IJskoud waar

‘Vrouwen en mensen uit etnische groepen.’

Daar kan ik nou heel lang bij stilstaan, bij zo'n uitdrukking. Je vermoedt een onnauwkeurigheid, een slip of the pen, de gebruikelijke taalslordigheid van een academicus. Wellicht ook een onoplettende eindredacteur, bij wie de alarmbel van de meerduidigheid even niet functioneerde. Maar het kan ook een valkuil zijn, een opzettelijke poging van de auteur om verwarring te zaaien. Alles hangt af van de manier waarop je de woorden uitspreekt, het ritme dat je ze geeft, de pauzes die je aanbrengt. ‘Vrouwen’ - rust - 'en mensen-uit-etnische-groepen.’ Dat is heel iets anders dan wanneer je de uitdrukking behandelt zoals een rapper dat zou doen: 'Vróuwen en ménsen uit étnische gróepen.’ En waarom zou je het niet zo doen? Bij de auteur - iemand, zoals ze zelf graag zegt, 'van kleur’ - valt enige affinitieit met de rap-cultuur te verwachten. Maar de auteur is ook een vrouw, meer nog, een feministe. En die zal toch niet écht menen dat etnische groepen uit 'vrouwen en mensen’ bestaan. Of toch wel? Behoort zij tot de feministen die vinden dat vrouwen dermate superieur aan mannen zijn dat ze het mensenras zijn ontstegen en een eigen species vormen? In opperste verwarring lees ik de zin nog eens over waar ik de uitdrukking in aantrof. 'Bovenop het reeds bestaande vooroordeel dat vrouwen en mensen uit etnische groepen “minder competent” zijn is er inmiddels een aan positieve actie aangepaste versie waarmee men oude vooroordelen in een nieuw jasje steekt: “Wie alleen via positieve actie kon binnenkomen was vast niet competent genoeg”, hoor je dan.’ De koele schoonheid van deze zin schuilt in het ontbreken van komma’s. Dat haalt de intonatie eruit. De stem in je hoofd die, terwijl je leest, de tekst meespreekt is vlak, monochroom, metalig, koel. Verraderlijk koel. Want woede, loeiendhete woede, zo heeft de auteur even tevoren uitgelegd, is de drijfveer van de tekst. Eerder dorst ze het gevoelige onderwerp niet publiekelijk aan te roeren omdat haar woede te groot was. 'Je woorden worden al snel verdaaid en misbruikt.’ De auteur is iemand die haar woorden wikt en weegt, beducht voor wat ze kunnen aanrichten wanneer ze er zomaar uitgeflapt worden, ongezuiverd, vol emotionele verontreinigingen. 'Ik wacht meestal totdat de scherpe kantjes van de emotie af zijn en ik weer helder kan denken en schrijven.’ Dat moment kwam in januari 1993, toen ze de Opzij-lezing in de serie 'De woede van…’ mocht houden. Eindelijk was ze zo ver dat ze haar vurige verontwaardiging kon omzetten in een koele, met stalen pen op marmer geschreven aanklacht: 'Hoe positief is positieve actie?’, ondertitel: 'De woede van Philomena Essed’. DAAR GINGEN vele jaren aan vooraf waarin Essed, met de slijpsteen van de wetenschap, haar vulkanische emoties afvlakte en polijstte. In haar tengere lichaam kookte de verontwaardiging over de grootste leugen van de Nederlandse beschaving. Iedereen ontkende het, niemand wilde het zien, toch was het zo: Nederland is een door en door racistisch land. Zelfs de 'vrouwen van kleur’ die ze erover ondervroeg, wilden het niet erkennen. 'Pas na veel vragen komt naar boven hoe minachtend en kleinerend zij vaak behandeld worden.’ In de tram, op straat, in de supermarkt, op het werk, overal is racisme, in blikken, in frasen, in woorden, in procedures. Ze verzamelde al die voorbeelden in haar doctoraalscriptie en in het boek dat daarvan werd gemaakt: Alledaags racisme (uitgeverij Sara, 1984). Maar het was allemaal nog te ruw, te emotioneel, te warmbloedig, het was nog lang niet koel genoeg. Maar geukkig was daar de Man van Taal. Teun A. van Dijk, hoogleraar tekstwetenschap, haar levenspartner. De dynamische prof had een reputatie opgebouwd als wandelende taalverwerkingsmachine. Je stopt er aan de ene kant boeken, kranten en tijdschriften in, je drukt op de knop, en aan de andere kant rollen er dikke rapporten uit, met ijzingwekkend scherpe analysen, keiharde tellingen, koele tabellen en