REIN BLOEM, LEES DAT EN HERLEES DAT

Iets met taal

Rein Bloem, Lees dat en herlees dat, € 24,95

‘Dichters hebben iets met taal.’ Het moet ergens halverwege de jaren negentig zijn geweest dat Rein Bloem in Enschede een poëzieavond presenteerde waarop een divers gezelschap van dichters uit alle windstreken zou optreden. Om enige lijn in het programma te brengen probeerde Bloem aan het begin van de avond onder woorden te brengen wat die verschillende oeuvres met elkaar gemeen hadden. Al improviserend, hij wekte althans niet de indruk zijn opening te hebben voorbereid, kwam hij tot de onsterfelijke bewering dat de optredende dichters allemaal 'iets met taal’ hadden. Hoewel het eleganter verwoord had kunnen worden, had Bloem gelijk. Poëzie is taal. Alle andere kwaliteiten die aan poëzie worden toegeschreven, zoals haar rijkdom aan beelden, ideeën en emoties, dankt zij aan de enthousiaste en geduldige lezer. Zonder inzet van de lezer kwijnt zelfs het vitaalste gedicht weg.

Rein Bloem (1932-2008), docent Nederlands, criticus, dichter, vertaler en cineast, was een gulzig en onvermoeibaar ijveraar voor kunstuitingen die zich niet ogenblikkelijk gewonnen geven, waarbij poëzie en film zijn grootste liefdes waren. Vanaf 1962 schreef hij honderden stukken, voornamelijk voor Vrij Nederland, maar ook voor literaire tijdschriften als Raster en De Revisor. Ook was hij geruime tijd verbonden aan De Groene Amsterdammer. Opmerkelijk genoeg had hij nooit de behoefte zijn essays en uitvoerige recensies te bundelen. Geestverwant Lucas Hüsgen heeft nu een royale keuze uit Bloems beschouwend werk gemaakt, die onder de suffe titel Lees dat en herlees dat door Perdu is uitgebracht. Ook de titel van Hüsgens inleiding is niet pakkend: 'Wat wil je dan nog?’ Het zijn citaten uit Bloems proza van het kaliber 'dichters hebben iets met taal’. Meteen is duidelijk waarom Bloem zijn stukken niet bundelde. Ze waren bedoeld om in de stroom van de tijd verslag te leggen van leeservaringen, niet om in kloeke boekdelen te worden gefixeerd. Bloem was misschien eerder een observator, een denker en een prater dan een schrijver.

Toch is het goed dat het boek er is gekomen, al is het alleen als hommage aan een ongehoord invloedrijk criticus, wiens stukken enkele generaties lezers vertrouwd hebben gemaakt met aanvankelijk onleesbaar geachte dichters als Hans Faverey, H.C. ten Berge, Pierre Reverdy en Kees Ouwens. Hij schreef ook met aanstekelijk plezier over Hadewijch, Bob Dylan, Gerrit Komrij en Jules Deelder. Wat bij herlezing van die artikelen opvalt, is het contrast tussen Bloems grenzeloos zorgvuldige lectuur en het geïmproviseerde, soms regelrecht slordige karakter van zijn eigen proza. Het lijkt alsof hij van meet af aan de voorlopigheid van zijn uitspraken wilde benadrukken, maar waarschijnlijk maakt juist dat zijn stukken zo sympathiek en levendig.

Niemand heeft voor de receptie van Faverey meer betekend dan Rein Bloem. In 1967 constateert hij met enige irritatie dat er geen uitgever is die Favereys werk wil uitgeven, en om de kracht van die poëzie te bewijzen analyseert hij enkele gedichten die op het punt staan in Raster te verschijnen. 'De dichter is Hans Faverey, in dit land waar iedereen een uitgever vindt de enige outcast.’ Na het korte gedicht Een mug te hebben geciteerd, schrijft Bloem, overigens beginnend met een dijk van een anakoloet: 'Eenvoudig zeggen: ik beschouw dit als superieur aan alles wat ik de laatste tijd gelezen heb - zal wel niet genoeg zijn, maar een poging tot reconstructie. Wat de lezer hier mee kan maken is het proces van het dichten zelf. (…) Er is een vertrekpunt waarvan het gedicht afstand neemt tot het uit het gezicht is. Meer gebeurt er niet, dat wil zeggen, het gedicht dat aan het ontstaan is staat op zichzelf, er is geen enkele verwijzing naar buiten.’ De gedachte dat het bij Faverey gaat om taal die zichzelf eerst aanwezig stelt en zich vervolgens afbreekt tot er niets overblijft, was, ook al valt er heel wat op af te dingen, voor menige lezer - ook voor mij - een openbaring. Als er ooit een dichter is geweest die 'iets met taal had’, was het wel Faverey.

Bloems aandacht voor de autonomie van de taal is een constante in zijn kritisch werk, maar het tekent zijn ondogmatische manier van denken dat hij, soms via een omweg, vaak toch uitkomt bij de dichter en lezer als mens van vlees en bloed. Uiteindelijk ging het Bloem, zoals Hüsgen terecht constateert, om lezen als 'levenskunst’. Het blijkt onder meer uit zijn affiniteit met de experimentele poëzie van Hadewijch, die draait om een bijna pijnlijk erotisch verlangen naar de Hemelse Minne, maar ook uit zijn vernietigende kritiek op de Hölderlin-vertalingen van Ad den Besten, die iedere feeling voor het psychische drama van Hölderlins werk zou ontberen. Poëzie is taal, jazeker, maar lezen doe je ook met je hart en je onderbuik. In die kunst staat Bloem als leermeester op gelijke hoogte met Kees Fens.

Een van de projecten die Bloem helaas niet heeft kunnen voltooien, is zijn vertaling van de Alexandra van Lykophron, een hallucinerend, raadselachtig en hondsmoeilijk gedicht uit de derde eeuw voor Christus, waarin de profetes Kassandra volledig uit haar dak gaat. Bloem zag de onthutsende moderniteit van deze poëzie en schreef er een prachtig stuk over, dat in 1993 in De Groene Amsterdammer stond. In dit suggestieve proza, waaraan fragmenten uit het gedicht werden toegevoegd, was Bloem op zijn best: 'Een veelheid aan feiten, mythen, verhalen, meeslepend verteld als blijk na blijk van geweld, voortgestuwd op golven van woede en wraak, met de kracht van poëzie vol bestiale metaforen en een laag van aardse humor onder de woorden van het razende meisje, dat in volle ernst getuigt van afschuw over wat mensen van alle tijden aan gruwel bedrijven.’ Inderdaad: lees dat en herlees dat.

REIN BLOEM

LEES DAT EN HERLEES DAT: EEN KEUZE UIT HET BESCHOUWEND WERK

Perdu, 272 blz., € 24,95