‘iets pruisisch’

Het vitalisme van Marsman lijkt een eerste poging om op literair gebied een ‘third force’ te mobiliseren, tussen traditie en vernieuwing in. De dichter voelde zich verbonden met anti-burger en kunstenaar Erich Wichman. Samen tegen de rest van Nederland.

HENDRIK MARSMAN, honderd jaar geleden geboren in Zeist, groeide op in een kleinburgerlijk milieu - zijn vader was boekhandelaar - dat hij al vroeg als bekrompen en remmend voor zijn eigen ontwikkeling ervoer. Geplaagd door een zwakke gezondheid - de foto’s uit die tijd spreken boekdelen: een magere, breekbare knaap - probeert hij zich te ontworstelen aan de burgerlijke gezapigheid en geborgenheid. Zijn jeugdpassies - literatuur en sport: geest en lichaam - lijken bepalend voor de twee levenshoudingen die hij zich als jonge dichter aanmeet: een op fin-de-siècle-auteurs geënte levensmoeheid en een zichzelf overschreeuwend vitalisme.
In zijn vroegste verzen schoot Marsmans gevoelsbarometer heftig heen en weer tussen levensdrift, levensmoeheid en doodsverlangen. Het ene moment voelde hij zich een ‘Heerser’, een 'Verhevene’ of 'de Brenger van een nieuwe Tijd’, even later zag hij zichzelf als een 'late, smalle bloem, op den verloomden maatslag van den tijd’, terwijl hij op zijn ziekbed 'Doodsliedjes’ componeerde of beweerde: 'Zóó wil mijn moede ziel nu ook maar sterven gaan’.
Anders dan tegenwoordig het geval is, was Duitsland in het begin van deze eeuw de belangrijkste culturele referentie in het Nederlandse burgerlijke milieu. Marsman kwam dan ook al vroeg in contact met de Duitse klassieken, niet in de laatste plaats door zijn intensieve vriendschap met Arthur Lehning. In 1917 lazen ze Hugo von Hofmannstahl en 'voelden wij ons tot onze verste vezels doortrokken van een veege vermoeidheid, een herfstelijk besef van te laat - en waartoe? - geboren te zijn’. Ook Rilke en Stefan George werden bewonderd.
Enkele jaren later verdiepten ze zich in het expressionisme van de jonge Duitse 'loopgravengeneratie’, waarvan Trakl en Heym een belangrijke invloed uitoefenden op het ontluikende dichterschap van Marsman. Het was niet de humanitaire tendens die hem in de expressionistische gedichten aantrok, maar de beeldende kracht en de intensiteit. Zijn bezoeken aan Berlijn (zomer 1921 en zomer 1922) sterkten hem juist in zijn aristocratische levensvisie. Zijn Duitse vrienden bewonderden Oswald Spengler (Der Untergang des Abendlandes, twee delen, 1918-22) en Arthur Moeller van den Bruck (Das dritte Reich, 1923), voormannen van de Duitse nationaal- of conservatief-revolutionaire beweging. Met het werk van Spengler had Marsman in het voorjaar van 1921 kennisgemaakt; Moeller van den Bruck ontmoette hij in de zomer van 1921 in Berlijn. Over die ontmoeting zijn geen gegevens bewaard, maar de ondergangsprofetieën van Spengler zouden Marsmans denken lang en diepgaand beïnvloeden. Marsman voelde zelfs 'iets pruisisch’ in zich en was 'in dien tijd in zekeren zin meer Duitsch’ dan zijn vriend.
WAT IN ZIJN vroege verzen de vorm aannam van een op koortsdromen geïnspireerde kosmische zelfvergroting, openbaarde zich later in een onstuimige geldingsdrang als vitalistisch dichter en tijdschriftredacteur, begeleid door een gaandeweg vaster omlijnde visie op het eigen dichterschap (de dichter als profeet/ziener) en een maatschappelijke positiebepaling: 'meer en meer kom ik ertoe als enkeling, gesloten figuur, als afsluiter van een “orthodox liberale” burgerlijke cultuur afzijdig overeind te staan’, schreef hij in november 1921 aan Arthur Lehning.
