het is me tot nu toe nog nooit overkomen dat ik de situatie uit moest leggen.

Eén keer per twee weken praten we over het delict dat ons kernlid heeft gepleegd, namelijk kinderporno kijken. We benoemen alles en stellen vragen. Pedoseksuelen moeten leren aangeven wat ze voelen, vertrouwen is daarbij belangrijk. Ook werken we met behulp van een preventieplan aan impulscontrole. Ons kernlid is heel open en vindt het leuk om te praten, hij heeft ons zelf verteld wat zijn risicosignalen zijn. Laatst hebben we een beoordelingsformulier ingevuld waar we bijvoorbeeld moesten aangeven of we zorgen over hem hebben, of hij vijandige gevoelens heeft, en hoe het met zijn probleemoplossend vermogen gesteld is. Dat formulier hebben we ook aan ons kernlid gegeven, zodat hij zichzelf kan beoordelen. Op die manier kun je goed vergelijken hoe de voortgang gaat.

Seksualiteit is natuurlijk een moeilijk onderwerp om over te praten. Je hebt het er bij wijze van spreken met je vrienden al nauwelijks over, laat staan met een veroordeelde zedendader. Toch moet het, omdat we moeten kunnen inschatten of hij de verkeerde kant opgaat. Gelukkig wil hij dat zelf ook niet, heeft hij gezegd. Ik heb mijn kernlid echt zien groeien en dat geeft een bevredigend gevoel. Tot ik zeker weet dat het goed met hem gaat en hij op eigen benen kan staan, wil ik dit blijven doen.

Soms is het moeilijk voor me om te accepteren dat vooruitgang met kleine stapjes gaat. Ik ben zelf een aanpakker, maar die stapjes zijn niet zo vanzelfsprekend voor hem als voor mij.’