Toneel - Hallo, Zomergast

Iets doen! Tegen jullie!

Het gebouw is van 1908. Het toneelstuk van 1905. Dat zit zo. ‘Het Zeehuis’ in Bergen aan Zee is in 1908 gebouwd als vakantiekolonie van het Amsterdamse Burgerweeshuis.

Medium toneel

Na de oorlog werd het een groot zomerhuis voor gezinnen. Daar ken ik het van – het stond in het duinlandschap van mijn jeugd. Nu is er een klas van de Amsterdamse Toneelschool neergestreken. Om rondom het gebouw Zomergasten te spelen, een toneelstuk uit 1905. Over ontploffende zomeridylles van een ontspoorde jaargang uit de Russische intelligentsia. Wat ze spelen is een eigen bewerking. Deze zomergasten zijn hier onvrijwillig. Ze zijn aangespoeld. Het zijn intellectuelen die werden verdreven uit hun land. Ze zijn daar niet meer nodig. Of ze worden er staatsgevaarlijker gevonden dan ze in feite zijn. Het gaat om twee stellen in stille staat van oorlog. En om zeven eenlingen die hun anker kwijt zijn.

Gorki’s stuk is niet vrij van gemoraliseer. Hij etste zijn figuren in vrij basale kleuren. In deze bewerking zijn de karakters nooit onder één hoedje te vangen. Ze worden allemaal wel een keer aandoenlijk, of somber, voorzichtig hoopvol of inktzwart cynisch. Bij Gorki speelt de drank een net zo belangrijke bijrol als de thee. Hier hangt het hele stel zo’n beetje tegen notoir alcoholisme aan. Het verleent hun gesprekken en botsingen iets van een diepe desolaatheid. Maar een _Untergang des Abendlandes-_voorstelling is het ook weer niet geworden. De zomergasten hangen weliswaar in de touwen, en uit het lood, maar er zit ook nog een hoop muziek in deze nomaden.

Stokt het gesprek, dan barst men in diverse arrangementen uit in gezang, waarbij het complete wereldrepertoire, van melancholische stemmingsmuzak tot quasi-vrolijk hupfalderee, aanstekelijk wordt geplunderd. En dat op drie locaties rondom Het Zeehuis: een flinke duinpan, een grasland omringd door bosschages, en een C-vormige lighal, voormalig kunstenaarsatelier. De acteurs doen hun werk in de open lucht. In gevecht met de elementen. Zonder ándere hulpmiddelen dan hun stem, hun lijfelijke aanwezigheid en hun eigenheid, het handschrift van de individuele toneelspeler. Hans Man in ’t Veld en Klemens Patijn hebben de talenten tot een eenheid gesmeed, die je met recht en reden het kleine wonder van een ‘ensemble’ mag noemen. Ze doen dit project enorm samen.

Tegen het eind van de queeste ontploft alles in hun gezicht bij deze zomergasten. Een deel pakt de koffers om deze vluchtelingenkolonie ook weer te ontvluchten. Gangmaakster-tegen-wil-en-dank, advocatenvrouw Varja, schreeuwt het uit: ‘Jullie zijn walgelijk. Ik haat jullie. Alles waar ik in geloofde, op hoopte, alles is kapot gemaakt. Wij zijn vreemden. Ik ga weg. Ik ga leven. Iets doen. Tegen jullie!’ Hoe vaak heb ik deze teksten al niet gehoord? Door de mooie Vlamingen van De Tijd. In een oude Zuid-Hollandse villa door het Onafhankelijk Toneel. Als esthetisch programma door Edith Clever en Bruno Ganz bij de Schaubühne in Berlijn. Als aftrap door de jonge honden van Oostpool. Deze tijdloze schreeuw tegen de elementen en tegen zichzelf raakt me hier, in Bergen aan Zee, opnieuw recht in het hart. Hij klinkt hier schuldeloos sterk.


Hallo, Zomergast, t/m vrijdag 16 juni te zien in Bergen aan Zee, daarna als ‘speedversie’ op De Parade in Den Haag, Utrecht en Amsterdam


Beeld: (1) Hallo, Zomergast (Anne van de Burg)