Opvallend is dat de twee figuren die de jonge Marsman het sterkst beïnvloed hebben - Trakl op het creatieve en George op het filosofisch-maatschappelijke vlak - beiden net als Marsman afkomstig waren uit het Bürgertum in de Duitse zin van het woord. George kreeg weliswaar geen aristocratische opvoeding maar wel een aristocratische opleiding: de zoon van de wijnhandelaar mocht naar het gymnasium. Bentley zei het al in zijn A Century of Hero-Worship (1957): 'De moderne filosoof van de aristocratie is zelden een aristocraat.’ George probeerde zijn eigen 'aristocratie van de geest’ te creëren. In 1904 stichtte hij een culturele kring naar het idee van Nietzsche; een kring van veelbelovende jonge geleerden en kunstenaars, die puur waren, nog niet aangetast door de zwakkeren (slaven), kortom: een elite met een Herrenmoral. De dichters dacht hij een leidersrol in de samenleving toe. Het ideaal: een nieuw hiërarchisch rijk met als model de tijd van de Hohenstaufen. De oorspronkelijke oerkrachten moesten weer ervaren worden om een totaal nieuwe wereld te bouwen op de puinhopen van de oude. Dat betekende: overstromen van vitaliteit, een gevaarlijk leven leiden, oorlogsheld zijn… Illustere leden van de George-Kreis waren onder anderen graaf Von Stauffenberg, Ludwig Klages en Karl Wolfskehl.
Het door Marsman voor zichzelf gecreëerde ongenaakbare aristocratische superego verfoeide de vervlakkende en vulgaire democratie en moest al helemaal niets hebben van socialisme of communisme. Het hunkerde naar meer bezielde tijden, waarin een collectief ideaal en sterke leidersfiguren het volk moesten inspireren tot grote daden en de dichter zijn profetenrol naar behoren kon vervullen. Als vele andere West-Europese intellectuelen had hij het idee dat de avondlandse cultuur tot de ondergang was gedoemd. Alleen sterke geesten waren volgens hem in staat die realiteit onder ogen te zien en hun heroïsche taak met een vitaal amor fati te aanvaarden: 'De heldhaftigen aanvaarden den ondergang, en leven.’
Maar hoe heldhaftig was Marsman? Voorlopig profileerde hij zich als bezielen de leider van de naoorlogse schrijversgeneratie (anderen spraken schamper over 'de dictator der jongeren’). Als redacteur van De Vrije Bladen (1925) riep hij op tot 'de sprong in het duister’, een nieuwe, oorspronkelijke creativiteit en de omarming van het leven: 'De eerste onontkoombare voorwaarde voor een krachtige kunst is in den dichter een intens en overvloedig leven.’ Al spoedig besefte hij dat zijn strijdkreten geen effect sorteerden en dat zich achter zijn vitale elan een impasse in zijn eigen dichterschap verschool. Het gebrek aan weerklank en de onmogelijkheid zichzelf te vernieuwen confronteerden hem met een crisis waarin hij zijn zieltogende superego op allerlei manieren probeerde te reanimeren.
De meerderheid van de intellectuelen in het Duitse cultuurgebied vond het ideaal van absolute waarden in de nationalistische mystiek van een Volk, een eeuwige en onveranderlijke metafysische eenheid met een unieke, eigen 'volksziel’ die zich in een organische groei moest ontwikkelen. Door de historische processen was die groei gestuit en gecorrumpeerd. Het 'völkische’ ideaal moest worden gereinigd en opgepoetst om opnieuw zijn bezielende rol te kunnen spelen. Die gedachte was verre van nieuw. Het concept was ontwikkeld door Johann Gottfried Herder (1744-1803) en werd in de negentiende eeuw verder uitgewerkt door tal van Duitse historici en filosofen, van wie met name Nietzsche een diepgaande invloed had op de 'third force’-intellectuelen uit de eerste decennia van deze eeuw.
