IJs

Ik herinner me een avond op de bevroren plas, vlak achter mijn huis. Hemelsbreed zat ik er zo’n honderdvijftig meter vandaan, in mijn werkkamer. Met een dik vest, omdat het zo koud was. ‘Ik ga gewoon nu nog even’, zei mijn man ineens verbeten. ‘Als morgen de dooi inzet kan het niet meer.’ Het was toen al laat op de avond, tegen half elf. Een heldere hemel, volle maan, tien graden onder nul. Ik werkte aan een gedicht dat maar niet wilde worden wat het wezen moest en tegen de tijd dat hij terugkwam had ik de moed opgegeven en zat ik te lezen.

Ik geloof niet dat ik ooit een volwassen man zag met zo’n egaal babyroze hoofd. Hij schonk zichzelf een whisky in en ging tevreden zitten zwijgen. Pas de volgende ochtend hoorde ik hoe het geweest was. Als iets met voldoende gelukzaligheid wordt naverteld is het haast onmogelijk het niet te stelen, als toehoorder. Dus herinner ik me die avond. De uitgestrektheid van een bevroren vlakte zonder ook maar één silhouet. De manier waarop het licht van de maan door het ijs weerkaatst werd. Het riet aan de randen van de plas, vol kristallen. Het zwiepende geluid van de ijzers. De spookachtige vleugelslag van een zwaan die plotseling laag overkwam. Maar vooral de beweging: het bijna gewichtsloze dat je ervaart als alle spieren warm zijn en het juiste ritme is gevonden. De moeiteloze voortgang. Hoe je de lucht langs je lichaam voelt stromen en tegelijkertijd lijkt stil te staan. Alsof niet jij maar het ijs zelf beweegt, onder je door glijdt. Het is een herinnering die zo goed is dat ik bang ben hem te verslijten. Dus denk ik er alleen aan als mijn man zijn oude noren te voorschijn haalt en naar de plas gaat. Nooit ga ik mee. Ik kan niet schaatsen. Ik heb er aanleg noch geduld voor. Als ik me op het ijs waag is dat traag schuifelend, omdat ik het mooi vind om ergens te lopen waar dat normaal gesproken niet kan. Het geeft ook niet. Die ene avond, tot in detail gestolen, is mij genoeg.