De vliegende berg

IJle hoogten

Christoph Ransmayr
De vliegende berg
Uit het Duits (Der fliegende Berg, 2007) vertaald door Hilde Keteleer
Prometheus, 315 blz., € 25,-

Twee romans maakten de Oostenrijker Ransmayr (1954) ook in Nederland bekend, De laatste wereld (1989) over de ballingschap van Ovidius en De verschrikkingen van het ijs en de duisternis over een expeditie in de poolstreek. Maar hij heeft veel meer geschreven, en aan dit bergepos werkte hij elf jaar.

Het eerste dat opvalt is uiteraard de vorm: zinnen in vrije regelval, maar dat went snel. Het is het verhaal van twee Ierse broers die al door hun vader op klimtochten werden meegenomen, tot genoegen van de oudste, Liam, die in de computerwereld terecht zou komen, tot verdriet van de drie jaar jongere Pádraic, de verteller die in de koopvaardij verzeild raakt. Liam maakte al vroeg, net als de vader, lijstjes met onvervulbare wensen. Als hij op het geboorte-eiland Horse Island een landbouwexperiment begint, is dat slechts een opstap voor de ultieme wens: een volmaakt witte vlek te vinden, en dat wordt de hoogste berg ter wereld, De berg die vloog, zo genoemd omdat alles, zelfs dit, ooit zal vervliegen. De twee andere bergen zijn de Wolkenberg en de Vogelberg.

Liam roept zijn broer op om samen met hem naar Kham te gaan, de autonome Vhinese regio Xizang, oftewel Tibet. Aanvankelijk reizen ze vermomd als landmeters, omdat Tibet vanwege onlusten is afgesloten. Het tweetal vindt aansluiting bij de Khampas, een clan waarin de jongste ook een geliefde vindt; allemaal heel puur en zoet. Met de beklimming van de eerste berg begint de barre tocht, waarbij de jongste al vanaf het begin het gevoel heeft dat hij in het plan van de oudste verstrikt is geraakt, in diens web dat voor een deel uit het wereldwijde net bestaat – het enige moderne aan deze Kaïn en Abel-mythe.

Al gauw krijgt alles in het boek mythische dimensies – de witte vlek, de berg die hen zoekt, doet natuurlijk aan de Witte Walvis denken. Eigen aan het epos is de grote lijn, waarbij geen ruimte blijft voor details – of het moet dat van hoog in de sneeuw biljart spelende jagers zijn. Een detail wordt meteen een teken of symbool. Als dan de nuchtere vraag gesteld wordt: ‘Waarom na-apen/ wat elke mestkever virtuoos beter kon/ dan zelfs een kampioen in de klimkunst?’, antwoord het epos: ‘Waarom? Gewoon maar omdat/ zo’n daarboven, die top, inderdaad bestond, omdat die berg er was, er misschien alleen maar voor ons was, voor ons beiden…’

Hoort bij zo’n hooggelegen doel per se zo’n verheven stijl van praten én denken? De hoogten die Ransmayr bereikt op deze tocht terug (?) naar de natuur zijn wel erg ijl.