HET NATIONAAL-SOCIALISME zou later met succes voortbouwen op dit breedgezaaide en diepgewortelde gedachtegoed. Dit zou tot een scheiding der geesten leiden. De third force-intellectuelen van het nationaal- of conservatief-revolutionaire stempel, van wie velen de opkomst van Hitler met belangstelling en enthousiasme volgden, deinsden met afgrijzen terug voor het realiteit geworden nationaal-socialisme. Hun ideaal leende zich niet voor massademagogie en cultuurbarbarisme. Het moest een elitaire aangelegenheid blijven. Zo wees Ernst Jünger een door Goebbels aangeboden zetel in de Rijksdag af, weigerde George partijfilosoof te worden en week uit naar Zwitserland, en keerde Spengler zich uitdrukkelijk af van de 'Prolet-Arier’ Hitler.
MARSMAN HEEFT ZICH steeds hevig verzet tegen allerlei vormen van nationalisme. Toch kon hij op andere gebieden een eind meegaan in de gedachtegangen van de Duitse 'sociaal-nationale’ intellectuelen. Al vanaf zijn vroegste werk borduurde hij voort op een stramien dat de Amerikaans-Duits-joodse historicus George L. Mosse ook bij tal van andere 'zoekende’ intellectuelen signaleert. Zijn vitalisme lijkt een eerste poging om op literair gebied een 'third force’ te mobiliseren, tussen traditie en vernieuwing in. Als dat een niet te verwezenlijken eenmansdroom blijkt, realiseert hij zich dat hij zich in een politiek en sociaal vacuüm bevindt. Hij voelt heimwee naar een culturele eenheid zoals in de theocratische Middeleeuwen en droomt van kruistochten en kathedralen.
In zijn met wanhopige stelligheid geformuleerde 'Thesen’ (november 1925) roept Marsman om een 'nieuwe, oorspronkelijke religie’, waarmee hij zich de hoon van Arthur Lehning, de 'nihilist’ Menno ter Braak en zijn katholieke vrienden Albert Helman en Gerard Bruning op de hals haalt. In een reactie op zijn opponenten (de 'Thesen’ van mei 1926) werkt hij zich nog verder in het moeras: hij zoekt zijn heil in een mengsel van katholicisme en Mussolini: 'De nieuwe, oorspronkelijke religie. Dat beteekent niet: een leege, en vage religiositeit; dat beteekent: een nieuwe God, nieuwe Goden, een eeredienst, een zgn. bijgeloof, mythologie. Dat beteekent, cultureel, de vestiging van een nieuw hierarchisch gezag, dat bij de gelijkheid der zielen de ongelijkheid der persoonlijkheden erkent, en daarop haar wereld bouwt. Zoolang men het Katholicisme verwerpt, blijft dat (die nieuwe religie) de eenige reddende mogelijkheid: zijn moèt ontstaan, hier, of in Labrador, of op Saturnus.’
Nieuwe goden of nieuwe helden, middeleeuws katholicisme, een nieuwe religie of eigentijds fascisme, wat Marsman zoekt is een nieuwe hiërarchie en een heroïsch, bezielend collectivisme. In Fascist Aesthetics and Society (1997) voert Mosse dergelijke aspiraties terug op stereotypen van kracht, schoonheid, puurheid, heldendom en leiderschap die in de negentiende eeuw met de opkomst van het burgerdom hun vorm en fundament hadden gekregen en waarop het nationaal-socialisme zijn 'volksreligie’ en mythologie bouwde.
