Het leven van Dickens

Iedereen zijn eigen Dickens

Charles Dickens groeide binnen een paar jaar uit van zoon van een schuldenaar tot literaire sensatie. Hij had een gespleten karakter. Hier duizend Dickensen, teruggebracht tot zeven.

Claire Tomalin, Charles Dickens: A Life, € 32,50,

In 1862 bracht Fjodor Dostojevski een bezoek aan Charles Dickens. De Russische romanschrijver was een groot bewonderaar van het werk van zijn Britse collega; toen hij in de gevangenis zat had hij The Pickwick Papers en David Copperfield gelezen. Jaren later gaf hij aan een vriend een opmerkelijk verslag van hun gesprek over het schrijven. ‘Hij vertelde me’, schreef Dostojevski, 'dat alle goede eenvoudige mensen in zijn romans, Little Nell, en zelfs goeiige sullen als Barnaby Rudge, zijn wie hij had willen zijn, en dat zijn schurken waren wie hij was (of beter, wat hij van zichzelf vond), zijn wreedheid, zijn aanvallen van redeloze vijandigheid tegenover degenen die hulpeloos waren en bij hem bescherming zochten, zijn onwilligheid tegenover degenen van wie hij zou moeten houden, omdat zijn liefde al was opgebruikt in wat hij schreef. Er waren twee mensen in hem, vertelde hij me: een die voelt wat hij behoort te voelen en een die het tegenovergestelde voelt. Van degene die het tegenovergestelde voelt maak ik mijn slechte personages, van degene die voelt wat een man hoort te voelen probeer ik mijn leven te leiden.’
Het is, schrijft Claire Tomalin in haar meeslepende biografie van Charles Dickens, een wonderbaarlijk verslag. Als de herinnering van Dostojevski klopt, is het de diepste verklaring die Dickens ooit over zijn innerlijke leven gaf, en een van de weinige keren dat hij zich onomwonden bewust leek te zijn van zijn eigen wreedheid en slechte gedrag. Alsof hij tegenover de vreemde gast het masker van volmaakte deugdelijkheid dat hij voor zijn Engelse publiek moest ophouden kon laten vallen.
In zijn brief gaf Dostojevski ook zijn eigen reactie op Dickens’ bekentenis weer. 'Slechts twee mensen?’ vroeg hij hem. Huisden er slechts twee mensen in zijn borst? Dat is een goede vraag. Het is althans een vraag waar alle achtereenvolgende biografen van Dickens hun tanden in hebben gezet. Hoeveel er ook over de grootste romanschrijver van Engeland bekend is, en dat is heel, heel veel, het is alsof hij altijd weet te ontsnappen als ze hem proberen vast te pinnen. Robert Douglas-Fairhurst, die onlangs Becoming Dickens publiceerde, stelt dat proberen Dickens te vangen net zoiets is als je duim op een bolletje kwik willen leggen. Claire Tomalin zegt het zo, aan het eind van haar lijvige boek: 'Iedereen vindt zijn eigen versie van Charles Dickens. Het kind-slachtoffer, de onweerstaanbaar ambitieuze jonge man, de verslaggever, de demonische werker, de onvermoeibare wandelaar. De radicaal, de beschermer van wezen, helper van de behoeftigen, man van goede werken, de republikein. De hater en liefhebber van Amerika. De gastheer van feesten, de tovenaar, de reiziger. De satiricus, de surrealist, de hypnotiseur. De boze zoon, de goede vriend, de slechte echtgenoot, de ruziemaker, de sentimentalist, de geheime minnaar, de wanhopige vader.’
Niet voor niets is het telkens zo dat als een biografie van Dickens als 'definitief’ wordt bestempeld - zoals gebeurde bij die van Edgar Johnson (1952), Peter Ackroyd (1990) en Michael Slater (2009) - de schrijver zich als een literaire Houdini aan zijn ijzeren dwangbuis weet te ontworstelen. Dan duikt er toch weer nieuw materiaal op, zoals over de heimelijke verhouding die Dickens aan het eind van zijn leven met de 27 jaar jongere actrice Nelly Ternan had, waar Claire Tomalin eerder haar veelgeprezen boek The Invisble Woman aan wijdde. Dan zijn er toch weer nieuwe inzichten.
Biografen hebben bovendien, aldus Douglas-Fairhurst, niet alleen van doen met de unieke vluchtigheid van hun onderwerp, al vlak na zijn leven hadden ze te maken met de gewoonlijke mist van de menselijke herinnering. Zo was Dickens volgens verschillende ooggetuigen van gemiddelde lengte of juist klein, had hij een Romeinse of een regelmatige neus, was zijn haar dun of dik en golvend, waren zijn ogen hazelbruin, grijs, zwart, helderblauw of van een 'nondescripte kleur’.
In Orlando, haar roman waarin ze mild de spot drijft met het genre van de biografie, wees Virginia Woolf erop dat een biografie als compleet geldt als zij zes of zeven ikken van de gebiografeerde belicht. Maar iemand kan wel zo veel als duizend ikken hebben, wist Woolf. Duizend Dickensen zijn binnen dit korte bestek niet te beschrijven, wel een stuk of zes à zeven. Daarom is Dickens in deze bespreking van twee biografieën opgeknipt in evenzoveel verschillende persoonlijkheden.

