Iedereen zal thuis met zijn vleugels zitten spelen

Omdat ik geen viroloog ben kan ik weinig wezenlijks zeggen. Ik zeg het vast: ik zeg niets. De gesprekken om me heen komen neer op doorgeven wat gehoord of gelezen is, telkens zie ik het mezelf en anderen doen: ruimte nemen om iets zinnigs te verkondigen en vervolgens niets anders kunnen dan onszelf oproerkraaier of valse geruststeller vrezen, of dus toch maar zwijgen. Wat als onze leefwereld de komende tijd verschraalt tot één verhuisdoos met alleen de échte noodzakelijkheden: waarmee is die doos gevuld, is er ruimte voor piepschuim en voor wie of wat is dat piepschuim dan de metafoor?

‘Als de wereld weer normaal is’, hoor ik mezelf door de telefoon tegen een vriendin zeggen, en daarna een verheugd betoog over welke leuke dingen we zullen ondernemen, in welke mate van verrukking we ons op het leven zullen stórten. Haar relatie is net uit, nou, als het weer kan, komen we haar doodknuffelen. En dan dansen! Wildheid! Onverschrokken! Ondertussen wil ik voor een wandeling niet meer de stad in. De lente is nietsontziend begonnen, ‘normaal’ zal niet meer normaal worden en terwijl ik de ene na de andere virusanalyse lees, probeer ik halsstarrig de paniek buiten de deur te houden. Hoop, denk ik, je koopt er niets voor maar hoop hoop hoop. Pasen komt in zicht, for God’s sake.

Mijn vader is een frisse zestiger en waant zich onsterfelijk. Is het mijn plicht, als dochter, hem van het tegenovergestelde te overtuigen? Mijn broer is verpleger en trots. ‘Zie je wel’, zegt hij. ‘Ik deed de laagste opleiding van jullie allemaal en ik doe het belangrijkste werk.’ Hij vertelt over zijn afdeling, waar de angst met poëzie wordt ingedamd. Een vrouw van ver in de tachtig plakte een wit vel op haar deur:

Het virus komt hier niet binnen.
Ben je bang, lees dan
deze zinnen!

Ik lees het gedicht Geel van Anne Sexton, en blijf even heel stil op de bank zitten. Anne Sexton was een geweldig dichteres, ze leed aan depressies en beroofde zichzelf op vijfenveertigjarige leeftijd van het leven. Voor haar was Geel waarschijnlijk een bezwering, een geruststelling. Het was waar. Piepschuim was het niet – absoluut niet.

Als ze de zon
weer aanzetten dan plant ik er kinderen
onder, dan steek ik mijn ziel aan
met een lucifer en laat hem zingen, dan
neem ik mijn moeder en zeep haar in, dan
pak ik mijn botten en poets ze op, dan
stofzuig ik mijn verschraalde haar, dan
betaal ik alle erge schulden van mijn buren, dan
schrijf ik een gedicht dat Geel heet en
leg ik mijn lippen neer om het op te drinken, dan
voer ik mezelf lepels vol hitte en
iedereen zal thuis met zijn vleugels
zitten spelen en de planeet
zal schokken van al dat glimlachen en
er zal nergens vergif zijn, geen plaag
aan de hemel en er zal een moedersoep
zijn voor alle mensen en we zullen
nooit doodgaan, niet één van ons, we gaan door,
toch?


Geel
Anne Sexton
Uit: In het diepe museum, uitgeverij Papieren Tijger 1988, gedichten uitgekozen en vertaald door Annemarie Slootweg