Prix de Rome: Maartje Korstanje

Iets met sprieten en een bol lijf

Maartje Korstanje’s reusachtige wezens groeien uit haar handen. Met haar creaties van karton en gehard schuim dingt ze mee naar de prestigieuze Prix de Rome.

‘HET IS HIER EEN BEETJE EEN ZOOITJE en vol en zo, maar ja, zo werk ik nu eenmaal. Ik probeer wel eens kleinere dingen te maken, dat is ook slimmer omdat het dan handelbaarder en beter te verkopen is. Maar als ik eenmaal bezig ben, moet er toch steeds nog iets bij, dus blijft het groter worden. Zelfs mijn kleine werken zijn uiteindelijk niet echt klein te noemen.’ Maartje Korstanje verontschuldigt of verklaart zich. Want het is moeilijk om een plek te vinden om te zitten, staan of lopen in het atelier dat ze als een van de vier Prix de Rome-genomineerden toegewezen heeft gekregen in de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Hier, op deze ongeveer zeventig vierkante meter, groeit iets, iets wat al bijna de hele ruimte heeft ingenomen. Een wezen van karton, met veel meterslange armen eromheen. Of zijn het voelsprieten? Hij hangt met touwen aan een balk aan het plafond, losse ledematen liggen nog naast ’m op de grond. Maar nu al wekt hij de suggestie te leven. Althans, het is in elk geval iets om rekening mee te houden, je aan aan te passen, voorzichtig te benaderen.
Dat komt door de praktische consequenties van het formaat. Maar ook doordat Korstanje in staat is levende wezens te maken van karton, isolatieschuim, behangplaksel, jute en andere grove materialen. ‘Daar streef ik inderdaad altijd naar, dat het geen dood ding wordt. Nee, hij heeft nog geen naam. Ik geef mijn werk zelden namen, want ik wil niet te veel iets opdringen. Soms heeft iets wel een werktitel, omdat het makkelijker is om het over “de slak” te hebben dan steeds te zeggen: dat ding daar met die hoge ogen.’ Korstanje wijst achter zich in het atelier, waar wat kleinere creaties staan: ‘Maar dit grote werk is niet echt iets. En dat hoeft ook niet. Ik probeer steeds minder om iets herkenbaar te laten zijn, gebruik alleen maar stukjes van een bepaald beest. Of mijn herinnering aan details. Associaties met bestaande dieren kan hij daardoor wel oproepen. En dat vind ik genoeg. Vroeger maakte ik bijvoorbeeld een krokodil, of een pelikaan. Maar eigenlijk is dat jammer. Dan zie je: hé, een krokodil. En dat is het dan. Terwijl nu, nu kun je echt zelf kijken. Dat vind ik spannender. Ieder ziet er het zijne in.’

Maartje Korstanje is 25 en de jongste van de vier kunstenaars die kans maken op de Prix de Rome. ‘Ik zie de anderen wel eens in de wandelgangen en zeg dan hallo. Maar we gaan niet bij elkaar op de koffie of zo. Ik ben hier ook gewoon de hele dag aan het werk en ga ’s avonds weer naar huis.’
Dit is Korstanje’s minst onbekommerde tijd tot nu toe, zegt ze. Niet zo gek, want het spelen is voorbij. Van 2001 tot 2005 zat ze op de Academie voor Kunst en Vormgeving Sint-Joost in Breda, daarna ging ze voor een tweejarige vervolgopleiding naar het Sandberg Instituut. Die rondt ze in principe voor deze zomer af: ‘Eerst was ik niks als kunstenaar. Gewoon onbekend, zoals zovelen. En nog steeds eigenlijk, maar er wordt nu wel wat van me verwacht. Ik moet echt op commando werk maken, in drie maanden moet er iets zijn voor op de afsluitende tentoonstelling. Terwijl je normaal als kunstenaar iets maakt als je daar de noodzaak toe voelt.’
Noodzaak of niet, Korstanje lijkt er het type niet naar om eindeloos te gaan dralen en twijfelen. Ze heeft haar spullen verzameld; tegen een muur staan vele stukken karton in diverse maten en tinten bruin, op een tafel zilveren blikken vol schuim dat eenmaal ergens in of op gegoten zwelt tot twintig keer het oorspronkelijke volume. Ze hing fotokopieën van vergrote insecten en een knobbelzwaan aan de muur en is aan de slag gegaan. Dagelijks plakt ze stukken karton aan elkaar, bedenkt en naait vormen van textiel en vult die op met schuim. Of maakt er afgietsels van in keramiek; een voor haar nieuw procédé dat ze heeft ontdekt door gebruik te kunnen maken van de faciliteiten van de Rijksakademie. ‘Ik weet nog niet of dit iets wordt’, zegt ze terwijl ze een orgaanachtige, groen geglazuurde vorm oppakt. ‘Misschien wel niet.’
Collega-kunstenaars Folkert de Jong en Thomas Hirschhorn noemt ze haar grote helden: ‘Ik heb veel aan hun beeldtaal, de rauwheid van de materialen die ze gebruiken. Aan de vrijheid die ze nemen, de schaal waarop je aan de slag kunt gaan, hoe je met ruimte omgaat.’ Maar haar inspiratie komt ook uit een heel andere hoek. ‘Hier heb ik veel in gekeken’, zegt Korstanje en ze pakt De grote encyclopedie van het dierenrijk, een uitgave uit 1963 vol prachtige zwart-witfoto’s van uiteenlopende diersoorten. ‘Gekocht op het Waterlooplein voor een euro. Maar de laatste tijd heb ik steeds minder nodig ter inspiratie. Het maken lukt zonder bronnen van buitenaf, ik zit steeds minder vast. Ik begin gewoon te werken en kijk dan wat het wordt.’
Op de zolder van de schuur op de Zeeuwse boomgaard van haar ouders liggen een paar eerder gemaakte beesten: ‘En bij een verzamelaar in België. Maar soms gooi ik ook dingen weg. Het is gemaakt van materiaal dat langzaamaan vergaat, dus het wordt er in de loop van de tijd meestal niet mooier op. Maar soms juist wel.’