Dickens de kindarbeider
Lang was het een schaamtevol geheim, dat Dickens zelfs voor zijn vrouw en kinderen verborgen hield. Hij vertelde het alleen aan zijn boezemvriend John Forster, die hij toen hij halverwege de dertig was als zijn biograaf aanwees. Toen hij twaalf jaar oud was, werd zijn vader, een man die altijd boven zijn stand leefde en notoir spilzuchtig was, opgesloten in de Marshalsea-gevangenis voor schuldenaars. Het was toentertijd gebruikelijk dat mensen die hun schulden niet meer konden aflossen werden vastgezet, vaak met gezin en al. Dickens’ moeder en de jongere kinderen verbleven ook in de Marshalsea-gevangenis; voor de jonge Charles werd een baantje gevonden in een van ratten vergeven schoensmeerfabriek. Er was beloofd dat hij een bijzondere behandeling zou krijgen en dat hij tijdens de lunch onderwezen zou worden in lezen en rekenen. Daar kwam niets van terecht. Uiteindelijk werd hij zelfs gedwongen voor het raam te werken - hij moest mechanisch etiketten plakken op de potten schoensmeer - en toen een bekende van zijn vader hem daar zag zitten en een aalmoes gaf, kon hij wel door de grond zakken van schaamte. Het was een abrupt einde van een gelukkige jeugd en het beslissende moment uit zijn leven.
Dickens werd op 7 februari 1812 geboren in Portsmouth. Zijn vader, zoon van een butler, had een administratieve baan bij de marine. De vader van zijn moeder was ook een schuldenaar, die het land was ontvlucht naar Frankrijk. Zoals zo veel vrouwen, merkt Tomalin fijntjes op, koos zij een man die op haar vader leek. Hoe dan ook hadden Dickens’ ouders hogere aspiraties: ze hadden de romans van de grote schrijvers van hun tijd in de boekenkast staan, ze namen de kinderen mee naar theater, ze musiceerden thuis - en gaven dus flierefluitend te veel geld uit.
De vroege jaren twintig waren het keerpunt. De jonge Dickens werd eerst naar de pandjesbaas gestuurd met de boeken waarvan hij hield en later steeds met meer meubilair, tot de familie in twee vrijwel lege kamers bivakkeerde. De schulden, angst, boze schuldeisers die op de deur bonsden, de deurwaarders, pandjesbazen, het leven in die kale, koude kamers en de gevangenis - ze maakten grote indruk op hem. En hij is het zijn ouders altijd blijven kwalijk nemen, vooral hun onverschilligheid over zijn lot. Vijfentwintig jaar later maakte hij autobiografische notities en schreef hij over zijn werk in de fabriek: 'Mijn vader en moeder waren behoorlijk tevreden. Ze wekten de indruk alsof ik twintig jaar oud was, mijn school goed had afgerond, en op het punt stond naar Cambridge te gaan.’
De kinderarbeid was tijdelijk, maar Dickens beleefde dat niet zo. In het autobiografische fragment dat hij naliet legt hij uit: 'Zelfs nu, rijk en geliefd en gelukkig, vergeet ik vaak in mijn dromen dat ik een dierbare vrouw en kinderen heb; zelfs dat ik een man ben; en dwaal wanhopig terug naar die tijd van mijn leven.’ Zijn romanfiguren zullen hem daarbij ongetwijfeld geholpen hebben, want veel van hen verkeren in de barre omstandigheden van zijn eigen jeugd. Veel van hen zijn ook kinderen - van Oliver Twist tot Little Nell, van David Copperfield tot Little Dorrit - die hopen aan hun lot en de dood te ontsnappen. Zijn vriend John Forster schreef over zijn fictionele kinderen al direct na Dickens’ dood: 'Ze waren niet zijn beschermelingen voor wier zaak hij pleitte met zo veel pathos en humor, en met wie hij zo veel gelach en tranen opwekte over de hele wereld, hij was het in zekere zin zelf.’ Zoals de kinderen uit zijn romans als een wonder aan de ellende ontkomen, zo had het met Dickens zelf evengoed anders kunnen aflopen. 'I might easily have been, for any care that was taken of me, a little robber or a little vagabond’, zou hij later noteren.

