Iemand die naar iemand kijkt

Péter Nádas, De levensloper: Boek over een jaar. Vertaald door Rob Visser, uitg. Van Gennep, 316 blz., 349,90
Ik zeg het niet zo gauw omdat ik het een wat belachelijke kwalificatie vind, maar vooruit: Het boek der herinneringen van Péter Nádas, dat in 1993 in Nederlandse vertaling verscheen, was, vond ik, een meesterwerk. Het ontsnapte aan de pathetiek die veel Oosteuropese literatuur voor mij al na een paar bladzijden onleesbaar maakt, ongeacht of het daarbij nu gaat om Kundera of Konrád, die er allebei toe neigen aan alles wat zweemt naar lichtheid het loden gewicht van de ernst te hangen - waarmee zij als schrijvers juist voor mij de plank volledig mis slaan. Niet dat ik alleen van frivole literatuur kan genieten - Het boek der herinneringen kun je ook slecht frivool of onserieus noemen - maar ik houd niet van literatuur die zichzelf geen enkele oppervlakte en alleen maar diepte toestaat.

En dus is het lezen van De levensloper, dat als ondertitel Boek over een jaar heeft, voor mij toch een beetje op een teleurstelling uitgelopen. Alleen al het feit dat het boek geschreven is vanuit het perspectief van een auteur die in een dorpje in de buurt van de Sloveense grens leeft, had me moeten waarschuwen. Meestal zijn boeken waarin auteurs in afgelegen en bijna uitgestorven dorpjes worden opgevoerd van die typische binnenvettersboeken. De afzondering is gewoonlijk de opmaat voor overmatige reflectie op het eigen bestaan en voor het debiteren van allerlei essenties in de vorm van hele of halve aforismen waarin het hele bestaan op een noemer wordt gebracht. ‘Waarom kwellen ze mij, zo… volkomen nutteloos?’ vraagt de auteur zich over zijn eigen gedachten af - het is een vraag die ik als lezer eigenlijk liever niet gesteld wil zien omdat het zo ontmoedigend werkt in een boek waarin juist al die nutteloze gedachten je toch al het gevoel geven dat je je door mul zand heen moet ploeteren.
Op een zeker moment lees je in een op zich mooie passage, helaas maar nauwelijks één bladzijde lang, hoe de hoofdpersoon (de latere auteur dus) als jongetje van acht ooit uit school terugkomt en zijn moeder meedeelt dat hij de joden haat, want zij hadden immers Christus aan het kruis geslagen. Hij heeft het op godsdienstles op school gehoord. Zijn moeder bestraft hem niet, maar voert hem voor de spiegel en zegt: 'Nou, kijk hem dan maar eens goed aan, (…) daar heb je een jood, die kun je rustig haten.’ Het is een voorval dat voor de latere auteur van cruciaal belang is: 'Sindsdien’, zo becommentarieert hij, 'kijk ik mezelf aan en vraag me af wie ik ben. Sindsdien denk ik erover na wat ik over anderen kan beweren en wat over mijzelf. Als ik in de spiegel kijk zie ik niet meer mezelf, maar iemand die naar iemand kijkt in de spiegel.’
Het verwoordt precies om welk boek het hier gaat. Iemand die naar iemand kijkt, iemand die nadenkt en niet of nauwelijks meer handelt, iemand in een wolk van woorden. Daarmee wordt De levensloper niet per se een slecht boek of iets dergelijks; het wordt alleen maar een bepaald soort boek, het soort dat helaas aan mij niet besteed bleek te zijn.