onontkoombare conclusies. Ooit heb ik de eindredactie mogen doen van een manuscript van de man over racistisch taalgebruik in Nederlandse dagbladen (Minderheden in de media, uitgeverij Sua, 1983). Honderden pagina’s dik, gevuld met proza als een ijsvlakte zonder scheuren, waar je als lezer overheen glijdt als een ochtendlijke schaatser over een pas bevroren binnenmeer. Proza zonder wrijving, hard, glad en onbreekbaar. De slotsom van zijn calculaties: De Telegraaf verwees significant meer naar de etnische achtergrond van ingerekende verdachten dan volksdagblad De Waarheid. DAT WAS WAT Essed nodig had: het koele korset van de wetenschap, dat elke gemoedsaandoening neutraliseert. Want waarheid komt niet uit verhitte koppen, waarheid komt uit machines met ingebouwde ventilatoren, waarin informatiestromen langs gekoelde kanalen worden geleid om uit te kristalliseren in transparante bundels tekst, tabellen en statements. Met het metalen instrumentarium dat Van Dijk haar aanreikte bewerkte Essed nogmaals de interviews die ze voor haar doctoraalscriptie had afgenomen en goot ze in een proefschrift dat door de antiracistische waarheidscommisie onder leiding van de 'promotor van kleur’ Chris Mullard met een cum laude werd gehonoreerd (het proefschrift is een waar 'manifest’, voegde de promotor er nog aan toe). Tegen zo veel waarheid was het racistische Nederland niet bestand. Diep boog het in het stof. Niemand had de durf het oordeel over de natie, met onaantastbare wetenschappelijke autoriteit uitgesproken, te betwijfelen. Aldert Schipper, die door Trouw naar huize Essed was gestuurd om de veroordeling van Nederland rechtstreeks uit de mond van de promovenda te vernemen, schaamde zich jaren later nog voor het serviele verslag dat hij daarvan in de krant deed: 'Ik dacht, zij is een vertegenwoordiger van een minderheidsgroep, dus zal ze wel gelijk hebben.’ Het enige kritische verhaal verscheen in NRC Handelsblad. Hoewel ook daar aanvankelijk iedereen onder zijn bureau dook toen de chef recensies vroeg wie Esseds proefschrift zou bespreken. Totdat iemand riep: Hans Moll moet het doen, want die is 'van kleur’. De Indo Moll leverde een kritische bespreking, noemde de promovenda een 'pretentieus warhoofd’, en werd vervolgens door de lezers getrakteerd op een stortvloed aan verontwaardigde brieven. Het was in die dagen not done, of zoals dat heette: politiek incorrect om de beschuldiging van structureel racisme tegen te spreken. Essed & Van Dijk triomfeerden. Er trok een koude wind over Nederland, de wind van het wetenschappelijk bewezen racisme. Door de kieren van het knusse, al te knusse minderhedendebat in Nederland stroomde een ijzige tocht naar binnen. Met rillende ruggegraat bekende de natie schuld. Een tijdlang was het in de tram dringen geblazen om die lege stoel naast een donker ogende passagier te bemachtigen. In de supermarkten vochten de mensen om voor de kleine Essed de zak Witte Reus van het bovenste schap te mogen pakken. Mensen wendden hun blik niet meer af of bleven haar ook niet meer aanstaren als ze tegenover haar zaten - al die vormen van 'alledaags racisme’ maakten plaats voor oogcontacten van de politiek correcte duur, aangevuld met beleefde opmerkingen in de trant van: 'Wat bent u mooi van kleur.’ De lessen waren overgekomen. TOT HET TIJ keerde. Overmoedig geworden door het succes van Esseds proefschrift waagde Teun A. van Dijk zich aan een aanval op de commandopost van het structureel racisme in Nederland: de intellectuele elite. Amper een jaar na Esseds promotie verscheen het onvervaard anti-islamitische pamflet De ondergang van Nederland, geschreven door Mohamed Rasoel. Al snel werd duidelijk dat Rasoel niet de echte auteur was. Om de verwarring over zijn identiteit zo groot mogelijk te maken stuurde de echte auteur de van oorsprong Pakistaanse variété-artiest Zoka van A. in uiteenlopende vermommingen op de pers af met de stellige bewering dat hij Mohamed Rasoel was en dat hij het boek wel degelijk had