Iemand schrijft

Robert Pinget, Iemand. Vertaald door Willem Desmense en Jan Rijnsburger, uitgeverij IJzer, 207 blz., f34,50.
In de jaren zestig zijn er twee romans van Robert Pinget (1920) vertaald, Het verhoor (L'Inquisitoire) en De zoon (Le fiston), en het mag een daad van rechtvaardigheid heten dat er na dertig jaar in Nederland opnieuw werk van deze bijzondere schrijver wordt gemaakt, al is daar een kleine uitgeverij voor nodig die even niet aan oplagecijfers en verkoopbaarheid heeft willen denken. De roman Iemand dateert van 1965 en ook de twee andere vertalingen die uitgeverij IJzer in het vooruitzicht stelt, zijn oudere titels. Daarna heeft Pinget nog vele romans en toneelstukken gepubliceerd.

Misschien is de aanvankelijke hartelijke ontvangst van Pinget in Nederland geblokkeerd doordat zijn werk tot de zogenaamde nouveau roman werd gerekend. Pinget is zeker met Beckett te vergelijken - ze vertaalden ook toneelwerk van elkaar - maar beiden hadden weinig te maken met ‘de school van de blik’. Pinget had het uit balorigheid over een 'school van het oor’, want evenals bij Beckett gaat het bij hem om stemmen, dialogen, monologen, om de juiste toon. Zoals de verteller in Iemand (Quelqu'un) zegt: 'De toon. Het is heel lastig die precies te pakken. Een verkeerde toon kan een heel leven kapotmaken. Het is verschrikkelijk als je daaraan denkt.’
Pinget begon in 1951 met verhalen in een fantastisch genre; vanaf Le fiston werd het veel realistischer. De namen van plaatsen en personages bleven evenwel dezelfde, even fictief, ook al speelde het verhaal zich voortaan herkenbaar in de Franse provincie af. Ook de thematiek bleef dezelfde: kan men de werkelijkheid werkelijk weergeven, vooral wanneer iemands geheugen gaten vertoont. Zeven keer, als ik goed heb geteld, probeert de man te reconstrueren wat hij op die julidag sinds zijn ontwaken om acht uur precies heeft gedaan - precies, want zijn obsessie is de nauwgezetheid: 'Geen methode, wel details.’ Onbegonnen werk, want 'wat gezegd is is nooit gezegd omdat je het anders kunt zeggen’ - met deze zin is Pingets hele werk getypeerd.
De verteller is sinds tien jaar mede-eigenaar van een familiepension aan de rand van de stad, niet eens echt buiten, en hij verafschuwt de gasten en in het bijzonder huishoudsters en vrouwen. Verschrikkelijk is de eentonigheid en voorspelbaarheid van het leven in dit huis. Na tweehonderd pagina’s kent de lezer dit in geuren en kleuren, of liever: in alle toonaarden maakt hij kennis met de kleurloosheid en ranzigheid. Het meest exacte woord ervoor is 'stront’, stelt de verteller vast, voor wie praktisch alles in termen van braken en schijten kan worden samengevat. Gaat het om een portret van de allertreurigste kleinburgerlijkheid? Om het zelfportret van een mislukkeling, een ongeneeslijke kankeraar? Mislukt, ongetwijfeld, maar hij weet het en hij lijdt eronder. Lijdt hij aan geheugenverlies? Zeer zeker, maar dat is ook zijn redding: wat zou hij anders moeten doen? Hij weet maar al te goed dat het hem helemaal niet om dat ene papiertje gaat waarnaar hij de hele dag op zoek is, onmisbaar voor zijn plantkundige verhandeling. Als hij zoekt, is het in de hoop dat hij iets anders zal vinden: iemand, een ander iemand, een nieuw ik.
Zijn huisgenoten weten niet beter of onze nurks is een deugdzaam type, maar alleen omdat zij, zoals hij zelf vaststelt, geen verschil zien tussen deugd en desinteresse. Alleen de lezer weet wat er achter dat hoffelijke uiterlijk aan argwaan, walging en moordzucht schuilgaat, maar ook wat een hoop, tegen beter weten in, op verandering. In zijn niet aflatende gezeik zeurt een hevig verlangen mee: 'Zo kan ik niet blijven leven. Er moet iets veranderen.’ Vrij is hij alleen in zijn zorgzame omgang met het pispaaltje des huizes, de zwakbegaafde Fonfon. Maar die kan niet aan deze wens voldoen: 'Als ik maar iemand had! Iemand die over mijn schouder meeleest, maar dat zou te mooi zijn.’ Iemand weet dat die medelezer bestaat, 'iemand’ kan alleen maar doorgaan met schrijven.