President Zelenski van Oekraine geeft via een videoverbinding een toespraak in de Tweede Kamer, Den Haag, 31 maart © ANP / Robin Utrecht

Een speech van Volodimir Zelenski is voor westerse democratieën een trofee. Vrijwel elk parlement wil er eentje en de Oekraïense president levert. Hij snijdt ze keurig op maat, verwijst elegant naar historische trauma’s van het land waar hij spreekt en verwerkt er en passant kritiek in. Dat alles doorspekt met culturele verwijzingen. ‘To be or not to be’, hield Zelenski de Britten voor. Cynisch zou je kunnen opmerken dat ‘zijn’ in de ogen van westerse politici inmiddels vooral betekent dat je gezien bent door de president uit Kiev. Dat hij jouw parlementszaal heeft ingekeken, jou heeft zien zitten en jou heeft toegesproken. ‘Mama, wil je me morgen naar school brengen want het gaat sneeuwen? Nee, ik heb morgen vroeg een afspraak met Zelenski’, twitterde GroenLinks-Kamerlid Laura Bromet.

Zij was lang niet de enige. Toen de Oekraïense president via een videoverbinding het Nederlandse parlement toesprak, hing er een festivalstemming. Kamerleden en journalisten maakten selfies en er stonden rijen burgers voor het gebouw om op een groot scherm de toespraak te zien. Het was warm in de plenaire zaal, niet eerder zaten er zo veel mensen in de nieuwe Kamer. Op de radicaal-rechtse flank na waren de zetels gevuld, de publieke tribune was volgepakt met journalisten.

Iedereen liep uit voor de tournee van Zelenski die op 1 maart was begonnen met het toespreken van het Europees Parlement en vorige week – op 31 maart – eindigde in Nederland en daarna België. Hij was zichtbaar moe. Behalve het besturen van een land in oorlog en het leiden van troepen, sprak hij in een maand meer dan zestien parlementen toe.

Wie wilde meetellen in de maand maart, engageerde zich met Zelenski. Niet alleen politici hadden last van dergelijke ijdelheid. Boekenuitgever Atlas Contact liet in een ronkend persbericht trots weten de vertaalrechten van de biografie te hebben ‘verworven’ na een ‘verhitte veiling’. Terwijl Zelenski strijdt om terreinwinst in zijn land, strijden democraten in vrije landen om aandacht van de verzetsman die tot mythische proporties is uitgegroeid.

Het pijnlijke? Dit is wellicht niet wat Zelenski bedoelt met ‘to be’ – met ‘zijn’. Hij hoeft geen schouderklopjes, applaus of een andere blijk van goede wil – hij wil duidelijke daden zien. Vooral in Nederland ontbreekt het daaraan.

Blinde adoratie kan het zicht ontnemen op helder nadenken, waarschuwde David A. Bell vorige week al in The New Statesman in een stuk over de charme van de Oekraïense president. Hij vergeleek het bakvissengedrag van het Westen met hoe de aanstellerige Franse denker Bernard-Henri Lévy in de eerste dagen van de oorlog was afgereisd naar Zelenski om daags daarna op te scheppen over hun hechte relatie. Als een zelfgenoegzame mot trekt Lévy naar geopolitiek spektakel, een houding die volgens Bell geen navolging moet krijgen. ‘We moeten niet zo dwaas zijn een oorlog met Rusland te riskeren omdat Bernard-Henry Lévy een keer in Oekraïne is geweest.’

Heldenverering ontneemt ook het zicht op wat er wel moet gebeuren. Kijk bijvoorbeeld eens naar de vele internationale rijtjes over de inzet voor Oekraïne waarbij Nederland op dit moment onderaan bungelt. Van de 45 miljard euro die oligarchen in ons land zouden hebben geparkeerd, is slechts 516 miljoen bevroren. Terwijl andere staten schepen aan de ketting legden, voeren ze hier net op tijd de haven uit. Duur vastgoed is nog altijd ongemoeid gelaten. In vergelijking met Groot-Brittannië, België, Frankrijk en tal van andere landen is dat een zeer karige bijdrage.