De snel wisselende gezichtspunten van Marsman - zelf schreef hij die ooit toe aan zijn 'lyrische intuïtie’ - zorgden ervoor dat hij nooit tot een duidelijk programma kwam. De roep om een nieuwe religie, de flirt met het katholicisme - het bleken heilloze constructies waarmee hij zich als aristocratische individualist vergeefs hoopte te verzekeren van een 'bezield verband’ waarin hij als dichter kon functioneren. Een volk, 'vechtend om God en om brood’, was afwezig. Hij bleef niettemin hameren op het belang van 'een universeele, in een lichaam, een kerk, geïncorporeerde godsdienst’ en hield zijn hoop gevestigd op het fascisme.
Eind 1928 zag hij nog steeds allerlei positiefs in de Italiaanse verschijningsvorm ervan: 'De structuur van het italiaansche fascisme heeft psychologisch, oeconomisch, politiek, staatsrechtelijk en moreel alvast één ding voor op alle nivelleerend-individualistische democratie, en wel dit: dat zij niet alleen rekening houdt met de veelsoortige ongelijkheid der menschen, maar dat zij zich op deze ongelijkheid, hierarchisch opstijgend, grondvest. (…) Zij regeert het volk, dat, inderdaad, geregeerd wil worden.’
Maar zijn held is niet Mussolini: 'De fouten van het fascisme liggen allereerst in haar angstvallig en geborneerd nationalisme, en de fouten van haar vereerders beginnen met de verheerlijking van den draak Mussolini. Ongetwijfeld is Mussolini een man van enorme begaafdheid en kracht, maar onverdragelijk en onteerend, voor hem en zijn adorateurs, is de weerzinwekkende melodramatiek zijner gestes, die de volmaakte realisatie zijn van den droom van een opera-held’ (…). 'Grootheid is met name de trek die Mussolini ontbreekt.’ Wel sterk maar niet groot: geen verheven geest maar een volkse held.
IN DE JAREN 1925 tot 1929, de periode waarin Marsman zijn fascistische sympathieën ontwikkelde, voelde hij een sterke verbondenheid met de activist en felle anti-burger Erich Wichman. Wichman (1890-1929) was een veelzijdig kunstenaar en, anders dan Marsman, in leven en werken een echte vitalist. Hij was al vroeg politiek actief. Tijdens zijn schooltijd ageerde hij tegen de sociaal-democratie en gedroeg zich als anarchistisch enfant terrible, niet uit gebrek aan kwaliteiten maar eerder uit een teveel daaraan. In een gedicht uit 1911 voelde hij zich de heilbrengende profeet van een nieuwe tijd:(Waar ik trêe daar bloeien de landen(zonnig en overblauwd,(wat ik raak met tastende handen(vat ik tot glanzend goud.In mijn handen draag ik het Wonder(voor die terzijde staan,(hoog hef ik het licht, waarzonder(z'hun weg niet kunnen gaan.'De profeet’)
Voor 1914 had Wichman kennisgemaakt met voormannen van het Italiaanse futurisme (met Marinetti en Severini raakte hij bevriend) en met de Duitse expressionisten van Der Sturm. Zelf produceerde hij non-figuratieve schilderijen die zo modern waren dat zijn tijdgenoten er niets van begrepen. Marsman en Lehning ontmoetten hem in zijn hoedanigheid van schrijver en kunstenaar voor het eerst in 1920. Tot Wichmans vroegtijdige dood onderhielden ze vriendschappelijke contacten. Aanvankelijk op artistiek niveau; Marsman wijdde een lovende bespreking aan een uitgave van Wichmans 'verzameld werk’ Erich Wichman tot 1920 en het lag in de bedoeling dat Wichman Marsmans debuutbundel Verzen (1923), door Lehning in Berlijn gedrukt, met een aantal litho’s zou illustreren. Later bleken Marsman en Wichman behalve op het artistieke vlak ook op politiek-maatschappelijk gebied verwante ideeën te koesteren. Alles lijkt erop te wijzen dat de wispelturige Marsman zich optrok aan de radicaliteit van Wichman. In zijn meest apodictische stukken klonk regelmatig de echo van gevleugelde woorden van Wichman ('Een schreeuw is geen kunst’, 'Het kunstwerk komt uit de werkplaats’, 'De vaalt wacht’, 'Wie hier op de grond stampt, stampt in de modder’).
