Ijdelheid

Een beetje columnist schrijft over kind noch kat. Ik derhalve wel. Naar aanleiding van een tweeluik over de onopvoedbaarheid van onze poes en haar avonturen in de gezondheidszorg ontving ik een brief van een gedegen uitgever. Hij had plezier beleefd aan ons Cypers secreet en wilde spreken over een uitgave. Omdat ik geen letter ongepubliceerd ‘werk’ had, zou het een bundeling Groene-columns worden.

Altijd had ik instemmend geknikt wanneer iemand klaagde dat elke hoekjesvuller zo nodig een kaft om zijn stukkies moet, terwijl dat zelden een interessant boek oplevert - en nu, voor die keus gesteld, zei ik ‘ja’. IJdelheid. Een mens kan niet zonder dromen, en toen die van het Nederlands elftal al op de lagere school stuitte op het feit dat van de twaalf die aan het schoolvoetbaltoernooi mee wilden doen, ik tot reserve werd uitgeroepen, werden nieuwe noodzakelijk. Een ervan was dat tussen de boeken op mijn planken er een van eigen hand zou zijn.
Daar was de kans. Al bleven de gevoelens gemengd door het besef dat er wel erg veel uitkomt waarvan de noodzaak, voorzichtig geschat, beperkt is; en dat talent met een kleine letter geschreven diende. Dus meligde ik thuis wat af over 'in portefeuille’, 'ik lunch vanmiddag met mijn uitgever’ en 'wat trek jij aan naar het Boekenbal?’ Lol zat er ook aan het zoeken van een titel. Tussen Konsalik en Van Kooten leek wel wat. In die buurt komt immers mijn naam op de plank waarbij Konsalik de ironie en Van Kooten de droom vertegenwoordigt. (In werkelijkheid staat het tussen Komrij en Koolhaas - omdat we Kooiman niet in huis hebben - maar dat kan natuurlijk niet.)
Uiteindelijk werd het Het oog wil ook wat - achteraf weinig adequaat omdat, mede door die titel, in de aandacht die ernaar uitging vooral melding gemaakt werd van mijn televisieverslaafdheid, terwijl er haast geen tv-stukje in het boekje staat. In de selectie sneuvelde die categorie omdat het meestal is of je leest over de sneeuw van vorig jaar, terwijl een kat van alle tijden is.
Enfin, het kwam uit en, verdomd, ik lunchte met 'mijn’ uitgever. Nu had ik Napels gezien maar in plaats van te doen wat dan past, begon ik aan een beschamende tocht langs boekwinkels om te zien of en zo ja hoe ze het te koop aanboden. Had ik al ooit de neiging naast mijn schoenen te lopen vanwege een compliment over een stukje, dan was dit de ultieme les in nederigheid: nagenoeg nergens te vinden in de 'betere boekwinkel’. En waar ik, rood en fluisterend, ernaar vroeg, keken verkopers mij aan of zij water zagen branden, ofwel of ik in hun literaire paradijzen vroeg naar een boekje over postzegels verzamelen of motoronderhoud maar dan zonder Zen.
De enige recensie was vernietigend. Mijn redding was dat de criticus er blijkens interpretatie van een citaat 'niets van begrepen had’, maar verkoopbevorderend werkte het niet. Het failliet van de uitgever is voorkomen doordat ik er zelfs de vaagste kennis een cadeau deed. Maar mijn vrienden vonden het van 'aardig’ tot 'mooi’ (wat moesten ze anders?), het staat in de kast en mijn dochter is er trots op.
Weer kreeg ik een brief van mijn uitgever: het gaat in de ramsj. Vandaar.