geschreven (slecht één keer versprak hij zich door te zeggen dat hij het boek had gelezen). Op dat moment besloot Teun A. van Dijk zijn onfeilbare instrument van de tekstanalyse in te zetten om de ware identiteit van de auteur te achterhalen. Het pamflet werd er aan de ene kant ingestopt, vervolgens meedogenloos in talloze nullen en enen ontleed, tot er aan de andere kant een duimdik rapport uit rolde dat met een verwaarloosbare onzekerheidsmarge aantoonde dat de ware auteur niemand minder was dan de spraakmakende columnist Gerrit Komrij. Typisch een geval van een overspeelde hand. Je kunt de hele Nederlandse bevolking van racisme betichten, van de tramreiziger die niet op de lege plaats naast een 'passagier van kleur’ gaat zitten tot de academicus die net iets te lang in de ogen van Philomena Essed kijkt, van de marktkoopman die een vrouw met hoofddoekje verbiedt in zijn avocado’s te knijpen tot de personeelschef die een Surinamer afwijst omdat die het op de werkvloer te moeilijk zou krijgen - de natie zwijgt schuldbewust. Maar wijs met één antiracistische vinger naar iemand die tot het meest onaanraakbare gilde van Nederland behoort, het columnistengilde, en tractorladingen vol tekstuele stront worden voor je deur leeggekieperd. Binnen de kortste keren werd Van Dijk de risee van de wetenschap en de paria van de vaderlandse intelligentsia. Wat kon Van Dijk tegen het gesloten front van de opiniekneders uitrichten, tegen de racistische elitetroepen die voor Esseds kruistocht niet uit hun kazernes waren gekomen maar nu met grof geschut over de dappere tekstwetenschapper heenwalsten? Van Dijk schreef er een dik boek over, De Rasoel-Komrij affaire, een meeslepend boek waarin de auteur zijn kwaliteiten als kille tekstanatoom op verrassende wijze weet te verbinden met de speurzin van een detective. Maar geen uitgever wilde er zijn vingers aan branden. De antiracistische taalwetenschapper viel ten slachtoffer aan een waterdichte conspiracy of silence. Het werd stil, heel stil rond huize Essed & Van Dijk. De kieren van het minderhedendebat waar Essed en Van Dijk voordien hun antiracistische ijswind doorheen bliezen, werden dichtgeplamuurd, de boodschappers van de ongemakkelijke waarheid over het Nederlandse 'elite-racisme’ werden monddood gemaakt. ER BEGON ZICH een tragedie af te tekenen. Van Dijks collegezalen liepen leeg, collega’s draaiden hem de rug toe, uitgevers zegden hun afspraken af. Essed is al jarenlang niet meer in de dames- en vrouwenbladen gesignaleerd. Hun beider aanklacht tegen het racisme valt ten onzent al enige tijd niet meer te beluisteren, die klinkt slechts vanaf de internationale podia van door henzelf georganiseerde symposia, uit de kolommen van door henzelf geredigeerde tijdschriften, en van hun homepages in de tekstwoestijn van Internet: 'Racisme et discours publics aux Pays-Bas’, 'El racismo de la elite’, 'Sinterklaas en Zwarte Piet: Is het racisme of is ’t het niet?’ 'A Comparative Discourse Analysis of Parliamentary Debates on Migration, Integration and (Anti)Discrimination’ - klikt u maar! De hele wereld hoort het, de hele wereld weet het: Nederland is een door en door racistisch land, waar de opinie wordt gevormd door een bende elite-racisten - maar Nederland houdt zich stom en doof. Hoeveel stilte kan een kameraadschap in de strijd verdragen? Waar de omgeving zwijgt, verstomt de relatie. De Gert en Hermien van het antiracisme gaan uit elkaar. Haalde de echtscheiding van het zingende echtpaar vorige week de voorpagina’s van Neerlands wakkerste kranten, voor de breuk tussen Teun en Philomena heeft nog geen journalist enige belangstelling getoond. Van Dijk gaat zijn heil zoeken in warmere oorden - Spanje, Zuid-Amerika. En Philomena? Met een stalen glimlach zat de ijskoningin van het antiracisme jongstleden zaterdag in het Amsterdamse Artis een symposium voor over de integratie van vluchtelingen. De Kosovaarse ballingen in de Ermelose tenten zijn gewaarschuwd: het kan in Nederland soms ijzig tochten.