Iets goeds

Iets goeds

In de week waarin de sage van de familie Von Trapp ook een korte Nederlandse episode blijkt te hebben gekend, hoor ik de soundtrack van The Sound of Music door de autospeakers. Méér is er niet voor nodig om opnieuw ontroerd te raken over zoveel goeds. Het is opvallend hoeveel mensen er in de film hartgrondig willen deugen. Zelfs voor de moeder-overste (meestal niet een rol die tot de vertedering spreekt) zou iedere non graag tekenen en de gravin die zich op het nippertje door kapitein Von Trapp versmaad ziet, weet dat noblesse nog altijd oblige. Zij gaat af met misschien wel de mooiste zin uit de hele film: ‘And somewhere out there is a young lady who, I think, will never be a nun.’

Rondom de goedheid van de gemankeerde non Maria schittert het hele drama. Is dat niet te veel manicheïsme? Het kwaad, áls het zich toont, is in The Sound of Music inderdaad veelal inktzwart van sinisterheid – maar gelukkig ook van domheid. Het laat zich op een komische manier foppen en daarmee is de wereld aan het slot van het verhaal opnieuw hersteld. Nuances kent het kwaad ook, maar ze worden in de film voldoende onder controle gehouden om de _feelgood-_sensatie de overhand te geven. Even verschijnen ze, meestal om direct weer te verdwijnen (financieel in de impresario uncle Max, sentimenteel in kapitein Von Trapp) of juist om het grote gevaar te onderstrepen: in de postbode Rolf, die van een verliefde idealist een verrader wordt.

En ze zijn er in Maria zelf, geïntroduceerd als ze wordt in een klaagzang over haar vele gebreken, die eerder klinken als een aanbeveling: ‘She waltzes on her way to Mass/ And whistles on the stair.’ Diep in hun hart vinden ook haar medezusters die pekelzonden wel charmant, maar zelf is ze daarvan allerminst overtuigd. Want plots doet Maria, op het kantelmoment van de film, een merkwaardige bekentenis. Ze is zojuist voor de eerste keer door kapitein Von Trapp gekust. De liefde overrompelt haar en dan zingt ze: ‘Perhaps I had a wicked childhood/ Perhaps I had a miserable youth./ But somewhere in my wicked, miserable past/ There must have been a moment of truth.’

Plots is het verleden geen verleden meer, maar de bron van het heden geworden. Ondanks alles moet het geluk van het moment daarin verdiend zijn geweest, want: ‘Nothing comes from nothing/ Nothing ever could.’ En dus komt het hele leven in een ander licht te staan: ‘I must have done something good.’

Dat is een uitermate primitieve levensvisie, die het kosmologische oorzakelijkheidsprincipe moeiteloos meent te kunnen overdragen op het morele vlak. Vóór je het weet is daarbij iedere gebeurtenis het loon of de straf voor eerdere deugd of ondeugd – waarbij het achterbakse menselijk opzicht steevast de nadruk op het laatste legt. De moderne tijd mag blij zijn afscheid te hebben genomen van die bigotte winst-en-verliesrekening.

Maar dat is te onbarmhartig geredeneerd tegenover het primitieve feit dat de vraag waar wij iets ‘aan verdiend hebben’ zich tegen alle redelijkheid in opdringt. Dat is geen vraag die een antwoord verwacht, zoals ook Maria niet hoeft te weten waarin haar goede verleden nu precies bestaan heeft. In haar onbestemdheid drukt ze eerder de verwondering uit over wat ons simpelweg toevalt en waarin de hele wereld een beetje gelukkiger en beter wordt – inclusief het verleden waarin het kennelijk wortelt.

Levend in een onttoverd universum weten we dat we ons levenslot letterlijk niet hebben verdiend. Daarom heeft de literatuur sinds lang de poëtische gerechtigheid afgeschaft, die de goeden beloont en kwaden straft. Zo gaat het er in de wereld nu eenmaal niet aan toe. Maar iets in ons heeft daar geen vrede mee. Het zoekt niet een verklaring, maar wel een grond voor de onverklaarbaarheid daarvan – en drukt daarin uit hoe radeloos (want onverdienstelijk) wij zijn met het geluk (soms het verdriet) dat over ons komt.

Daarom huichelde Maria niet toen ze – als toonbeeld van de toffe akela – aan de goedheid van haar eigen leven twijfelde. Nog minder incasseerde ze een claim op geluk die kennelijk nog openstond. Iedere berekening en elke logica is vreemd aan die formulering, die niettemin volstrekt adequaat is. Het geluk grijpt ons, net als het ongeluk, maar op onze beurt grijpen wij het niet. Het blijft een raadsel, even onbestemd als het thema dat in The Sound of Music zo simpel lijkt en in dit sleutellied niet blijkt te zijn. Dat laatste draagt een titel als een motto. Het heet Something good.