Groener gras

Iedereen verliest

Annelies Verbeke
Groener gras
De Geus, 223 blz., € 18,90

Een keur aan verhalen over winnaars en verliezers belooft de flaptekst van de nieuwe verhalenbundel van Annelies Verbeke. De verhalen hebben ondertitels als ‘waarin iemand de overwinning niet aankan’ en ‘waarin iedereen onverdiend verliest’. Het is bijzonder om je verhalen zo’n leeswijzer mee te geven, verraderlijk ook, omdat het een te simplistische voorstelling van zaken zou kunnen geven waardoor het flauw wordt. Maar wanneer je de werelden van Verbeke’s winnaars en verliezers betreedt, zijn die heel wat minder eenduidig dan de belofte op de achterflap doet vermoeden.

Er wordt vooral vreselijk en afschuwelijk verloren in het universum van Verbeke. Een eenzame lesbienne geeft zelfverdediging aan bejaarden, een congresmacho lijkt precies op Don Johnson en een culinair recensent is niet bij machte te proeven. Net als haar succesvol ontvangen debuut Slaap! zijn ook deze verhalen geschreven met gevoel voor ironie en een bij vlagen prettig zwarte kijk op de mens.

In het verhaal Liefde, hoop en dwergen pikt een dwerg genaamd Rutger Hauer ene Laetitia op die met liefdesverdriet aan de kant van de weg staat. Ze heeft net haar vriend verlaten, en laat zich troosten door Rutger en zijn vrouw Nancy. Wanneer Laetitia na een mislukte poging terug te keren bij haar lief – hij blijkt niet meer van haar te houden – weer bij de dwerg en zijn vrouw aanklopt, kan ze de liefde tussen hen niet meer uitstaan. En als ze een nacht wakker is gehouden door hun dronken uitvoering van The Time of My Life met als besluit een potje harde seks, is voor Laetitia de tijd aangebroken hen een lesje te leren. Om te bewijzen dat de liefde niet bestaat, een gedachte die is geboren omdat ze net haar grootmoeder met nonkel Desiré heeft betrapt. De beelden die Verbeke hierbij neerzet zijn tragisch en hilarisch tegelijk: hoe de vleeskleurige panty van grootmoeder als een trouwe slang naast haar ligt, hoe nonkel Desiré met een rood hoofd naar de orthopedische schoen staart die hij daarnet nog naar de andere kant van de kamer had geschopt. 35 jaar is het al aan de gang, deelt haar grootmoeder haar mee op een toon waar zowel dreiging als trots van uitgaat.

Ook het verhaal Lola (‘waarin de gedoodverfde verliezer wint’) wordt gekenmerkt door dit tragikomische absurdisme. Lola is een vrouw die veel fietst, zomaar. Daarna: ‘Ze had erg gespierde benen.’ Dat zo opschrijven, over die benen, daarin schuilt de brille van Verbeke’s schrijven. Omdat die simpele zin in één keer de binnenwereld van Lola oproept. Het is een vrouw bij wie het wel eens opkomt dat alles waar ze naar verlangde lang op zich liet wachten. Die carrière dan wel relatie niet genoeg waard vindt om zich volledig op te richten, haar man ging toch weg, en als ze zou werken kon ze niet fietsen tijdens het mooiste deel van de dag. Er is weinig in het leven dat haar wezenlijk interesseert. Tot ze een zielsverwant vindt. Een stier die ze Lola noemt. Lola en Lola staan soms samen te loeien in de weide. Dan maakt de boer een os van de stier. En neemt Lola op vernietigende wijze wraak.

Poëtischer is het ultrakorte Naar de toekomst: een associatief, nachtmerrieachtig verslag van het aloude verhaal van een gezin op de vlucht, onderweg naar een toekomst die niet bestaat in een vrachtwagen met te weinig zuurstof. Dit verhaal, waarmee de bundel opent, is een beetje een vreemde eend in de bijt. Omdat het de scherpzwarte humor mist die de andere verhalen kenmerkt. Dat zit ’m bijvoorbeeld in de onderhuidse hatelijkheid van een zin als: ‘Stefaan kan zich levendig voorstellen hoe de man het gesprek met een paar onnatuurlijke wendingen in de richting van waterpolo zou sturen.’ Deze Stefaan, uit het verhaal Heer en meester waar de bundel mee afsluit, is de vleesgeworden misantropie. Na een willekeurig aantal mensen te hebben neergeschoten, stopt hij de loop van zijn geweer in zijn eigen mond en haalt de trekker over. Tot zijn spijt ziet hij hoe het bloed van zijn lotgenoten hem broederlijk omringt. ‘Alsof hij niet alleen kon zijn.’

Stefaans keuze letterlijk het leven en anderen te ontvluchten kun je lezen als een uitvergroting van de onderliggende thematiek in Groener gras: het willen ontvluchten van deze wereld. Wát een ieder ontvlucht, varieert: een land, een waarheid, een dood, een ander, zichzelf. Of geluk, zoals Etienne in het verhaal Etiennes poging (‘waarin iemand de overwinning niet aankan’). Wanneer hij na een eenzaam en treurig bestaan eindelijk de liefde leert kennen, vliegt het leven hem naar de keel: ‘Het geluk had hem ongemerkt in een hinderlaag gelokt. Nu kwam het als een leger krankzinnige olifanten op hem afgestormd.’ Etienne bedankt vriendelijk. Als lezer ben je aanvankelijk teleurgesteld, maar in tweede instantie haal je, samen met Etienne, opgelucht adem: erger kan het tenminste niet meer worden. Want uiteindelijk verliest iedereen, het zijn de winnaars die deze waarheid kunnen verdragen.