WICHMANS AFSCHUW van de parlementaire democratie leidde in 1921 tot een geruchtmakende ludieke actie: het meedoen aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen, waarvoor hij de Rapaille-partij in het leven riep, aangevoerd door beroepsalcoholist Hadjememaar. Het partijblad, De Raad, werd grotendeels volgeschreven door Wichman zelf, die de bijdragen ondertekende met namen van bekende wethouders en (aspirant-)raadsleden. Hij nodigde Marsman uit als medewerker, maar na een nummer was het blad ter ziele.
Het verkiezingsprogramma - onder meer afbraak van de urinoirs, afschaffing van kunst en wetenschap en vrij vissen in het Vondelpark - verwierf de steun van ruim veertienduizend stemmers en daarmee twee zetels in de raad. Wichmans stelling dat 'het menschheidsvulsel’ incompetent was om de eigen vertegenwoordigers te kiezen was daarmee afdoende bewezen. Maar de stunt had niets losgemaakt of veranderd. Ontgoocheld verliet Wichman Nederland om jarenlang een zwervend bestaan te leiden.
In 1923 trok hij via Duitsland naar Italië, waar hij in aanraking kwam met het fascisme van Mussolini. Vanuit Italië schreef hij laaiend enthousiaste brieven aan Lehning, waarin hij Mussolini en zijn zwarthemden verheerlijkte. In een manifest-achtig artikel, 'Het fascisme in Nederland’ (1924) dacht hij serieus na over de mogelijkheden van een op Italiaanse leest geschoeid fascisme in Nederland. Hij was er weinig optimistisch over: 'Niet dat het toevallig een Mussolini had, redde Italië, en Holland zou met geen toevallige Mussolini te redden zijn. Italië redde zichzelf, en zo kon Mussolini op de plaats komen waar hij nodig was. Ook het fascisme was niet zozeer geneesmiddel als: teken van genezing.’
MARSMAN EN WICHMAN deelden een vitalistisch levensgevoel, waarbij Marsman een als vitalist poserend bleekneusje bleef terwijl Wichman met knuppel in de hand de straat onveilig maakte. Hoewel hij Marsman verschillende malen tot daden probeerde te bewegen, gaf Marsman niet thuis. De enige keer dat hij zich samen met Wichman manifesteerde was in de weinig frisse hetze (januari 1928) tegen de socialistische schrijver A.M. de Jong, bijgestaan door onder meer A. den Doolaard en Menno ter Braak. De Jong had kritiek op de nieuwe generatie schrijvers en werd daarom als een representant van de gehate gevestigde - sociaal-democratische dus materialistische - orde aan de schandpaal genageld. Het schrijven van een pamflet tegen het door De Jong en Israel Querido geleide tijdschrift Nu was een typische third force-actie. Helaas beperkten de schimpscheuten zich niet tot het socialistische karakter van het blad, gezien de participatie van enkele medewerkers van het katholieke tijdschrijft De Gemeenschap, die de actie steunden omdat zij 'het socialistische en semitische schrikbewind met gepaste minachting willen behandelen’.