Korstanje verlangt nu ze zoveel binnen zit vaker naar Zeeland. Ze groeide er op met haar twee jongere broers, op het plattenland iets buiten het dorpje met de fraaie naam ’s‑Heer Hendrikskinderen. Ze hielp in de zomer met het plukken van appels, peren, pruimen en kersen. Ging naar de Vrije School, waar ze lekker veel met haar handen kon doen. De gewone middelbare school viel daarna vies tegen: ‘Ik bleef vaak thuis, met hoofdpijn. Dan ging ik tekenen, daar werd ik weer blij van.’ Ze volgde een schildercursus, maar ontdekte later op de kunstacademie dat ze ruimtelijk werk maken leuker vond: ‘En dat lukte ook beter. Ik was directer verbonden met wat ik creëerde.’ Maar het duurde zo lang voordat iets af was: ‘Ik ben niet per se ongeduldig, maar in mijn werk wil ik dat je dit doet en het dan hebt.’ Korstanje plakt een stuk karton op haar beest: ‘Ik wil de snelheid erin houden, op een zo direct mogelijke manier werken.’
De doorbraak kwam met papier-maché: ‘Ik zocht een manier om net zo lekker te kunnen beeldhouwen als schilderen. Toen heb ik een stapel schoolkrantjes gepakt, lijm erbij, en wham, de beer was los.’ Wel zat in haar achterhoofd de opmerking die een leraar had gemaakt: dat Korstanje hobbykunst maakte: ‘Pijnlijk ja. En dat zou ik alleen maar bevestigen door ook nog eens met papier-maché aan de gang te gaan. Maar ik besloot toch om me er niks van aan te trekken; het voelde té goed als ik ermee bezig was.’
‘Iets met sprieten en een heel bol lijf’ – met die gedachte is Korstanje aan haar Prix de Rome-werk begonnen.
Je hebt nu eenmaal tekst nodig om iets te kunnen duiden, maar de gevonden woorden doen haar werk eigenlijk te kort. Ook voor Korstanje zelf, die tijdens de voorronde van de Prix de Rome haar kunst moest verklaren. In het Engels. ‘Woorden zijn niet mijn specialiteit. Ik heb niet echt diepzinnige dingen te melden over wat ik maak. Het is gewoon wat het is en dat zien zij toch ook?’
Het klinkt stugger dan Maartje Korstanje lijkt te zijn. Ze is eerder verlegen. Ze is vooral in haar element als ze zonder besef van tijd of buitenwereld lekker aan het rommelen is. Soms denkt ze dan: waar slaat dit op? ‘Ik droomde er vroeger van de hele dag dingen te doen die ik leuk vind, en nu kan dat opeens. Ben ik Kunstenaar. Heel vreemd. Terwijl ik dacht: je moet in het leven nu eenmaal iets doen waarmee je geld kunt verdienen. Laat mij dan maar postbode zijn om van te leven, en dan kan ik daarnaast kunst maken. En nu krijg ik zomaar een prijs, en lijkt het erop dat ik misschien zou kunnen gaan leven van mijn kunstwerken.’ Korstanje zegt het verbaasd. Ze kan nog niet geloven dat zo’n droom zou kunnen uitkomen.