Film: The grandmaster

Iets met liefde

‘Wie denkt dat zoiets als spijt niet bestaat, draait zichzelf een rad voor de ogen. Hoe saai zou het leven wel niet zijn zonder spijt.’ Zo spreekt een stervende kung-fu-godin in een theehuis in Hongkong, circa 1953. Maar hiermee wordt ook de essentie weergegeven van het gehele oeuvre van een van de meest boeiende hedendaagse cineasten: Wong Kar-wai.

Vervreemding en de pijn van herinneringen vormen de hoofdmotieven in al zijn films, van de melodramatische gangsterfilm As Tears Go By _(1988) en het beroemde liefdesverhaal _In the Mood for Love _(2000) tot het mysterieuze _2046 (2004) en zijn op spectaculaire wijze mislukte Amerikaanse film, My Blueberry Nights (2007). Wong maakt films op instinct, maar nu is het alsof hij zichzelf helemaal de vrije teugel laat in het verbeelden van melancholie en ballingschap in zijn nieuwste film, The Grandmaster.

Ip Man (Tony Leung) is een martial artist in de stijl van de wing chun die door de Japanse inval van 1937 in de zuidelijke provincie Foshan gedwongen wordt huis en haard te verlaten. Na vele omzwervingen vestigt hij zich in Hongkong waar hij beroemd wordt vanwege een leerling: Bruce Lee, kung-fu-icoon en filmster die in de jaren zeventig overleed.

_

_

Voor de oorlog treedt Ip Man naar voren als een meester uit het Noorden ermee stopt en stelt dat ook het Zuiden een kampioen dient te hebben. Het gevecht tussen Ip en de noordelijke meester eindigt onbeslist. Daarom neemt zijn dochter, Gong Er (Zhang Ziyi), het alsnog op tegen Ip. Tijdens deze clash lijkt er een mystieke connectie tussen Ip en Gong te ontstaan die misschien iets met liefde te maken heeft. Maar op het moment dat die liefde echt wordt, tastbaar bijna, worden ze allebei doordrongen van de tijdelijke aard van hun gevoel. Door de oorlog ontstaat er verwijdering tussen Ip en Gong die gedwongen wordt tegen een vijand van haar vader te vechten om de nalatenschap van haar familie, gesymboliseerd door een specifieke manier van vechten, veilig te stellen.

Dit zijn tamelijk saaie historische en biografische details. En ze creëren een afstand, een soort gordijn dat eerst moet opengaan voordat de echte film zich laat zien, een verhaal waarin tijd en verlangen centraal staan. Uiteindelijk gaat het in deze film om schoonheid en melancholie vervat in het beeld. Slierten rook in theehuizen waar men naar opera’s kijkt; regendruppels die pijnlijk langzaam vallen. Deze dingen vormen de punctuatie in uitgebreide gevechtsscènes gechoreografeerd door de legendarische Yuen Ping-wo, in het Westen bekend vanwege zijn werk met onder anderen Quentin Tarantino en de Wachowski’s. De gestileerde beelden zijn thematisch functioneel; ze geven vorm aan het verdriet van de personages, aan de wijze waarop ze onderworpen zijn aan gevoelens van spijt en aan de tirannie van de voorbijgaande tijd. ‘Kung-fu gaat over het naar voren bewegen, maar het is belangrijk te blijven terugkijken’, zegt Gong tegen Ip aan het einde van haar leven. Dat einde kan te maken hebben met opiumverslaving, maar het is ook mogelijk dat ze een slachtoffer is van haar eigen obsessie met de kunst van haar vechtstijl. Dat zegt althans de verteller, Ip, die vervolgens bijna bewonderend stelt dat Gong ervoor heeft gekozen in haar eigen era te blijven.

Dingen gaan voorbij – daarover gaan alle films van Wong Kar-wai, ook The Grandmaster, een werk waarin de personages zo aangetast zijn door de vergankelijkheid dat ze wazig zijn, haast doorschijnen, zoals Gong Er die met een blik van oneindigheid in haar ogen tegen Ip Man zegt: ‘Niets is eeuwig, en dat is goed.’


Te zien vanaf 9 mei