Dickens de volksschrijver
Het is een wonder hoe Charles Dickens zich in nog geen vijf jaar tijd ontwikkelde van een onbekende verslaggever tot de beroemdste schrijver ter wereld. In zijn intelligente studie Becoming Dickens concentreert Douglas-Fairhurst zich op de eerste helft van de jaren dertig, toen Dickens zich van juniorklerk op een advocatenkantoor via een baan als parlementair verslaggever ontpopte als schrijver en met zijn Pickwick Papers, die in 1836 en 1837 als feuilleton verschenen, een cultfiguur werd. Door de nieuwe druktechnieken van die tijd waren de kosten laag - een aflevering kostte slechts een shilling - en dat maakte dat Dickens een schrijver voor zowel de middenklasse als de massa werd. Een nieuw fenomeen, hij was met recht een volksschrijver. Er was toen onmiddellijk al commerciële spin-off, van Pickwick-gebakjes tot Fat Boy-snoepjes.
De stelling van Douglas-Fairhurst is dat die ontwikkeling in hoge mate op toeval berust. Rond 1830 twijfelde Dickens nog volop over wat hij wilde worden. Toen hij op het advocatenkantoor werkte, nam hij zich voor rechten te gaan studeren. Zijn liefde voor het theater, die hem met de paplepel was ingegoten, deed hem ervan dromen acteur en toneelschrijver te worden. Hij zou ook zijn hele leven toneelspelen, als getalenteerd amateur, en tot aan het eind van zijn leven grote theatervoorstellingen organiseren. Hij had ook journalist kunnen blijven en tijdschriftredacteur en die beroepen is hij eveneens, naast het schrijverschap, zijn hele leven blijven uitoefenen. Dickens de rusteloze werkte zijn hele leven als een verbetene.
Vaak werkte hij aan twee romanfeuilletons tegelijk, die als hedendaagse soaps het publiek in hun ban hielden. Hij moest schrijven als een razende en omdat zijn werk in afleveringen verscheen, kon hij het niet herzien, en groeide het al improviserend. Uitgevers vochten om zijn werk en de lezers verslonden het. Hij was een beroemdheid, een popster zouden we nu zeggen. Zelfs analfabeten wisten wie hij was, omdat foto’s met zijn portret hen aanstaarden vanachter de winkelramen. Zijn werk werd niet alleen gretig gelezen in Engeland, maar ook in Amerika, en in Frankrijk, Nederland, Duitsland en Rusland, waar al vroeg vertalingen verschenen.
Al snel ontstond er volgens Douglas-Fairhurst een merkwaardig omgekeerd effect: Dickens liet zich inspireren door Londen, maakte grote wandelingen door de stad, vaak ook door de slechtste buurten, maar naarmate hij de stad opriep in zijn romans werd Londen meer en meer 'Dickensian’. Zoals een tijdgenoot in 1843 formuleerde: 'Ik dacht dat ik er al eerder was geweest… De koetsier van het huurrijtuig… de wandelende advertenties… en honderd anderen leken op incarnaties van Dickens’ personages.’

