Ierland claimt het Zwitserse graf van James Joyce

Bern – ‘Zürich is zo proper dat men er een soep uitgegoten over de Bahnhofstrasse zonder lepel weer opeten kan’, constateerde James Joyce toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een toevluchtsoord in de Zwitserse bankiersstad vond. Een onverdeeld genoegen vond hij dat niet. ‘Jullie weten niet hoe geweldig viezigheid is’, hield hij zijn gastheren voor.In zijn memoires herinnert medeballing Stefan Zweig zich hoe Joyce immer alleen aan een tafeltje in het legendarische café Odeon zat en onaangenaam getroffen was als men hem voor een Engelse schrijver versleet. Joyce was een trotse Ier, zij het vrij van alle nationalistische aandriften. Hij had zijn geboortegrond al in 1904 verlaten en weigerde de Ierse nationaliteit aan te vragen. Eind 1940 ontvluchtte hij Frankrijk en streek weer neer in Zürich. Een verblijfsvergunning werd eerst geweigerd omdat men hem aanzag voor een joodse vluchteling. Kennelijk verwarden de autoriteiten de auteur met Leopold Bloom, hoofdpersonage van zijn roman Ulysses.

Op 13 januari 1941 stierf Joyce na een verwaarloosde maagzweer in een ziekenhuis in Zürich, 58 jaar oud. Een verzoek om het stoffelijk overschot te repatriëren werd afgewezen. Ierse diplomaten hadden begrepen dat Joyce op zijn sterfbed had geweigerd als een goed katholiek te sterven. Zijn laatste rustplaats vond Joyce op de begraafplaats Fluntern, dicht bij de diergaarde van Zürich. Zijn vrouw Nora vond dat een grote troost, want haar echtgenoot was verzot geweest op de leeuwen aldaar.

In 1966 kreeg Joyce een ere-graf, met een standbeeld van de Amerikaanse beeldhouwer Milton Hebald. Naast hem rust Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Met de toenemende literaire faam van James Joyce groeide Zürich uit tot pelgrimsoord, natuurlijk voorgegaan door Dublin, de stad waar het meeste werk van Joyce zich afspeelt. Nu probeert de gemeenteraad van Dublin de overblijfselen van de schrijver alsnog naar Ierland te krijgen. Volgens Fritz Senn, de directeur van de James Joyce Foundation aan de Augustinergasse in Zürich, hangt alles af van kleinzoon Stephen Joyce, VN-medewerker in ruste in Frankrijk, die op voet van oorlog leeft met iedereen die zich bemoeit met zijn grootvaders literaire erfenis. De beminnelijke 91-jarige Senn maakt zich echter geen grote zorgen, vertelt hij tijdens de rondleiding door zijn rijke Joyce-verzameling. Van de auteur zelf telt de collectie diverse wandelstokken en het dodenmasker. Zin in een ‘battle of the bones’ heeft Senn niet. ‘Ik ben niet nationalistisch genoeg om de barricaden op te gaan voor wat gebeente.’