Profiel: Wouter Bos

IJdel, ambitieus, eerlijk

Zaterdagmiddag in een café in Amsterdam. Bij het wekelijkse spreekuur van PvdA-ge meenteraadsleden Bouwe Olij en Thijs Reuten is Wouter Bos te gast. Kamerlid Wouter Bos, dan nog de enige kandidaat voor het fractievoorzitterschap en partijleiderschap van de Partij van de Arbeid. Omringd door enkele sympathisanten legt hij uit wat er volgens hem mis is: de partij was te sterk in zichzelf gekeerd, te weinig bevlogen, te technocratisch. Een bekende analyse, maar daar door natuurlijk niet minder waar. We hadden op 15 mei bovendien te maken met «een soort lokale verkiezingen», meent hij: «Ik ben ervan overtuigd dat wij de verkiezingen hebben verloren op vooral lokale thema’s. Onderwerpen waar wij in Den Haag niet veel van hebben begrepen, maar waarmee onze wethouders al jaren bezig bleken te zijn.»

Terwijl Bos het verlies van 22 zetels nader wil duiden, verheft Bouwe Olij, gemeenteraadslid en voormalig kandidaat voor het partijvoorzitterschap, onverwacht zijn stem. Zulk soort verhalen hoort hij al maanden, zegt hij. Laten we nu eens vooruit kijken.

«Wouter, waarom moeten wij als leden van de Partij van de Arbeid dadelijk eigenlijk op jou gaan stemmen?»

Geschrokken kijkt Bos op.

Na een korte stilte: «Omdat ik weer verkiezingen voor jullie ga winnen.»

Olij neemt er vooralsnog geen genoegen mee. «Ik wil het nu weten!» zegt hij.

«Duidelijkheid, herkenbaarheid en durf, daar draait het om», filosofeert Bos, mogelijk geïnspireerd door de regering-Balkenende, die «duidelijkheid en daadkracht» centraal stelt. Bos: «Het slechtste wat we nu kunnen gebruiken, is rust. We hebben heel veel onrust nodig: debatten om op goede standpunten te komen, andere dan we gewend waren. Maar vooral, geen partij leider die vooraf overal iets over vindt. Eerst moet er debat zijn in de partij.»

Olij: «Maar Wouter, wil je nu dus helemaal niets vinden?!»

Bos (stoïcijns): «5 oktober komt mijn programma.»

Dat is deze week. Nu alleen ex-minister Klaas de Vries zich heeft opgeworpen als tegenkandidaat lijkt Bos, ongeacht het program waarmee hij zaterdag op de proppen komt, de meest waarschijnlijke opvolger van interim-fractievoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven als partijleider. Op 14 december zal de uitkomst van de ledenraadpleging bekend worden gemaakt. Bos, die volgens opinieonderzoek het grootste deel van de leden achter zich heeft, kan dan na het kerstreces aan de slag als fractievoorzitter en als partijleider.

Is Bos inderdaad degene die de PvdA weer verkiezingen zal laten winnen? Allicht, want het lijkt onwaarschijnlijk dat het dieptepunt van 23 kamerzetels ooit wordt overtroffen. Een vergelijkbaar verkiezingsjaar, waarin de PvdA de schuld van alles lijkt te zijn, zal zich niet snel weer voordoen. Daarbij zal bij enige volgende verkiezing de concurrentie van de Lijst Pim Fortuyn, gezien de huidige wanboel in de fractie, naar verwachting niet veel groter zijn. Toch duurt het ongetwijfeld nog lang voordat de Partij van de Arbeid zich weer mag verheugen in de belangstelling van het merendeel van de kiezers. Een nieuwe PvdA-premier zal nog wel even op zich laten wachten. Of Bos hiervoor geschikt zou zijn? Hij is in elk geval ambitieus genoeg, melden zijn vrienden en kennissen.

Die ambitie bracht Wouter Bos (1963) waar hij nu is. Groot geworden in een behoorlijk politiek geëngageerd gezin in Odijk, vlak bij Utrecht, vertrok hij, zoals dat hoorde bij een nette hervormde opvoeding, naar de Vrije Universiteit in Amsterdam. Cum laude studeerde hij daar af in de politicologie en in de economie. Het bracht hem bij Shell, waarvoor hij vanaf 1988 in Rotterdam, Boekarest, Hongkong en Londen werkte. In zijn milieu, waar Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsstrijders over de vloer kwamen, een atypische carrière-move, die Bos later deels verklaarde uit de neiging zich af te zetten tegen zijn vader, de voormalige baas van de protestants-christelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking Icco.

