Ietsje te veel

Muziektheater te Amsterdam, tot en met 1 oktober.
Natuurlijk is Strauss’ Elektra een opera over groβe Gefühle. Natuurlijk vereisen de vocale partijen dat de zangers zich de longen uit het lijf zingen. Natuurlijk is het orkest één zinderende massa, die weliswaar af en toe de adem inhoudt, maar dan weer onstuitbaar verder kolkt en bruist, afstomend op dat orgastische moment van ultieme wraak.

In Strauss’ Elektra is alles - zang, tekst en orkest - dik aangezet.
Wat doe je dan als regisseur? Dan doe je er nog een schepje bovenop, moet Willy Decker gedacht hebben. Zo heeft hij zijn Elektra geplaatst in een monumentaal decor: de overloop van het paleiselijke trappenhuis. De vloer, muren en trappen zijn met viezigheid en bloed besmeurd. Eén grauwe, schemerachtige ruimte, zonder ramen of deuren, waarin het hele stuk zich afspeelt. Ook de personages missen elk perspectief. In de openingsscène zien we Elektra wankelend de trap op komen, gehuld in de jas en de laarzen van haar vermoorde vader en met de bijl waarmee de slachtpartij is aangericht tegen zich aangeklemd. Onafscheidelijk van het wapen waarmee ze haar vader wil wreken, stampt ze als een psychopathische houthakker rond.
Haar zusje Chrysothemis is weliswaar uit ander hout gesneden - in haar cocktailjurk met bijbehorend tasje oogt ze meisjesachtig en onschuldig -, Willy Decker en dramaturg Klaus Bertisch zetten haar niet minder hysterisch neer. Net als Elektra klapt ze om de haverklap dubbel. Het meest erbarmelijk is het gesteld met de moeder van de beide zussen: Clytaemnestra. Zij kan nog maar ternauwernood op haar benen staan. Gekweld door wroeging over de moord op haar echtgenoot Agamemnon slingert ze van links naar rechts over het toneel, met hier en daar een kleine valpartij. Alledrie de dames zijn even verdwaasd, buiten zinnen en een zenuwinzinking nabij.
Zou Decker bang zijn geweest voor misverstanden? Als een braadworst waar het vet uit spat zodra je er de tanden in zet, drijven deze personages in hun overdadige sentimenten. Niet alleen doet dat afbreuk aan de geloofwaardigheid van de emoties, ook wordt de handeling erg voorspelbaar. Als Elektra opkomt, met een verwilderde blik rondkijkt en een paar meter over het toneel strompelt, weet je dat ze binnen luttele seconden in elkaar zal zijgen. Terwijl de muziek al bol staat van de dramatiek, is ook alle gestiek in de overtreffende trap vormgegeven.
Het is de vraag of dat bij de enscenering van Strauss onvermijdelijk is. Want wat Willy Decker doet is natuurlijk niet nieuw. Sterker nog, hij staat met beide benen in een negentiende-eeuwse, zeer Duitse traditie, waarin expressiviteit wordt verdrongen door pathetiek en emotie door hysterie. Hoe goed de muzikale uitvoering onder leiding van Hartmut Haenchen ook is, je had gehoopt dat de Nederlandse Opera haar seizoen was begonnen met een meer eigentijdse, verrassende kijk op dit Griekse drama. Want dat een heel andere benadering ook mogelijk is, staat buiten kijf. Neem nu de Puccini-ensceneringen van Robert Carsen in Antwerpen, waarin de personages vanuit een heel ander perspectief, een heel andere psychologie benaderd worden. Tegenover de overdaad van de muziek stelt Carsen rustige, gestileerde beelden en een natuurlijke regie. Niet méér van hetzelfde, maar een contrapunt. Dat levert een emotionaliteit op die tot op het bot gaat.
Heeft Decker dan misschien een bijzondere visie op de opera? In het essay ‘Op de drempel’ zegt hij dat Elektra zich in het niemandsland tussen leven en dood bevindt. Ze bevindt zich op een 'onplek’ in een 'ontijd’, slechts gedreven door haat. Onliefde, zou ik zeggen. Volgens Decker kan de malaise slechts door één woord ('dat op geen enkele plaats en op geen enkel moment in het stuk valt’, zo heeft hij terecht geconstateerd) worden verholpen: vergiffenis.
Is dat geen baarlijke onzin?