Dickens de
grootverdiener
In 1836 begonnen niet alleen The Pickwick Papers te verschijnen, Dickens trouwde ook - en hij begon rijk te worden. Hij schreef voor vier verschillende uitgevers en wist grote bonussen en voorschotten te bedingen. Geld is een fascinerende onderstroom in de biografie van Claire Tomalin. Natuurlijk, schrijvers schrijven voor geld, maar voor de man die als kind in een fabriek werkte en de pandjeshuizen als zijn broekzak kende, moet geld en rijkdom een heilige graal zijn geweest.
Na de publicatie van The Pickwick Papers is Dickens nooit meer arm geweest. Er was even een riskant intermezzo in de jaren veertig, toen hij geld moest lenen en in het buitenland ging wonen - Frankrijk, Italië - om de kosten te drukken, maar naarmate hij ouder werd, werd hij echt rijk. Hij kon van zijn inkomen niet alleen zijn grote gezin onderhouden - hij kreeg tien kinderen - maar ook de rest van zijn familie, zijn nog steeds spilzieke vader, wiens schulden hij mopperend afbetaalde, en de behoeftigen die hij hielp.
Vanaf 1860 begon hij publieke lezingen uit zijn werk te houden, waarbij hij al zijn acteertalent inzette. Voor zalen met wel tweeduizend toehoorders 'speelde’ hij door hemzelf bewerkte stukken uit zijn romans. Zeker toen stroomde het geld binnen; voor zijn lezingentoer door Amerika in 1867 verdiende hij twintigduizend pond, wat omgerekend neerkomt op bijna 1,7 miljoen euro. Voor Our Mutual Friend, de laatste roman die hij zou afronden, kreeg hij een voorschot van zesduizend pond. Naar huidige maatstaven: ruim vijf ton in euro’s.
Dickens leidde ook een weldadig leven. Hij kocht steeds mooiere huizen, had behalve een huis in Londen ook nog een riant buiten, Gad’s Hill in Kent, reisde om de haverklap naar Parijs, vulde zijn ruime kelders met de beste sherry en whisky en rookte de fijnste sigaren. Maar belangrijker was dat de overvloed aan geld voor greep op zijn leven zorgde, zoals hij als romanschrijver controle had over zijn personages. Na zijn chaotische jeugd was Dickens sterk op controle gericht. Naar verluidt mocht zijn vrouw niets in zijn werkkamer verplaatsen en verschoof hij het meubilair van zijn hotelkamers altijd zo dat hij zich in de nieuwe orde op zijn gemak kon voelen.

Dickens de weldoener
De weeskinderen, de armen, de gevallen vrouwen - ze bevolken niet alleen zijn romans, Dickens nam het ook anderszins voor hen op. Hij schreef vlammende artikelen over de onachtzaamheid voor de mensen die aan de onderkant leefden, hij was in politiek opzicht een radicaal die onder meer ijverde voor betere omstandigheden in armenhuizen en gevangenissen en streed tegen kinderarbeid en tegen de dubbele moraal inzake prostitutie, die in hoerenlopen een mannelijke oerbehoefte zag, maar de hoeren als crimineel bestempelde. Tijdens zijn reizen in Engeland, maar ook in Frankrijk, Italië en Amerika maakte hij er een gewoonte van weeshuizen en gevangenissen te bezoeken.
Maar hij stond de behoeftigen ook met steun en geld bij. Hij schonk geld aan weduwen die berooid achterbleven, hielp weeskinderen en jonge prostituees. In de jaren veertig richtte hij, met financiële hulp van de stinkend rijke bankiersweduwe Miss Courts, een huis voor gevallen vrouwen op. Dat huis zocht hij zelf, hij hielp het inrichten, hij ontwierp de regels - niet te veel religieus moralisme! - nam het personeel aan en selecteerde de vrouwen.

Dickens de pater familias
Om Dickens hing lang het imago van de brave Victoriaan, de verrichter van goede werken en de gezellige family man met een groot gezin en een nog grotere schaar vrienden die hij met grote regelmaat gastvrij onthaalde op feesten en banketten. Hij was dan de gangmaker, de charmante causeur en de entertainer, die zelfgemaakte liederen zong. Het imago van familieman werd nog versterkt door de kerstverhalen die hij, na het succes van A Christmas Carol in 1843, tegen Kerst begon te publiceren. Daaruit sprak altijd het kerstgevoel: een flinke dosis zieligheid, een snufje slechtheid, behoorlijk wat warme samenkomst van de familie, afgemaakt met een toefje vergeving.
Hij trouwde in 1836 met Catherine Hogarth, met wie hij in vijftien jaar tien kinderen kreeg, terwijl hij er eigenlijk maar drie had willen hebben. In zijn brieven aan vrienden beklaagde Dickens zich over de voortdurende zwangerschappen van zijn vrouw, daarbij zijn eigen aandeel over het hoofd ziend.
Niet alleen had hij naar zijn gevoel te veel kinderen, hij was ook in ze teleurgesteld, met name in zijn zonen. Ze hadden, liet hij zijn vrienden weten, de indolentie van zijn moeder geërfd. Zijn wilskracht en werklust ontbraken hen volledig. Hij stalde zijn zonen in een kostschool in Frankrijk, waar ze het hele jaar verbleven, soms zelfs in de kerstvakantie. Zijn confessie aan Dostojevski over zijn aanvallen van redeloze vijandigheid en zijn onwilligheid tegenover degenen van wie hij zou moeten houden sloegen vooral op zijn kinderen. Hij was Victoriaan genoeg om te weten dat een vader van zijn kinderen dient te houden, maar het lukte hem niet. Ook de liefde voor zijn vrouw verschraalde en eindigde in een publiek drama.