Voor een ander deel was het pure ambitie die hem dreef. En ijdelheid, de behoefte om te scoren. «Bij Shell kom je niet makkelijk binnen», verklaarde Bos twee jaar geleden in een interview, «en ik vond het strelend daarin te slagen. Bovendien weet je dat je dan enorme mogelijkheden krijgt, veel kunt opsteken en verantwoordelijkheid draagt.» Tegen de Volkskrant zei hij dit jaar: «Ik wilde weten wat ik in mijn mars had, of ik tot de absolute top kon behoren.» Toch waren er ook de met de paplepel ingegoten idealistische motieven. Bos was ervan overtuigd «dat links Nederland het bedrijfsleven niet moest overlaten aan rechts Nederland».

Want links noemde hij zichzelf. Daarom was hij in 1982 lid geworden van de Partij van de Arbeid. De verkiezingsnederlaag van toenmalig partijleider Joop den Uyl had grote indruk op hem gemaakt. Die man stónd ergens voor. In de brief waarin Bos zich eind augustus tegenover de leden van de PvdA kandidaat stelde voor het partijleiderschap, bracht hij die jaren in herinnering. «Hoe hard de nederlaag ook, hem (Den Uyl — pv) maakte je niet wijs dat er in Nederland geen plaats zou zijn voor een grote sociaal-democratische partij.»

Al begon hij bij Shell, eens zou ook Wouter Bos in de politiek belanden, hield hij zichzelf en anderen voor. Na tien jaar in de olie kreeg hij in 1998 die mogelijkheid. In weinig deed hij als kamerlid echter denken aan zijn grote voorbeeld Den Uyl. Geen vlekkerige regenjas of verwarde haardos: Bos zit doorgaans strak in het pak en is zich bewust van zijn voorkomen. Of het een aanbeveling is of niet, Fortuyn vond hem «een lekker ding». Maar ook geen oudlinkse principes: Bos bleek geenszins een socialist van de oude stempel, maar een door de economische denkbeelden van Hayek geraakte sociaal-liberaal, die in zijn opvattingen meer op een lijn stond met Rick van der Ploeg dan met een echte uyliaan als Jan Pronk: meer markt, minder bemoeienissen van de overheid. De oudlinkse kern in de PvdA had het maar wat moeilijk met wat zij op partij bijeenkomsten steeds weer dramatisch het «ongebreidelde neoliberalisme» van Bos’ nieuwe lichting parlementariërs noemde.

Al na twee jaar werd duidelijk dat de ambities van Wouter Bos verder reikten dan een kamerlidmaatschap. Dankzij het opstappen van Bram Peper, waardoor Bos’ huidige uitdager Klaas de Vries minister van Binnenlandse Zaken kon worden, schoof Willem Vermeend door naar Sociale Zaken en kon Bos na een relatief kort kamerlidmaatschap onder minister Zalm het staatssecretariaat van Financiën gaan bekleden. Vermeend had het nieuwe belastingstelsel al door de Kamer geloodst, dus wat overbleef was de resterende twee jaar adequaat maar voorzichtig op de winkel passen. Dat dat niet al tijd even makkelijk was onder een krachtige minister als Zalm steekt Bos niet onder stoelen of banken. Dat het fijn was om nu zelf beleid te mogen maken evenmin. In de tijd dat de PvdA nog de arrogante bestuurderspartij was die in de vorige week gepresenteerde rapporten zo ontluisterend wordt getoond, liet staatssecretaris Bos zich eens interviewen door Nieuwe Revu. Van zijn drijfveren maakte hij geen geheim. «Machtswellust. Want dát heb ik», zei hij. «Laat ik het gewoon bij de naam noemen. En ik méén het. Ik wil aan de knoppen zitten.»

Dat er ook tijden zouden komen waarin anderen aan de knoppen zitten, daar hield Bos noch de rest van zijn partij op dat moment rekening mee. Eerlijk — want dat is hij — verklaarde Bos moeite te hebben gehad met zijn controlerende taak in de Kamer: «Ik vond het bijvoorbeeld best moeilijk om als Tweede-Kamerlid debatten te voeren met een bewindsman of -vrouw over wie ik eigenlijk dacht: ga weg, ik doe het zelf wel.» Oprecht, maar desondanks wonderlijk voor iemand die het nu als zijn opdracht ziet in de Kamer de oppositie te gaan leiden. Alle aanvankelijk hoopvolle berichten over dualisme ten spijt, voordat een oppositiepartij onder het kabinet van CDA, LPF en VVD in staat is aan de knoppen te zitten, moet er nog veel water door de Rijn.

De vraag blijft: wat heeft Bos nog meer in petto dan duidelijkheid, herkenbaarheid en durf? Zijn «programma» blijft tot op het laatste moment geheim, al was het maar om dat hij het, naar eigen zeggen, waarschijnlijk pas vrijdagnacht afrondt. Drie thema’s zullen niet ontbreken. Op 15 mei draaide het immers om de verkrampte politieke cultuur, het migratie- en integratiebeleid en de publieke voorzieningen.

