Interview met Anne Vegter

Iets intimiderends terugdringen

Anne Vegter wil in haar poëzie een wereld oproepen waarin het gevoel van het gedicht autonoom is. Dat ontstaat als alles klopt: klank, vorm, de woorden, het ritme.

De wereld in de gedichten van Anne Vegter is eenvoudig herkenbaar. Het is er een waarin we ons allemaal tot over de oren bevinden. Arnon Grunberg, Margarita en De Roy van Zuydewijn, de Hema en de Gamma passeren achteloos de revue, terwijl nieuwe minnaars en jeugdherinneringen ironisch tegen het licht gehouden worden. Tegelijkertijd is er iets mis, en ondanks de humor blijft er iets onuitgesprokens achter de gedachteflarden hangen, zoals in All Inclusive:

Ik heb je liefde genoemd als woord en daad en jij valt van de trap en je hoofd knapt

en het geheugen stroomt uit je oren. Liefste, zwijgen verheft niet steeds.

We zullen middelen moeten vinden om onze eindigheid te vervullen.

Keer de attracties niet de rug toe. Botsen, zweven, duiken, rollen, hangen

en de trilling lengt tijd.

We moeten blijven leven, zegt Vegter hier. Het leven moet voelen alsof je je in een attractiepark bevindt. Dat klinkt positief, maar de opgewektheid moet kunstmatig in stand gehouden worden, er moeten ‘middelen’ voor gevonden worden, want het gaat niet vanzelf. Het samengaan van het ogenschijnlijk opgewekte, en het verstopt bijtende, maakt dat het begrijpen van de gedichten in Spamfighter niet synchroon loopt met de beleving.

Anne Vegter: ‘Er is een soort onrust waar ik melding van maak. Misschien had ik de bundel beter Spamfighters, meervoud, kunnen noemen, in de zin dat de gedichten stuk voor stuk iets ongewensts, iets intimiderends proberen terug te dringen.

Het maakproces begint bij mij niet met een onderwerp. Het dichten is een analyse van een situatie die ontstaat tijdens het proces. Het eindproduct is het gedicht dat het gereedschap biedt om de analyse te herhalen. Ik zie mijn gedichten graag als kleine ronde globes, die iets zeggen over de wereld waar ze als knikkers doorheen rollen. Ze zijn ooit bij mij begonnen als losse, eclectische gedachten en dan is het aan mij om die te ordenen, vorm te geven en zo stevig mogelijk te maken voordat ze op hun pad allerlei weerstand tegenkomen.

Het onderwerp van mijn gedachte dwingt mij tot een bepaalde toon, en die toon dwingt weer tot een bepaalde vorm. In deze bundel heb ik vaak gekozen voor steeds twee lange regels en dan een witregel. Voor mij geeft dat een zekere transparantie en coherentie.’

Wanneer zijn die knikkers dan sterk genoeg om die weerstand aan te kunnen?

‘Op het moment dat die knikkers de wereld in rollen, moeten ze los van mij kunnen bestaan. Ik hecht eraan dat je geen last hebt van de gevoelstoestand van de auteur – ik wil juist dat er een wereld ontstaat waarin het gevoel van het gedicht autonoom is. Dat ontstaat als alles klopt: de klank, de vorm, de woorden en het sturende ritme. Pas als de poëzie af voelt, kan de weerstand getest worden aan de helderheid van de gedachte.’

Hoe krijg je dat zo op papier?

‘Dat krijg ik niet cadeau. Het schrijven is een heel kunstmatig procédé, en de voorwaarden om tot iets productiefs te komen moet ik ensceneren. Het is een beetje een narcistisch gebeuren: mijn agenda moet ik kunnen dichtklappen; de stekker moet uit de computer zodat de eeuwige e-mails niet binnenkomen; ik moet mijn werkruimte voor mezelf hebben, een bepaalde zorgeloosheid voelen. Ik sta vroeg op, half zes meestal, en dan, als de rest van het huis nog slaapt, ben ik op mijn best.’

‘Ik heb ooit op een dag besloten dat ik schrijver was. Ik studeerde nog en was met een stapeltje nieuw gebakken schrijfsels naar een docent moderne letterkunde, aan de Universiteit Utrecht, toe gegaan, om zijn reactie te vragen. Hij fileerde me totaal. Hij vond het eigenlijk ronduit onbeleefd dat ik hem met “zulke rommel” lastigviel. Dat was ontzettend pijnlijk, maar tegelijkertijd zat in die aperte afwijzing voor mij de bevestiging dat ik wel echt een schrijver was en als ik nog niet goed genoeg was, dat ik dan maar moest gaan oefenen.’

Wat is voor jou materiaal voor poëzie?

Anne Vegter: ‘Ik ben niet zo’n dichter die om zich heen kijkt en denkt: er ligt hier vast wel een onderwerpje op mij te wachten. Ik kan het niet afdwingen door – bijvoorbeeld – een strandwandeling te maken en dan zwaar geïnspireerd te worden door de zee en de duinen.

Voor mij begint een gedicht met taal; dus niet met een observatie, maar eerder met een gedachte die ineens door mijn hoofd schiet. In mijn gedichten heb ik de neiging mezelf te citeren, te samplen – om die gedachte door een tekst heen te herhalen. Niet als een mantra, maar steeds op een net andere manier. Nu is één gedachte geen onderwerp, maar doordat ik het koppel aan weer andere gedachten, en beelden en herinneringen die ik uit mijn eigen denken filter, ontstaat er iets.

Wat wel gebeurt is dat ik bij zo’n strandwandeling omval – ik val nogal vaak – en dat het me dan opvalt dat het zand zo hard is als steen. En op zulke momenten lukt het me dan om uit mezelf te stappen, van een afstandje naar die vrouw op het harde zand te kijken en haar gedachten op te vangen. Die weet ik dan te extrapoleren naar mijn poëzie.’

Die gedachten bevatten nogal eens contemporaine verwijzingen en modieuze termen. Nooit bang dat de bundel zo verjaart?

‘Nee. Als ik deze zelfde gedichten over vijftien jaar had gemaakt waren ze ongetwijfeld anders, misschien zelfs beter. Ik zie ze als gereedschap. Ze hebben af en toe onderhoud nodig. Maar ik maak ze nu, en ik wil dat ze iets zeggen over hoe de wereld er nu uitziet. We worden allemaal tegelijk ouder – je staat in een persoonlijke ontwikkeling, maar ook in een tijdsontwikkeling. Nu maak ik deel uit van deze en dat mag dan best in mijn werk te zien zijn.’