Iets te triomfalistisch

B. Gasenbeek, J.C.H. Blom, J.W.M. Nabuurs (red.)
God noch autoriteit: Geschiedenis van de Vrijdenkersbeweging in Nederland
Boom, 336 blz., € 24,50

Hysterische moslims die vernielingen aanrichten omdat iemand in een ver land zich kritisch dan wel spottend heeft uitgelaten over Mohammed, zwartekousendominees die een ontroostbaar kind vertellen dat het beslist niet zeker is dat zijn geliefde oma nu in de hemel is, katholieke priesters die beweren dat de joden alle ellende over zichzelf hebben afgeroepen omdat ze de Messias aan het kruis hebben gespijkerd – ze maken me misselijk. Maar niet iedereen die zich beschouwt als vijand van dit soort fanatici is automatisch mijn vriend.
In zijn memoires Van anarchist tot monarchist (Amsterdam, 1936) schreef Alexander Cohen een hoofdstuk met als titel ‘Van de mislijke vrijdenkerij’, waarin hij zich afzette tegen fanatieke atheïsten die geen mogelijkheid onbenut lieten om gelovigen te beledigen of te pesten. En in zijn dagboek schreef André Gide met minachting over André Breton, die in de metro bij voorkeur naast een priester ging zitten, om vervolgens luidkeels te roepen dat de man hem onzedelijk had betast. Toegegeven, dit is een extreem voorbeeld, maar hoe vaak kom je geen atheïsten of zelfverklaarde ‘vrijdenkers’ tegen die doen alsof gelovigen geestelijk minvermogend zijn?

In de bundel God noch autoriteit – geschreven ter herdenking van het feit dat 150 jaar geleden de vrijdenkersvereniging De Dageraad werd opgericht – passeren veel oprechte vrijdenkers de revue. Mensen die terecht hebben gestreden tegen het religieuze fanatisme. In een tijd waarin de Kerk nog in eendrachtige samenwerking met Kapitaal, Kroeg en Kazerne de mensen dom, onderdanig en arm hield, leverden vrijdenkers als Multatuli, D’Ablaing van Giessenburg, Gerhard, Domela Nieuwenhuis en Constandse een belangrijke bijdrage aan de geestelijke emancipatie. En ook nu is het noodzakelijk om mensen ervan te doordringen dat een fundamentalistische interpretatie van de islam veel ellende veroorzaakt.

Hoe interessant de meeste artikelen in deze bundel echter ook zijn, de aversie die Alexander Cohen voelde wil ook bij mij maar niet helemaal verdwijnen. Daarvoor zijn die vrijdenkers me iets te triomfalistisch, twijfelen ze me te weinig. In zijn inleiding schrijft Blom dat de vrijdenkerij niet louter negatief is, dat zij niet alleen antigodsdienst is, maar dat er wel degelijk een positief doel is, namelijk de erkenning dat ‘de mens en de rede soeverein zijn’. Maar over de spanning tussen die twee, daar hoor je vrijdenkers weinig over, terwijl de Britse filosoof R.G. Collingwood volgens mij gelijk had, toen hij schreef: ‘It is only by fits and starts, in a flickering and dubious manner, that human beings are rational at all.’