‘De beste manier om de oorlogsmachine van Poetin te stoppen, is door zijn dagelijkse instroom van geld af te snijden’, schreef een economisch adviseur van Zelenski vorige week in een opiniestuk in The New York Times. ‘De beste manier om dat te doen is ervoor zorgen dat Europa stopt met het overhandigen van geld voor Russisch olie en gas.’ Bij zijn verhaal had hij grafiekjes laten publiceren waarin werd getoond welke Europese landen nog altijd olie importeren. Nederland stond met grote afstand bovenaan: het importeerde sinds de inval van Oekraïne spectaculair meer dan voor de oorlog.

Op het ministerie van Buitenlandse Zaken zien ze bij het handhaven van exportverboden ook een halfslachtig land. Bedrijven die een maand geleden nog trots riepen niet meer te zullen handelen met Rusland, vroegen kort daarna al uitzonderingsclausules aan. De stapel met verzoeken loopt inmiddels in de vele tientallen, zegt een betrokken ambtenaar. ‘De handelsgeest blijft sterk. Bedrijven verkennen de grenzen van wat nog wel kan. Mag een bepaald type schip of een fruitteeltmachine misschien wel?’

De Kamer wilde Zelenski graag ontvangen, met opgespelde vlaggetjes wachtten ze hem op. Aan goede sier geen gebrek, maar waar blijven de echte offers? Waarom bungelt Nederland onderaan bij het aanpakken van oligarchen? Waar blijven de oproepen tot het minderen van gasgebruik? Wie oppert er een olieboycot? Waar is de autoloze zondag?

De irritatie over de gapende kloof tussen goede wil en een gebrek aan daden stellen, begint ook Zelenski steeds scherper te benoemen. Wie zijn speeches op een rij legt, ziet dat waar ze eerst vooral emotionele redes waren over een volk dat nooit zal zwichten en altijd zal blijven vechten, de toon inmiddels politieker is. ‘De schaduw van Rotterdam hangt boven vele Europese steden’, waarschuwde hij verwijzend naar de bommenregen op zijn eigen steden. Hij verwees naar de mh17-ramp en de Nederlandse Opstand tegen de Spanjaarden. Daarna sprak hij ‘vriend Mark’ rechtstreeks aan: ons kandidaatslidmaatschap van de Europese Unie ligt in jouw handen. Nederland is een vocaal tegenstander van lidmaatschap. Ook zijn andere oproepen aan Nederland waren kraakhelder: stop alle handel met Rusland, stop met het importeren van energie. ‘Zodat je geen miljarden betaalt aan de oorlog.’

Je zou kunnen zeggen dat ‘to be’ begint met het erkennen van wat je rol is

Zijn scherpte in de richting van Nederland was niet nieuw. Toen hij twee weken geleden de 27 Europese regeringsleiders toesprak en daarbij voor elke leider een paar eigen zinnen had voorbereid, gaf hij Rutte ook kritiek verhuld als compliment. ‘Nederland is rationeel. Wij komen er wel uit.’

Nadat het scherm in de Kamer op zwart ging en Zelenski terug de oorlog in verdween, bleven Kamerleden achter om met elkaar te debatteren over wat zij zojuist hadden gehoord. Een debat dat had kunnen ontaarden in nog meer heldenverering, werd dankzij een alerte Kamer scherp zelfonderzoek rondom de vraag: waarom doen wij als land zo schrikbarend weinig?

Eigenlijk kon de minister die in de Kamer was verschenen dat ook niet uitleggen. ‘Buitenlandse Zaken is natuurlijk niet een departement dat operationeel dingen kan doen’, verklaarde Wopke Hoekstra. ‘Het heeft geen enkele zin als Buitenlandse Zaken zich aan gaat bemoeien tegen de fiod, of tegen het Kadaster of andere zaken waarvoor wij de mensen niet hebben en waarvoor wij ook niet geëquipeerd zijn.’ Waar je dadendrang verwachtte, werd onvermogen uitgelegd.

Hij volhardde in een Haagse bestuurstraditie die neerkomt op wijzen op een woud van gedelegeerde verantwoordelijkheden: voor vragen over het onteigenen van vastgoed verwees hij naar Binnenlands Zaken. Voor vragen over het aan de ketting leggen van schepen naar Infrastructuur en Waterstaat, voor wat juridisch mogelijk was naar Justitie en voor het handhaven van sancties naar Financiën. Tal van institutionele hordes werden opgeworpen, maar de bijbehorende uitleg kon hij niet geven. Kritische en constructieve vragen ketsten een voor een af op een onvermurwbare minister die bleef weigeren om leiding te nemen in een internationaal conflict.