Over de politieke cultuur is Bos duidelijk: een analyse van de voorbije jaren volstaat om te zien wat er mis is en hoe het anders moet. In een artikel voor Socialisme & democratie, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, hekelt hij de bange stijl van zijn partij in de jaren van regeringsverantwoordelijkheid. «Het is mijn stellige overtuiging dat mensen het feilloos doorhebben wanneer problemen niet worden benoemd, als schijnoplossingen niet worden doorgeprikt, als de zuivere analyse sneuvelt uit angst, als belangenbehartigers naar de mond wordt gepraat en als bepaalde discussies worden gemeden.» Als voorbeeld noemt hij de fiscale aftrek van de hypotheekrente, waarvan hij, net als een groot deel van het PvdA-kader, al eerder geen groot voorstander bleek. Hij schrijft over ontluisterende ervaringen in de verkiezingscampagne: «Bijna altijd werd ik door PvdA-afdelingen uitgenodigd om voor eigen parochie te preken, bijna nooit werd contact gezocht of georganiseerd met mensen buiten ons eigen vertrouwde kringetje.» De onvrede en het wantrouwen in de politiek drongen hierdoor pas laat door. Bos schrok van een gesprek bij zijn kapper: mensen geloofden niet dat de verdachte van de moord op Fortuyn werkelijk blank is en niet toch allochtoon. Of mensen die ervan overtuigd waren dat het slechts om campagnetaal gaat als «de politiek» zegt dat het aantal nieuwe asielzoekers in Nederland is gedaald.

Op het gebied van migratie- en integratiebeleid gaf Bos een voorschot in de brief waarin hij zijn kandidaatstelling bekendmaakte. «Wij moeten de moed tonen om ervoor uit te komen dat we voor een humanitair asielbeleid zijn en in een veelkleurig Nederland geloven», zei hij. Het doemdenken over de multiculturele samenleving die voor velen ten dode is opgeschreven, is aan hem niet besteed. Zij het met één kanttekening: «Het draagvlak houden we alleen maar in stand als juist wij ook de eersten zijn om de vinger op de zere plek te leggen als het mis gaat.»

Dan de publieke voorzieningen. Het ging op 15 mei om veiligheid, om wachtlijsten in de zorg en om vieze klaslokalen. Maar het ging ook om privatisering en liberalisering, Bos’ specialisme. Alhoewel hij van het paarse marktdenken niet vies leek, verraste hij tijdens de verkiezingscampagnes met een analyse van het al te liberale verkiezingsprogramma van de VVD. Hij schreef de analyse, gepubliceerd in NRC Handelsblad, samen met vice-fractievoorzitter Adri Duivesteijn en leek over de verzelfstandigingen van de laatste jaren een stuk minder enthousiast geworden. «Een les van de jaren negentig — mede geleerd doordat de kabinetten-Kok er met vallen en opstaan aan hebben gewerkt — is dat de markt niet altijd brengt wat de burger verlangt», schrijven ze, verwijzend naar de soaps rond voormalige overheidsbedrijven als NS en KPN en de stroomvoorziening. «De kritiekloze bewieroking van de markt en het spiegelbeeldig afbranden van de overheid», vervolgen ze, «gaat voorbij aan datgene wat volgens ons de grote wens van de burgers, en dus de grote uitdaging van de politiek, is: de overheid van de mensen maken.» Van Duivesteijn was dit soort opvattingen bekend, dat ook Bos de markt een minder warm hart is gaan toedragen, was nieuw.

De kandidaat-partijleider Wouter Bos belooft de PvdA, al met al, een linkser imago, «nieuwlinks» wel te verstaan: met fatsoenlijke omgangsvormen, met oog voor de veranderende samenleving en met een eerlijker sociaal-democratisch profiel. Want, zo hield hij zijn gehoor in Amsterdam voor: «Mensen missen de PvdA niet alleen als het gaat om het signaleren van bepaalde items in de sa menleving, ze zien het ook als de partij geen duidelijk sociaal-democratisch smoel heeft.»

Met als ghostwriter Duivesteijn, die zich tegen de verwachting in niet kandideerde voor het partijleiderschap, kan de PvdA vaker samen optrekken met GroenLinks. Zoveel verschillen zijn er niet, zei Bos in hetzelfde Revu-interview. Hij hoopte toen dat zijn moeder, die bij GroenLinks lokaal actief is, «op een dag inziet dat GroenLinks niets meer of minder is dan de PvdA in oppositietijd». Dat moet de komende jaren blijken.