Ignatz bubis 1927-1999

Hij is verbitterd gestorven, Ignatz Bubis, aan de gevolgen van een hernia-operatie. Terwijl de joodse gemeenschap in Duitsland groeit en bloeit als nooit na de Tweede Wereldoorlog was de voorzitter van de Centrale raad voor Joden in Duitsland tot de conclusie gekomen dat de kloof tussen Duitsers en joden onoverbrugbaar is en kondigde hij in een interview aan dat hij niet in Duitsland maar in Israel begraven wilde worden, zodat zijn graf niet, zoals dat van zijn voorganger, zou worden vernield.

Hij was altijd al een scherpe criticus geweest van antisemitische en racistische uitingen en geweld in Duitsland. Hij stond voorop als er weer eens een huis van gastarbeiders of asielzoekers in brand werd gestoken. Hij beschuldigde de regering en de politie van laksheid en onmacht. Hij vond dat er tegen rechts-extremistische groepen even onverzoenlijk moest worden opgetreden als in de jaren zestig tegen linkse terroristen. Linkse tegenstanders uit die jaren als Daniel Cohn-Bendit werden zijn bondgenoten in de strijd tegen het racisme, niet omdat hij veranderd was, hield hij vol, maar zij. Maar het laatste jaar kwam hij alleen te staan in zijn wrok en dat voedde zijn bitterheid en boosheid. Dat kwam door de Duitse schrijver Martin Walser en zijn beroemde redevoering op 11 oktober 1998, toen hij de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel ontving. Voor Bubis betekende die redevoering geen vrede, maar oorlog. Walser vond dat het er maar eens mee afgelopen moest zijn dat Duitsers in de media dagelijks Auschwitz voor de voeten werd geworpen. Hij vond dat de herinnering aan Auschwitz werd misbruikt tegen Duitsland. Duitsland moest nu maar eens een normaal land worden tussen de andere landen. Ovationeel applaus. Alleen Bubis en zijn vrouw bleven zitten. Later sloeg Bubis keihard terug en beschuldigde Walser van ‘geestelijke brandstichting’ en zei dat hij een taal gebruikte die ook door rechts-extremistische voormannen werd gebruikt. Niet alleen Walser, maar bijna heel Duitsland viel over Bubis heen. Sommigen vonden dat hij zijn eigen oorlogsverleden niet voldoende had verwerkt, alsof het ooit mogelijk is het afvoeren van je vader naar het vernietigingskamp Treblinka te verwerken. Anderen zeiden dat hij zijn tijd als leider van de joden in Duitsland gehad had. Pas toen ik Walsers toespraak over en over las, begreep ik waarom Bubis zo bitter was geworden en begreep ik zijn gelijk. Walser spreekt over een Duitsland waar joden, en trouwens ook Turken of andere minderheidsgroepen, geen deel van uitmaken. Alleen dan kun je Auschwitz noemen als iets wat tegen Duitsland wordt gebruikt, alsof de Duitsers de eigenlijke slachtoffers van Auschwitz zijn. Maar als je als jood en overlevende van de kampen zit te luisteren, moet je je wel buitengesloten en ten onrechte aangevallen voelen. Walser houdt er in geen enkel opzicht rekening mee dat er zich ook wel nazi-slachtoffers onder zijn gehoor kunnen bevinden. Duitsers zijn voor hem degenen die ten onrechte worden lastiggevallen met het verleden. Zij die zelf door het verleden worden geteisterd, omdat het hen niet los kan laten hoezeer ze het ook proberen te verdringen, zoals Bubis, horen in de gedachtegang van Walser niet bij wat hij als Duitsers ziet. Daarom is het zo verontrustend dat er wel naar Bubis werd geluisterd, maar dat hij niet werd begrepen, zelfs niet als hij bijna smekend vroeg om een 'gemeenschappelijke wijze van herdenken’ te vinden. Duitsland zal Bubis missen als scherpe criticus van binnenuit. Aan een Turkse Bubis, even onverzoenlijk en welsprekend, is dringend behoefte. De ironie wil dat Bubis zelfs de rust van het graf in Israel niet wordt gegund. Een oude, joodse tegenstander uit Duitsland, een gefrustreerde kunstenaar, heeft al direct na de begrafenis een tube zwarte verf over zijn graf uitgespoten. Want onbegrip en haat beperken zich niet tot Duitsland.