Voor een man die juist de kabinetspost van Buitenlandse Zaken ambieerde om zijn leiderschapskwaliteiten te etaleren, was het een pijnlijke vertoning. Als hij geen overzicht heeft over de Nederlandse inzet in een internationaal conflict, wie dan wel?

‘Dit is gênant en onacceptabel’, zei GroenLinks-leider Jesse Klaver. ‘Wij hebben verdorie net geluisterd naar Zelenski. (…) Of deze minister geeft antwoord, óf het hele kabinet komt hier te zitten.’ cda-Kamerlid Agnes Mulder zei tegen haar partijgenoot: ‘Ik deel het ongemak wel. We willen natuurlijk met z’n allen (…) dat die sancties zo snel mogelijk het effect gaan krijgen dat ze zouden moeten hebben. Je voelt dan een zeker ongemak als er misschien relatief weinig wordt bereikt.’

Het debat was door Kamervoorzitter Vera Bergkamp geopend met de opmerking dat er op dat moment ‘geen afstand tussen Kiev en Den Haag’ bestond. Het tegenovergestelde was waar. Tegenover een belegerd land dat in hoog tempo wordt gesloopt, staat een door papier geregeerd land waar een gebrek aan bestuurlijke lenigheid verhindert dat het kan bijdragen aan het oplossen van acute nood. De afgelopen jaren is vaker gedemonstreerd hoe slecht Nederland functioneert in crisistijd. Het is te laat, heeft geen idee bij wie de regie ligt en debatten met parlementariërs worden vooral aangegrepen om die onkunde als logisch te verklaren.

Nadat de Kamer herhaaldelijk was ontploft, werd het debat geschorst. Hoekstra werd de facto weggestuurd door de Kamer: als u geen antwoorden heeft, kunt of wilt geven, kom dan vanavond maar terug met betere voorbereiding. Zichtbaar boos beende de minister weg.

Op de pagina’s van dit weekblad is vaker geklopt op de spijker die ‘uitvoering’ heet. Het vermogen herstellen om dat wat gezegd wordt tot uitvoering te brengen is een kernbelofte van dit kabinet. Zowel Mark Rutte als Sigrid Kaag heeft bij herhaling gezegd dat het slagen van Rutte IV zal afhangen van de mate waarin het dat wat het belooft kan omzetten in daden.

Tot voor kort ging dat om het lot van Groningers met aardbevingsschade en toeslagenouders die verpletterd zijn door de overheid. Nu gaat het om een land aan de rand van de Europese Unie dat bij monde van de president expliciet vraagt om het dichtdraaien van de geldkraan die de belegering financiert. Als dat niet lukt en deze regering niet eens kan benoemen bij welk loket je voor die vraag moet zijn, dan heeft het nog heel veel zelfstudie te doen.

In de uren tussen het wegsturen van Hoekstra en het hervatten van het debat leek er bij de buitenlandminister al het begin van een transformatie te hebben plaatsgevonden. Schuldbewust keerde hij terug naar de plenaire zaal. Hij had met de andere bewindspersonen gesproken, onder wie Rutte, en was tot de conclusie gekomen dat hij namens de acht ministers die zich bemoeien met sancties toch de leidende figuur moest zijn. Je zou kunnen zeggen dat ‘to be’ begint met het erkennen van wat je rol is. En dat Hoekstra met dat hernieuwde inzicht het debat voortzette.

Nu onwil was behandeld restte slechts nog een debat over onvermogen. Het zwakke punt was niet zozeer het gebrek aan sancties, maar de handhaving ervan, zei SP-Kamerlid Jasper van Dijk terecht. Had de minister inmiddels al zicht op hoeveel oligarchen er op dit moment in Nederland nog verdienen aan huurinkomsten? Konden trustkantoren die Russisch vermogen blijven verbergen worden gesloten? Wie gaat nou precies de sancties handhaven? Wordt dat het Kadaster, de fiod, de Kamer van Koophandel of een andere uitvoeringsinstantie? 36 dagen na het uitbreken van de oorlog bleven al die vragen onbeantwoord liggen. De minister kon weinig ophelderen, maar bezat inmiddels wel de wijsheid dat het zijn taak was om in oorlogstijd antwoorden te vinden.