Wichman, die korte tijd lid was van het fascistische Verbond van Actualisten en daarna overstapte naar de radicalere 'Rebelse Patriotten in een Ondergaand Volk’, sloot zich in 1928 aan bij het fascistische tijdschrift De Bezem van Alfred Haighton en Sinclair de Rochemont. In het nummer van 29 juni 1928 sprak hij zich nog eens ondubbelzinnig uit over de kansen van een naar Italiaans model gestileerd fascisme in Nederland: 'Geen haar op mijn (kaalwordend) hoofd denkt eraan “het Italiaans fascisme zoals het nu is (en geweest is of ooit worden zal! E.W.) ongewijzigd naar Nederland over te brengen”. Wat ik “overbrengen” wil is alleen: een sfeer, een toonaard, een gevoelstempo, een mentaliteit, een levenshouding: het stukbreken van zinloos en levenloos geworden vastheden, het vlottend en vlot maken, het opnieuw beginnen, de Jeugd!’
Wichman stierf op nieuwjaarsdag 1929 na een kort maar intens leven aan een verwaarloosde longontsteking, opgelopen toen hij in plaats van een aangekondigde lezing te houden hielp een dreigende dijkdoorbraak te keren. Marsman hernam zijn positie als hoofdredacteur van De Vrije Bladen (1929-31), al bleef de retoriek als in zijn 'Thesen’ nu achterwege. Eerder viel er een tegenovergestelde tendens in zijn werk waar te nemen. Hij werd introspectiever, maakte zich los van zijn eenzijdig Duitse, noordelijke oriëntatie en ontdekte na een reis naar Frankrijk ('De Provence… Ik heb ergens in een stadje tusschen de arena en de kathedraal gestaan. Wat een harmonie! Het volmaakte Romaansche ideaal.’) in het mediterrane gebied zijn zuidelijke zelf. Hij rekende af met zijn vitalistische superego: 'Het vitalisme, als theorie van de vitaliteit, als ideaal van een krachtige jeugd, ontstaan in mij, omdat in de werkelijkheid die vitaliteit er niet was, ja dát vitalisme is dood.’ (april 1933)
Geconfronteerd met de praktijk van het nationaal-socialisme vielen hem eindelijk de schellen van de ogen. In maart 1934 schreef hij aan zijn vriend D.A.M. Binnendijk: 'Ik vind in ieder geval de practijken van Hitler c.s., de heele “geest” van het duitsche nat. soc. verrot.’ De opkomst van de NSDAP beschouwde hij niettemin als een belangrijke historische gebeurtenis en hij distantieerde zich pas definitief van het Duitse fascisme nadat hij zich er in de zomer van 1934 nader in had verdiept. Typerend genoeg was het zijn afschuw van de vulgaire massabeweging, die bovendien geleid werd door middelmatig getalenteerde lieden uit de lagere regionen der samenleving, die de doorslag gaf. Daarna keerde hij zoals zovele andere in het fascisme teleurgestelde third force-intellectuelen terug tot zijn aristocratische individualisme. Al kantte hij zich fel tegen de jodenvervolgingen, de cultuurbarbarij en de intellectuelenhaat van de nazi’s, een verdediger van de democratie werd hij niet. Hij verdiepte zich in Nietzsche en vond met hem als gids en mede dankzij de doorbraak naar zijn zuidelijke zelf een nieuw ideaal: een verenigd Europa met als bindend element 'de erfenis, het bezit en de toekomst van het antiek-christelijke beschavingscomplex tusschen Amsterdam en Athene’. Van arena en kathedraal was hij geëvolueerd naar Tempel en kruis (1940), het sluitstuk van zijn oeuvre waarin hij de ontwikkeling die hij in ruim twintig jaar als mens en dichter had doorgemaakt poëtisch vormgaf. Tijd om zijn ideaal - een nieuwe derde weg, ditmaal als uitweg uit de onherroepelijke catastrofe waarop het totalitarisme van links en van rechts ('éne horde, schijnbaar in twee kampen, opgejaagd en weer belust op bloed’) afstevende - aan de werkelijkheid te toetsen had hij niet meer. In de vernietigende oorlog die hij al jaren als onafwendbaar had beschouwd, werd het schip waarop hij vanuit Bordeaux naar Engeland onderweg was op 21 juni 1940 getorpedeerd.