Dickens de Victoriaan
Dickens was niet alleen de belangrijkste Victoriaanse schrijver, hij belichaamde ook de Victoriaanse tijd. De gespletenheid in zijn karakter werd weerspiegeld in de gespletenheid van de Victoriaanse cultuur, en dan vooral de scherpe klassentegenstellingen. Het stedelijke leven in het Engeland van de negentiende eeuw kende een grote kloof in welvaart - het verschil tussen het weldadige bourgeoisleven en het bestaan in de sloppen van de stad was immens. Tegelijkertijd was het een tijd waarin de hiërarchieën begonnen te schuiven: was het aan het begin van de eeuw nog onmogelijk van een dubbeltje een kwartje te worden, later kon je wel degelijk je klasse ontstijgen. De levensgeschiedenis van Dickens - van zoon van een schuldenaar tot literaire sensatie - was een verzinnebeelding van de snelle culturele, economische en technologische veranderingen die plaatsvonden. Het was, zoals Dickens het zelf uitdrukte, een 'moving age’. Opgestoten door de industrialisatie begon er een bredere middenklasse te ontstaan en Dickens ging daar deel van uitmaken.
Maar Dickens was in meer opzichten een Victoriaan: hij belichaamde ook de gespleten Victoriaanse moraal. Dat werd pijnlijk duidelijk aan het eind van zijn leven, toen hij zich van zijn vrouw liet scheiden. Het huwelijk met Catherine werd allengs slechter en toen Dickens verliefd werd op de achttienjarige actrice Nelly Ternan handelde hij als een dolleman. Hij verstootte zijn vrouw, verbood hun kinderen haar nog te zien en vernederde haar in publieke verklaringen waarin hij de schuld van de scheiding louter bij haar legde. Tomalin, die in haar biografie een sympathiserend portret van Dickens geeft, schrijft in expliciete terzijdes dat ze deze schaamtevolle episode liever niet had willen onthullen.
Om zijn imago van deugdelijke huisvader niet te laten afbladderen was de verhouding met Nelly Ternan uiterst geheim. Hij parkeerde haar in huis waar zij wegkwijnde, bezwangerde haar hoogst waarschijnlijk - Tomalin schrijft er omzichtig over - en liet haar bevallen in Frankrijk, waar hun zoon na een paar maanden stierf. De man die zich het lot van gevallen vrouwen zo aantrok had er geen oog voor dat Nelly Ternan de gevangene was van zijn geld en gunsten en nauwelijks beter af was dan een luxeprostituée.

Dickens de legende
Aan het eind van de jaren zestig, toen hij in de vijftig was, was Dickens al een oude man. Hij zag eruit als een man van dik in de zeventig, hij werd geplaagd door vreselijke jicht, vaak kon hij nauwelijks lopen. Hoe slecht zijn gezondheid ook was, zijn rusteloosheid was groter dan ooit. Hij reisde van huis naar huis, nergens meer dan een paar dagen verblijvend, hield lezingentournees door Engeland en Amerika, maakte voortdurend uitstapjes naar zijn geliefde Parijs, en bleef verwoed schrijven. Tot hij er op 8 juni 1870 letterlijk bij neerviel.
Hij werd begraven in Westminster Abbey. Op zijn uitdrukkelijke verzoek was het een begrafenis in kleine kring zonder tierlantijnen. Op de grafsteen stond alleen zijn naam. 'I rest my claims to the remembrance of my country upon my published works, and to the remembrance of my friends upon their remembrance of me’, had hij in zijn testament laten optekenen. Die herinnering is nog steeds niet uitgewerkt. Engeland rouwde massaal na zijn dood, zoals het zich nu massaal opmaakt om zijn tweehonderdste verjaardag te vieren. Hij is nog steeds een nationale schat, een instituut, een deel van wat Engeland Engeland maakt en hij wordt nog steeds over de hele wereld gelezen.
Maar hoeveel nieuwe boeken er ook vanwege het jubeljaar 2012 zullen verschijnen, hoeveel tentoonstellingen er ook zullen plaatsvinden, 'the Inimitable’, zoals hij zichzelf had gedoopt, zal ook altijd de ongrijpbare blijven.

CLAIRE TOMALIN
CHARLES
DICKENS: A LIFE
Viking, 527 blz.,
€ 32,50

ROBERT DOUGLAS-FAIRHURST
BECOMING DICKENS: THE INVENTION
OF A NOVELIST
Harvard University Press, 389 blz.,
€ 26,60