De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Iets te doen

Zijn er eigenlijk mensen die níet driekwart, of nou ja negentig procent, van de tijd het idee hebben dat het leven plaatsvindt waar zij níet zijn? Zijn er mensen die niet het grootste deel van hun tijd maar wat uitzitten, wachten tot het wachten ophoudt, de verveling, de obsessieve gedachten, de pijn in hun linkerlies? Zijn er mensen die gelukkig sterven op een juist moment, zonder spijt en wanhoop?

Gaat het om kunst of om liefde? Verkeerde vraag. Ik bedoel: heeft het eigenlijk wel zin om iets te maken als je ook gewoon kunt liefhebben? Waarom blokkeren sommige mensen hun eigen geluk actief terwijl anderen in staat zijn hun leven zodanig in te richten dat het strookt met wat ze van dat leven verlangen? (Ja, oké, ik denk nu eerlijk gezegd specifiek aan Yvette van Boven, kok en schrijver van kookboeken, woonachtig aan een ruige Ierse kust waar ze kookt en wandelt over allerhande kliffen en stranden, en wier hond Hughie er honderd keer gelukkiger uitziet dan de mijne.)

In haar essay ‘Iets te doen hebben’, afgelopen maand verschenen in de bundel Overpeinzingen, doet Zadie Smith uit de doeken wat volgens haar de ware reden is dat ze schrijft, of eigenlijk de ware reden dat wie dan ook schrijft: om iets te doen te hebben. Het bevalt haar, schrijft ze, dat sinds de coronacrisis dit ‘goudeerlijke’ antwoord ineens uit de taboesfeer is gehaald. Waarom bakken mensen ineens bananenbroden, waarom verkleden ze hun hond als kat? Om iets te doen te hebben.

Waar kunstenaars zich altijd ophielden in een ‘nutteloze speelhoek’ van de maatschappij terwijl de serieuze mensen dag in dag uit naar hun echte banen gingen, is dat onderscheid nu tenminste tijdelijk vervaagd. ‘Al die anderen’, schrijft Smith, ‘worden ineens geconfronteerd met het eeuwige probleem van de kunstenaar: tijd, en wat je in die tijd doet.’

Ik kan het al bijna niet ­verdragen wanneer mijn ­geliefde vraagt wat ik vandaag heb gedaan

Het zegt allemaal nog steeds niets over de reden dat Smith, of all things, is gaan schrijven. Eerlijker is een antwoord dat ze verderop geeft, indirect, door met de vaststelling te komen dat de quarantaine haar deed inzien hoezeer haar leven erom draaide zich voor het leven schuil te houden. ‘Wat een dorre, treurige, beperkte definitie van leven’, concludeert ze. ‘En wat ligt het daar open en bloot, nu mijn teerbeminden zich in dezelfde ruimte bevinden en getuige zijn van de manier waarop ik mijn tijd doorbreng.’

Dat is inderdaad verschrikkelijk. Ik kan het al bijna niet verdragen wanneer mijn geliefde vraagt wat ik vandaag heb gedaan. Meestal niets, eigenlijk, of alles weer veel te moeilijk gemaakt voor mezelf – wat op hetzelfde neerkomt.

Jenny Diski’s dochter herinnert zich uit haar jeugd voornamelijk de gesloten deur van haar moeders werkkamer. In het nawoord bij de onlangs verschenen selectie van essays die Diski tussen 1992 en 2014 schreef voor de London Review of Books beschrijft Chloe Diski hoe ze, ondanks een uitdrukkelijk verzoek van haar moeder om met rust gelaten te worden, van alles verzon om die deur toch telkens weer op een kier te krijgen. Haar moeder was zo nadrukkelijk afwezig dat die afwezigheid op zichzelf weer een aanwezigheid werd. En toch, schrijft Chloe, streefde ze geen absolute eenzaamheid na: de gesloten deur was óók een uitnodiging om erop te kloppen.

Ik vermoed dat dit laatste meer zegt over het verlangen van de dochter dan over dat van de moeder (die het niet kan weerspreken; in 2016 overleed Jenny Diski aan longkanker). In het allereerste stuk dat ze publiceerde in de LRB, ‘Moving Day’, schrijft Diski over haar ex-geliefde die, achttien maanden na zijn intrek, weer bij haar uittrekt. Haar dochter is op vakantie met haar vader in Ierland: de komende drie weken heeft ze de flat voor zichzelf alleen. Het verdriet over de verbroken relatie kan geenszins haar enthousiasme temperen bij dit vooruitzicht: eindelijk ongestoord te kunnen schrijven. Wanneer dat haar, na wat logistieke omwegen, eindelijk lukt, schrijft ze daarover: ‘It is a kind of heaven. This is what I was made for. It is doing nothing. A fraud is being perpetrated: writing is not work, it’s doing nothing. It’s not a fraud: doing nothing is what I have to do to do nothing; doing nothing is what I have to do to write.’

Iets te doen hebben, niets te doen hebben. Zolang niemand toekijkt, valt het te tolereren.