Groen

Iepen en geld

Eind april, mijn verjaardag. Een verjaardag die ik doorbracht voor het zijraam van de boerderij, uitkijkend over de weg, turend naar Tante Guus en mijn grootouders, die onafhankelijk van elkaar aan kwamen fietsen uit het zuiden. Langs de stammen van de piramide-iepen die maar niet lekker in blad wilden komen. Als ik ze zag, werd ik opgewonden. Nadat ik de vijf gulden van tante Guus en het cadeau van opa en oma binnen had gekregen, interesseerden ze me niet meer. Tante Guus wilde nog wel eens laat komen, en dan had ik het bijna niet meer, want ik moest en zou die vijf gulden hebben. Ze kwam ook eens in mijn slaapkamertje boven en zag daar het halve plafond vol hangen met bossen droogbloemen, iets wat ik gezien had bij hippe mensen in het dorp, en daarom nagedaan had. Op weg naar beneden zei ze tegen mijn moeder: ‘Jammer hè, maar Gerbrand is een meisje.’ Mijn oma, die beneden in de gang stond, hoorde dat en gaf haar dochter er van langs. Zulke dingen zei je niet. Tante Guus bedoelde natuurlijk iets anders, maar drukte zich wat onhandig uit. Lief van oma, om het voor mij op te nemen. Ergens lief ook van tante Guus om iets te zien wat ik zelf nog jarenlang niet zou beseffen. Niet dat ik een meisje ben, maar dat andere. Het zijn vooral de iepen die ik zie, in dat vaak zonnige, ijle aprillicht, bijna uitbottend, ik hoorde er het srieh-srieh van de net gearriveerde gierzwaluwen bij. Tante Guus, oma en opa zijn al lang dood en ik vier mijn verjaardag nauwelijks meer, mede door die egocentrische geldwolverij, waar ik me later diep voor ben gaan schamen, en die ertoe geleid heeft dat ik nog steeds slecht in staat ben cadeaus in ontvangst te nemen en een bepaalde onverschilligheid voor geld heb. De iepen sneuvelden ook al heel wat jaren geleden aan de ziekte met hun eigen naam. Dikke plakken liggen op het erf van mijn broer grijs te worden, die moeten nog eens verwerkt worden tot originele tuintafels. Maar ik heb geen tuin.